Waarom Al Gore toch maar moet winnen

De keus voor het presidentschap van de Verenigde Staten gaat tussen Al Gore en George W. Bush. De uitkomst is belangrijk voor alle wereldburgers, dus eigenlijk zouden wij allemaal mee moeten stemmen....

Wanneer op 7 november zo'n honderd miljoen Amerikanen naar de stembus gaan om hun volgende president te kiezen, bepalen zij tevens wie de man wordt die de komende vier jaar als geen ander het lot van alle zes miljard wereldburgers zal beïnvloeden. Zo zijn de machtsverhoudingen nu eenmaal. Hoewel ook met de Amerikaanse polsstok geen eindeloze sprongen kunnen worden gemaakt - gelukkig maar -, zijn de Verenigde Staten de enige supermacht met een mondiaal bereik.

Een niet-Amerikaanse commentator heeft daarom weleens schertsenderwijs geopperd dat de rest van de wereld eigenlijk ook een stem zou moeten hebben in de aanwijzing van de president. Of in elk geval de naaste bondgenoten, zoals de lidstaten van de NAVO. Het electoral college bestaat uit 538 kiesmannen en -vrouwen, en dat aantal zou bijvoorbeeld kunnen worden uitgebreid met vijf NAVO-gedeputeerden; een bescheiden aantal (de NAVO legt dan evenveel electoraal gewicht in de schaal als de staat West-Virginia), maar toch niet te verwaarlozen (er wordt door zowel Al Gore als George Bush stevig getrokken aan West-Virginia).

Zou dit schertsscenario de afgelopen decennia al van kracht zijn geweest, dan is niet zo makkelijk te zeggen wie daarvan zou hebben geprofiteerd. Ideologisch gesproken staan de meeste Europeanen waarschijnlijk dichter bij de Democraten dan bij de Republikeinen. Het virulente anti-overheidssentiment dat in de Republikeinse partij opgeld doet, komt in Europa nauwelijks voor. De solidariteitsgedachte heeft hier ook ter rechterzijde een vaste plaats gekregen. Voor Amerikaanse begrippen hebben Duitse christen-democraten en Franse gaullisten eerder een progressieve dan een conservatieve signatuur, om van Nederlandse liberalen maar te zwijgen.

Daarentegen heeft het bedrijfsleven doorgaans een voorkeur voor de Republikeinen. Zij zijn de partij van de vrijhandel, zij geven ondernemingen de meeste ruimte. In de Democratische partij neemt de vakbeweging vanouds een sterke positie in, met als gevolg dat Democratische politici doorgaans meer opkomen voor het werknemersbelang en sneller geneigd zijn tot protectionisme.

De Republikeinen hebben ook de reputatie wat resoluter met militaire macht om te gaan dan de Democraten. Ten tijde van de Koude Oorlog toonden ze zich in de regel nog een graadje onverzettelijker dan de Democraten, hetgeen hen bij een bepaalde groep Europese politici, immer bezorgd over de Amerikaanse betrokkenheid bij de Oude Wereld, licht favoriet maakte.

Maar etiketten blijken vaak niet te kloppen, en de werkelijkheid is altijd grilliger dan het leerboek. Wie de Amerikaanse presidenten van de afgelopen decennia de revue laat passeren, kan moeilijk anders dan concluderen dat de zaken vaak anders zijn gelopen dan werd verwacht en dat stereotypen slechts in beperkte mate toepasselijk zijn.

De Republikein Richard Nixon kwam aan de macht door de silent majority te mobiliseren tegen de protest- en hervormingsbeweging van de jaren zestig, maar als president liet hij het verzorgingsbouwwerk dat zijn voorganger Lyndon Johnson had opgericht, goeddeels intact en tuigde hij de federale overheid zelfs nog wat verder op (zo dateert de oprichting van de machtige milieudienst, de EPA, uit zijn eerste ambtsperiode). Op buitenlands gebied koerste de fervente anticommunist Nixon af op ontspanning tussen Oost en West en maakte hij de historische opening naar China.

