analyse

Waarom de overheid gevoelige thema's op het bordje van de samenleving legt

Vuurwerk, Zwarte Piet, zelfs een kwestie als het klimaat is op het bord van de samenleving geschoven. Waarom de overheid steeds minder durft te zeggen: zo gaan we het doen. 

Nieuwjaarsnacht in Rotterdam. Beeld Foto Peter Hilz / Hollandse Hoogte

Misschien klinkt het best sympathiek; ‘Wij gaan, als overheid, niet zelf bepalen of u, de burger, met Oud en Nieuw vuurwerk mag afsteken. Dat mag u zélf doen. In overleg met de buren die het liefst al om half twaalf naar bed gaan en met de mensen aan het eind van de straat die al jaren het recht opeisen om de wijde omtrek met donderbussen en illegaal siervuurwerk deelgenoot te maken van de eigen feestvreugde. En als u er met z’n allen uit bent gekomen, markeert de gemeente uw vuurwerkvrije zone desgewenst met borden. Handhaven zegt u? Nee, dat zult u zelf moeten doen, want wij zijn op volle sterkte aanwezig in de wijken waarvan de bewoners het níét met elkaar eens zijn geworden.’

Van hetzelfde laken een pak: ‘U zult het vast met ons eens zijn dat zeven jaar Zwarte Pietdiscussie niet tot een bevredigende conclusie heeft geleid. Ik stel dus voor dat u, als samenleving van voor- en tegenstanders van Zwarte Piet, er alsnog in goed overleg uitkomt. Daarmee zijn in Leeuwarden al goede ervaringen opgedaan, dus wat let u om ook elders te gaan polderen. Of de regering daar niet in moet voorgaan? Nee, dat dachten wij niet. Want, anders dan het onderwijs, de begroting en de waterhuishouding, is dit geen Chefsache. Zeker niet voor een minister-president die de hele discussie hoe dan ook onzinnig vindt.’

Je zou dus mogen verwachten dat het beleid ter verwezenlijking van de klimaatdoelen van Parijs wél een aangelegenheid van de regering zou zijn, maar ook dat is vooralsnog niet het geval. Er komt op dit terrein namelijk pas beleid als de klimaattafels hebben gesproken. Of, zoals Herman Tjeenk Willink, oud-vicepresident van de Raad van State, het deze week in een interview in NRC Handelsblad uitdrukte: ‘Politici wachten tot de klimaattafels met plannen komen en legitimeren die achteraf politiek.’ Ook bij dit alles overheersende thema kiest de regering er dus voor om pas te gaan regeren als andere belanghebbenden – in dit geval níét de consumenten – er ‘met z’n allen’ zijn uitgekomen. Je kunt het zien als delegeren. Als een overlegmodel dat het land veel heil en voorspoed heeft gebracht. Maar misschien zijn er wel meer redenen om er bestuurlijk onvermogen in te zien. Steeds meer gevoelige thema’s – groot en klein – worden op het bord van de samenleving geschoven. Omdat de overheid er geen raad mee weet.

Tot op zekere hoogte is dit een ­intrinsieke onvolkomenheid van het democratisch bestel. Al in de vroege 19de eeuw stelde de Franse filosoof Alexis de Tocqueville vast dat het blikveld van gekozen politici wordt begrensd door de volgende verkiezingen. Die politici zijn dus slecht toegerust voor beleid op de lange termijn. Dat gaan zij uit de weg, of dat voeren zij met het oog op het kortetermijnrendement. Dus op een manier die de kiezers behaagt. Zo kan op basis van slecht beleid of beleidsvermijding ‘een dictatuur van de meerderheid’ worden gesmeed.

Grillig electoraat

Maar de meerderheden veranderden de laatste decennia steeds vaker en steeds heftiger van samenstelling. Er valt dus geen staat meer op te maken. Als de terminologie ‘dictatuur van de meerderheid’ al ooit van toepassing is geweest op Nederland, is die dictatuur steeds brozer geworden. Politici zien zich geconfronteerd met wisselende humeuren en maatschappelijke prioriteiten. Als partner van een ‘sociaal contract’ is het electoraat te grillig geworden. In dit krachtenspel is geen ­beleid te voeren dat gericht is op het welzijn van toekomstige generaties. Al helemaal niet als dat de huidige generatie daar nadeel van meent te ondervinden.

