Waarom heb ik mijn moeder nooit gevraagd wat haar zo ontroerde?

Als mijn moeder over Zwitserland vertelde, straalde ze. Waarom heb ik nooit gevraagd hoe dat kwam?

Mijn moeder kon met haar blote handen een appel in tweeën breken. Dat is wat ik over mijn moeder weet. Ik vertel het soms aan andere mensen. Ik wacht, in een kamer vol visite, tot er een stilte valt en dan zeg ik: 'Mijn moeder kon met haar blote handen een appel in tweeën breken.' Daarna is het vaak stil. Maar één keer heeft iemand mij gevraagd: 'Ook goudrenetten?' Dat wist ik niet.

En zo is er wel meer wat ik niet weet. Of ze gelukkig was bijvoorbeeld. Ik noem maar even wat. Nu ik zelf oud ben, weet ik: je kunt gelukkig kijken en toch woelt de dood onophoudelijk door je lichaam. Het erge is: ik heb haar dat nooit gevraagd. Het had makkelijk gekund. Ik had naast haar kunnen gaan staan in de keuken, als zij haar nasi goreng met 60 gram vlees maakte, en dan had ik kunnen vragen: 'Ben je gelukkig?' Maar dat vroeg ik niet. Ik zei: 'Moet dat vuur niet wat hoger?'

Toch weet ik zeker dat ze ooit gelukkig is geweest. In Zwitserland. Ze vertelde het verhaal graag. Het was de eerste keer dat ze in een vliegtuig zat. Ze vertelde over de bergen onder haar. 'Zo hoog, daar kunnen wij ons in Nederland geen voorstelling van maken. Zo heb je ze alleen in Zwitserland.' Ze vertelde dat het heel groen was in Zwitserland. Ze spraken er een andere taal, want het was buitenland.

Dat is het. Dat weet ik van mijn moeders reis naar Zwitserland. Vlak na de oorlog. Wanneer ze het verhaal vertelde, straalde ze. Ik kende mijn moeder als de vrouw die iedere ochtend in een moordend tempo drie broodtrommels stond te vullen, maar dit was iets anders. Als ze over Zwitserland vertelde, dan gebeurde er iets. Het ontroerde haar.

Hoe ouder ze werd, des te sneller welden de tranen als het Zwitserlandverhaal werd verteld. Bergen, groen, heel schoon, andere taal. Nu pas, ongeveer 45 jaar te laat, denk ik: waarom heb ik nooit gevraagd wat haar zo ontroerde? Waarom is dat, tot aan haar dood, niet bij me opgekomen?

Het lag zo voor de hand. Mijn moeder vertelde, ik zag haar bijna huilen van geluk, weemoed of allebei en daarna vroeg ik niets, of ik zei: 'Ja, Zwitserland. Mooi hoor.' Daar moet ik nu steeds aan denken. Waarom heb ik mijn moeder niet gevraagd wat ze in Zwitserland deed? Bij wie was ze? Wat at ze? Hoe lang was ze daar? Was ze verliefd op een jongen met een Zwitserse naam en moest ze toen opeens weer naar Nederland, waar de oorlog werd opgeruimd. Hij naast het vliegtuig, zij zwaaien.

En dan heb ik het alleen nog maar over Zwitserland. Ik had haar moeten vragen naar haar veel te jong overleden vader. Ik had lange gesprekken met haar kunnen hebben en ze zou het heerlijk hebben gevonden. Maar ik deed het niet. Ik keek voetbal of vroeg aan haar hoe je een goede gehaktbal klaarmaakt.

Mijn moeder was naaister. Ze werkte voor beroemde mensen in de P.C. Hooftstraat. Waarom weet ik daar niets van? Waarom was ik niet nieuwsgierig? Misschien dat ik het, bij gebrek aan moeder, nu bij onbekende mensen ga doen. Naast iemand in de trein. 'Ik zie dat dit boek u ontroert. Wilt u mij vertellen waarom?'