Groot was de schrik in diverse hoofdsteden toen in 1980 de 'omhooggevallen B-acteur' Ronald Reagan de slag om het Witte Huis in zijn voordeel beslechtte. Door zijn gebrek aan kennis en zijn onbekookte conservatisme zou hij weleens grote brokken kunnen maken. Maar de onheilsvoorspellingen kwamen niet uit. De brokken bleven goeddeels beperkt tot Amerika zelf, dat onder Reagans bewind een ongekend handels-en begrotingstekort opbouwde. Maar door een afgewogen mengeling van standvastigheid en tact presideerde hij wel met succes over de aanloopfase van de onttakeling van het Sovjet-rijk.

Ook de achtjarige ambtsperiode van Bill Clinton is anders verlopen dan menigeen had verwacht. Aanvankelijk zette Clinton al zijn kaarten op herstructurering van de economie en op hervorming van de gezondheidszorg. Maar als zijn economisch beleid thans een succes wordt genoemd, komt dat veeleer doordat hij bijtijds de bakens verzette, beteugeling van het begrotingstekort als hoogste prioriteit bestempelde en zich voegde naar het op groei gerichte monetaire beleid van centrale-bankdirecteur Alan Greenspan.

Niet de hervorming van de gezondheidszorg werd zijn zwaarst bevochten politieke overwinning - dat project mislukte deerlijk; nog steeds ontberen zo'n dertig miljoen Amerikanen een medische verzekering -, maar de totstandkoming van het Noord-Amerikaanse vrijhandelsverdrag (Nafta), ondanks heftig verzet van met name de vakbeweging. Op het thuisfront onthand door een verbeten opererende Republikeinse meerderheid in het Congres en aangeslagen door zijn seksuele escapades richtte Clinton zijn aandacht steeds meer op buitenlandse kwesties, daarmee de voorspelling logenstraffend dat de VS zich minder zouden gaan manifesteren op het internationale toneel.

De vraag is nu: in hoeverre zal de komende president de koers verleggen en maakt het, met name voor de rest van de wereld, veel uit of hij luistert naar de naam Gore of Bush? Zoals gebruikelijk ontbreekt het niet aan robuuste taal in de verkiezingsstrijd. Ingetogenheid is in de Amerikaanse politieke arena nimmer als een deugd beschouwd, en aangezien politici geen rekening hoeven te houden met coalitie-onderhandelingen na de verkiezingen, kan de strijd om de macht onbekommerd worden gevoerd. Politieke verschillen worden uitvergroot in plaats van verneveld.

Daarbij worden acrobatische toeren niet geschuwd. Gore, die nadrukkelijk his own man wil zijn en niet louter Clintons erfgenaam, werpt zich in deze campagne op als voorvechter van de gewone man. Boodschap: de modale Amerikaan heeft te weinig de vruchten geplukt van de goede economische tijden en daarom moet voor hem/haar een aantal gerichte maatregelen worden genomen. Dat beleidsvoornemen brengt de vice-president met een populistisch aplomb dat niet meer is vertoond sinds Harry Truman zich in 1948 uit een schijnbaar verloren positie naar de overwinning vocht.

ER IS HIER zeker sprake van een (accent)verschil met zijn Republikeinse rivaal, die het begrotingsoverschot vooral wil gebruiken voor een gigantische belastingverlaging. Maar daarmee zit 'de invloedrijkste vice-president in de Amerikaanse geschiedenis', zoals Gore is genoemd, nog niet op een spoor dat hem wezenlijk verwijdert van het economisch beleid dat hij zelf mede heeft vormgegeven. Zo'n draai is ook hoogst onwaarschijnlijk. Hooguit mag het verwondering wekken dat de man die samen met Clinton het wat versleten liberalism van de Democraten naar de achtergrond heeft gedrongen om de partij meer in de pas te brengen met de gematigde kiezers in het midden, deze traditionele toon aanslaat.