Vandaar dat klimaatbeleid – of beleid ter vermindering van de afhankelijkheid van minerale brandstoffen – in democratisch geregeerde landen zo traag en moeizaam van de grond komt. Je zou toch zeggen dat de redenen om die afhankelijkheid te verminderen al decennia met het blote oog zichtbaar zijn. Als het rapport Grenzen aan de Groei van de Club van Rome in 1972 al geen reden was voor een aanpassing van de energieconsumptie, had van de oliecrises van 1973 en 1979 wel een vermaning moeten uitgaan.

Minister-president Joop den Uyl (1973-’77) was zich daar nog wel van ­bewust, getuige de televisierede waarmee hij de kijkers 45 jaar geleden, met enig calvinistisch welbehagen, voorhield dat ‘de wereld van voor de oliecrisis’ niet zou terugkeren. Tijdens de volgende oliecrisis verklaarde de Amerikaanse president Jimmy Carter een versobering van de consumptiemaatschappij zelfs tot hoofdpunt van zijn beleid. Hun boodschap was niet besteed aan de kiezers, die net een beetje aardigheid hadden gekregen in vliegreizen en overbodige consumptieartikelen. Den Uyl hield na 1973 dan ook wijselijk zijn mond over ingrepen die ‘pijnlijke’ aanpassingen in de leefwijze van het electoraat zouden vereisen. Carter deed dat niet, en liep (mede) daardoor zijn herverkiezing mis. Zijn opvolger, Ronald Reagan, had de Amerikanen gepaaid met de belofte dat ze hun leefwijze juist níét hoefden aan te passen.

De rekening

Voor het onvermogen van de politiek om toekomstige generaties te dienen, krijgen we nu de rekening gepresenteerd, zei Tjeenk Willink in voornoemd interview. ‘Stel dat de hypotheekrenteaftrek twintig jaar geleden was aangepakt. Dat was een zegen voor de huizenmarkt geweest. Stel dat we eerder iets aan de pensioenleeftijd hadden gedaan, of aan de CO2-uitstoot. Dan hadden we geleidelijk maatregelen kunnen nemen, in plaats van grote maatregelen op het moment dat het te laat is. Daardoor voelen burgers zich overvallen.’ Tjeenk Willink vertolkte zijn zorg, ‘zelfs ingehouden woede’, over de uitholling van de publieke zaak in een boek dat vorige week verscheen: Groter Denken, Kleiner Doen.

Jongeren nemen ouderen hun ­verzuim kwalijk – iedere generatie opnieuw. De jongeren die de Tweede ­Wereldoorlog moesten meemaken, namen het de vorige generatie kwalijk dat zij hen niet voor dit onheil hadden weten te behoeden. De rebellen van de jaren zestig namen hun ouders hun gezeglijkheid kwalijk. En de jongeren van dit moment hebben alle reden om hún ouders – zeg maar: de kinderen van de jaren zestig en zeventig – bittere verwijten te maken over het verzuim om de problemen van déze tijd tijdig aan te pakken.

In het algemeen functioneert de ­democratie het best als aan een acute crisis het hoofd moet worden geboden. Dan lopen de belangen van ­bestuurders en burgers parallel aan ­elkaar. Dan wordt leiderschap geboden en geaccepteerd. En dan kunnen leiders een beroep doen op de opofferingsgezindheid van de burgers. Dit was de politieke constellatie van Groot-Brittannië tijdens de ‘people’s war’ tegen nazi-Duitsland – al ondervond Winston Churchill ook toen tegenwerking vanuit zijn eigen (conservatieve) partij. En dit was, onder een beduidend minder dramatisch ­gesternte, ook de constellatie van het kabinet-Rutte II.

Het elan en de daadkracht van dat kabinet zijn vervluchtigd. En dat komt niet alleen door een economische crisis die is bezworen en door de moeizame totstandkoming van Rutte III. Er is ook een paradox zichtbaar geworden in de verhouding tussen overheid en burger. Enerzijds probeert de politiek de prikkelbare burger niet te tarten met maatregelen die hem onwelgevallig zijn. Uit beduchtheid voor gele hesjes die ‘Ik ben het zat’ gaan roepen. Anderzijds wantrouwt de politiek de burger en legt ze hem protocollen en andere administratieve verplichtingen op ter beteugeling van zijn veronderstelde eigenzinnigheid.