Op zijn beurt tamboereert Bush op de lamentabele staat waarin de Amerikaanse strijdkrachten zich zouden bevinden. Ook hier lijkt een partituur van oudere datum te worden gevolgd. Een mogendheid die de militaire kracht wenst te bezitten om zonodig twee grote regionale conflicten tegelijk uit te vechten, twist altijd over de hoogte van het defensie-budget.

Republikeinen spelen deze kaart vanouds het meest uit, maar Democraten weten er ook raad mee. In 1960 maakte John Kennedy de regering-Eisenhower-Nixon ernstige verwijten over een vermeende missile gap, waarover evenwel na zijn aantreden niets meer werd vernomen; de achterstand ten opzichte van de Sovjet-Unie bleek niet te bestaan.

Bush toont verder meer animo dan Gore om voort te gaan met de ontwikkeling van een rakettenschild (National Missile Defense), maar ook hier lijkt eerder sprake van een gradueel dan een fundamenteel verschil van inzicht. Gore wil nader onderzoek naar de haalbaarheid van het project, dat zowel in Moskou als bij de West-Europese bondgenoten op weerstand is gestuit. Hij staat niet afwijzend tegenover een (beperkt) rakettenschild, zolang het een aanvullend onderdeel en niet het nieuwe zwaartepunt van het defensiebeleid is. Bush heeft daarover geen heldere uitspraak gedaan - zijn adviseurs zijn kennelijk verdeeld.

Andere kwesties die de internationale veiligheid en de Amerikaanse rol in de wereld betreffen, spelen in de verkiezingsstrijd nauwelijks een rol. Niet alleen omdat de kiezers er weinig belangstelling voor hebben, maar ook omdat de twee presidentskandidaten goeddeels op dezelfde (middel)lijn zitten. Geen van beiden lijkt avonturistisch ingesteld; geen van beiden lijkt erg ontvankelijk voor het virus van het isolationisme.

Gore heeft zich vanaf het begin van zijn loopbaan in Washington geïnteresseerd voor buitenlandse politiek en defensie. Hij was de eerste van een kleine maar cruciale groep Democratische senatoren die in 1990 hun steun betuigden aan de militaire campagne tegen Saddam Hussein. Joe Lieberman, zijn huidige running-mate, was een goede tweede.

Bush is nog goeddeels een onbeschreven blad op het terrein van de buitenlandse politiek. Maar hij heeft zich omringd met oudgedienden uit de regeerperiode van zijn vader, die een gematigde instelling hebben en weten wat er in de wereld te koop is.

Betekent dit dat de keuze tussen Gore en Bush lood om oud ijzer is? Dat zou de verkeerde conclusie zijn. Programmatische verschillen mogen betrekkelijk zijn, maar beleidsvragen vormen slechts één aspect van een presidentsverkiezing. Het gaat ook om de persoonlijkheid van de aspirant-president, om zijn karakter, de manier waarop hij in het leven staat. Dat is zeker bij een ambt met zo'n verreikende verantwoordelijkheid geen bijzaak.

Martin Peretz, hoofdredacteur van The New Republic, memoreerde onlangs een essay van historicus Arthur Schlesinger uit 1960 waarin de vraag werd behandeld of er een noemenswaardig verschil bestond tussen Kennedy en Nixon. Kennelijk waren vertrouwde tegenstellingen tussen Democraten en Republikeinen ook toen al vaag geworden.

Schlesinger had geen moeite met het antwoord. Daartoe leende hij de twee menstypes die socioloog David Riesman had beschreven in zijn vermaarde The Lonely Crowd (1950): de inner-directed mens, die zijn mening en gedrag afstemt op de zedelijke normen die hem in zijn jeugd zijn bijgebracht, en de outer-directed mens, die zijn mening en gedrag laat bepalen door de sociale omgeving. De inner-directed mens krijgt last van schuldgevoel wanneer hij zijn innerlijke idealen verkwanselt; de outer-directed kent geen schuldgevoel, want hij heeft geen innerlijke idealen.