Onder invloed van ‘bestuurlijke rationaliteit’ is de overheid op afstand gaan staan van de burger en van dienstverlenende instanties. Tezelfdertijd moeten toezichthouders en controleurs op een doelmatige besteding van belastinggeld toezien. Met dit georganiseerde wantrouwen zijn jaarlijks vele miljarden gemoeid. En het sterkt de burger in de gangbare opvatting dat de overheid erop uit is hem te dwarsbomen. Daar is de burger zich toenemend naar gaan gedragen. Door de overheid niet ter wille te zijn en door het eigen belang te laten prevaleren boven het algemeen belang – door hem geïnterpreteerd als ‘het belang van de overheid’. Daarmee voedt de burger weer het wantrouwen van de overheid jegens hem.

Hoe delicaat de verhouding tussen overheid en samenleving is, bleek uit de verwikkelingen rond de Stint. Met de toelating van het voertuig tot de openbare weg gaf de overheid gehoor aan de wens van de velen om innovatie en ondernemerschap niet nodeloos door regeltjes te fnuiken. Toen minister Cora van Nieuwenhuizen de Stint verbood na het ongeluk in Oss waarbij vier kinderen om het leven waren gekomen, werd haar politiek spierballenvertoon verweten. Maar na de aanbieding van het TNO-rapport over de technische tekortkomingen van de Stint, afgelopen donderdag, maakte de opvatting zich breed dat de overheid als toezichthouder heeft gefaald. In de ogen van de burger doet ze het niet snel goed. Zelfs niet als ze gehoor meent te geven aan de wensen van de burger.

Onzeker

‘Ik heb maar één taak, en dat is krassen verzamelen’, zei premier Mark Rutte vorige week in Elsevier. Hij lachte er ongetwijfeld bij, maar in deze opmerking ligt ook het besef ­besloten dat regeren het vermogen vergt om te incasseren, en dat de kiezer die hem op het ene moment joviaal begroet het andere moment een middelvinger naar hem kan opsteken. De grillige kiezer heeft de bestuurder onzeker gemaakt. En onzekere bestuurders zijn twijfelende bestuurders die gevoelige thema’s nog even voor zich uitschuiven of op het bordje van de samenleving leggen. Daarmee geven zij niet zozeer blijk van vertrouwen in het oordeel van de samenleving, maar eerder van hun onwil of onvermogen om te zeggen: zo gaan we het doen. Dat is, zolang er geen acute crisis te beteugelen is, not done. Zeker niet in een land dat alle heil van het poldermodel verwacht. Het gevolg is dat vele latente crises gelijktijdig tot ontwikkeling komen. En die zouden bestuurlijk Nederland op termijn weleens kunnen overweldigen. 

Lees hier meer over het vuurwerkverbod

Den Haag was de eerste gemeente waar bewoners een vrijwillig vuurwerkvrije zone konden aanvragen – dus zonder handhaving. Dit jaar volgen twaalf gemeenten dat voorbeeld. Of het werkt? Eén aanvrager van vorig jaar ziet er nu maar van af. 

Het kabinet brengt de veiligheid van de Nederlandse bevolking in gevaar door te weigeren een landelijk vuurwerkverbod in te voeren. De Onderzoeksraad Voor Veiligheid is zeer kritisch over de houding van het kabinet. De raad tikt minister Grapperhaus van Veiligheid op de vingers.

Gemeenten mogen zelf een vuurwerkverbod invoeren, zo heeft een meerderheid van de Tweede Kamer woensdagavond beslist. In werkelijkheid staat gemeenten nu al weinig in de weg om tijdens de jaarwisseling rotjes en sierpijlen in de ban te doen. Durven zij een vuurwerkverbod wel aan?

Met het voorstel knalvuurwerk en vuurpijlen te verbieden betrad de Onderzoeksraad voor Veiligheid afgelopen vrijdag gevoelig politiek terrein. Kan het een doorbraak zijn in deze loopgravenoorlog?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.