Omdat Schlesinger een uitgesproken Kennedy-aanhanger was, kwam het niet als een verrassing dat hij zijn politieke idool de kenmerken van de inner-directed mens toekende, terwijl hij Nixon bestempelde als het outer-directed type. Of de karakterisering van Kennedy klopte, zullen we nooit zeker weten, maar dat Nixon in hoge mate gewetenloos was, staat inmiddels vast. De ironie wil overigens dat Riesman met zijn begrippenpaar respectievelijk de 19de-eeuwse en de contemporaine mens op het oog had, hetgeen niet overeenkwam met het beeld van de 'moderne' Kennedy en de 'ouderwetse' Nixon.

Het zou een tikkeltje aanmatigend zijn Gore en Bush thans ook langs de meetlat van Riesman/Schlesinger te leggen. Maar wel valt te bepalen wie van de twee de meeste diepgang en inhoud heeft. Dat is zonder twijfel Al Gore.

De Amerikaanse media hebben de afgelopen maanden de cv's van de twee presidentskandidaten uitvoerig doorgelicht. Het beeld dat daaruit naar voren komt is niet erg gunstig voor George W. Bush. Weinig of niets wijst op een authentieke overtuiging of een bepaalde betrokkenheid of een intellectuele passie of een bijzondere leergierigheid. Hij was een zeer middelmatig - en vooral ongeïnteresseerd - student. Na zijn studie 'kuierde Bush gemoedelijk zijn toekomst tegemoet', aldus The New York Times in een recent profiel. De juiste connecties voorkwamen uitzending naar Vietnam.

Als gouverneur van Texas was zijn voornaamste verdienste dat hij geen grote brokken maakte en succesvolle initiatieven van zijn Democratische voorgangster continueerde. Voorzover hij zich onderscheidde, was het vooral met het bekrachtigen van 132 doodvonnissen, een record in de VS. Er valt moeilijk aan de indruk te ontkomen dat hij de race naar het Witte Huis vooral is begonnen om de smaad van pappa's nederlaag in 1992 uit te wissen.

Het levensverhaal van Gore heeft een heel andere inslag. Als student aan de Harvard-universiteit legde hij een brede belangstelling aan de dag en oriënteerde hij zich bij diverse academische kopstukken. De debatten van de jaren zestig waren alleszins aan hem besteed, maar op sommige punten trok hij andere consequenties dan veel van zijn generatiegenoten. Zo meldde hij zich welbewust voor militaire dienst in Vietnam (en verscheen hij in uniform op Harvard).

Hij heeft altijd een open oog gehouden voor onderschatte onderwerpen en nieuwe ontwikkelingen. Hij stortte zich op het wapenbeheersingsvraagstuk toen daar nog geen politieke eer aan te behalen viel. Met zijn pleidooi voor een veel actiever milieubeleid was hij in de VS lange tijd een roepende in de woestijn. Hij was een van de eerste politici die zich een idee vormden van de mogelijkheden van het internet. Hij heeft nog steeds een intellectuele belangstelling.

Daarmee is niet gezegd dat Al Gore nooit toegeeft aan politiek opportunisme - zie boven. Evenmin is gezegd dat een intellectueel beter toegerust is voor het presidentschap. De best geschoolde en hoogst ontwikkelde president van de 20ste eeuw was waarschijnlijk Woodrow Wilson, en zijn presidentschap was geen groot succes. Truman en Reagan waren allesbehalve bollebozen; ze straalden evenwel een innerlijke zekerheid uit, die hun politieke effectiviteit zeer ten goede kwam.

Maar de zaken moeten ook niet worden omgekeerd: het is natuurlijk niet zo dat er beter iemand in het Witte Huis kan zetelen wiens werkkamer meer honkbalpetjes telt dan boeken. Alleen al bij die paar ingrijpende beslissingen waar adviseurs van beperkte waarde zijn, is het prettig te weten dat de aanstaande president zich over meer het hoofd heeft gebroken dan tactiek, macht en prestige.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden