Waarnemer van zichzelf

De autobiografie van de Italiaanse arts, wiskundige en uitvinder Gerolamo Cardano bevat geen sentimentele herinneringen. De propria vita, nu vertaald als Mijn leven, is een onovertroffen vorm van zelfontleding, met hoofdstuktitels als 'Waar ik woonde' en 'Kleding'....

WIE IN HET derde kwart van de zestiende eeuw de geleerde dokter Gerolamo Cardano - medicus, wiskundige en astroloog - thuis opzocht, moest op zijn tellen passen. Toen de Nederlandse intellectueel Hugo Blotius, na het voltooien van zijn Grand Tour, zijn ervaringen te boek stelde, als geheugensteun voor hemzelf en als instructie voor wie na hem op reis ging, waarschuwde hij de toekomstige bezoeker van de in heel Europa beroemde dokter uitdrukkelijk. 'Je moet hem niet in zijn gezicht prijzen', schreef Blotius, 'je moet het kort houden en je moet vragen of er eerlang nog nieuwe boeken van hem zullen verschijnen.' Blotius kon het weten: hij had hem in Bologna opgezocht, uit bewondering.

Een man met een gebruiksaanwijzing, die dokter - en die gebruiksaanwijzing heeft hij zelf ook uitgeschreven, systematisch en gedetailleerd. Voor zijn tijdgenoten was het misschien spijtig dat hij dat pas helemaal aan het eind van zijn leven deed, in zijn laatste levensjaar, tussen oktober 1575 en september 1576, toen hij in Rome woonde; hij zou er op 21 september 1576, op een paar dagen na 75 jaar oud, sterven.

De tekst van die merkwaardige autobiografie, De propria vita, zou eerst in de loop van de daarop volgende eeuw in druk verschijnen, als inleiding bij de uitgave van zijn verzamelde werken. De bibliothecaris en classicus Jan Lamein heeft die nu in het Nederlands vertaald, onder de simpele titel Mijn leven.

In Cardano's eigen tijd mag dan niemand baat gehad hebben van zijn zelfanalyse, voor ons is het een parel in de autobiografische literatuur van de Renaissance. Dat dankt het boek aan Cardano's opvallende levenswandel en loopbaan, die in al hun grilligheid en veelkleurigheid illustratief zijn voor leven en werken van een renaissancistische geleerde, maar het dankt het vooral ook aan Cardano's eigenaardige stilistische en compositorische keuzen. Niet voor niets kun je geen boek over de geschiedenis van de autobiografie opslaan of Cardano's Mijn leven krijgt er een bijzondere behandeling in. Het is het rapport van de autopsie op een levende, de zelfontleding van een man die zichzelf en zijn geschiedenis serieus nam, maar ze vooral ook beschouwde als voorwerp van onderzoek. Hij was niet anders gewend.

In cultuurhistorisch opzicht bevindt het zich ergens halverwege Baldassar Castiglione's Boek van de hoveling, die sublieme etiquette en receptuur voor het leven van een Italiaanse cultuurdrager uit het midden van de zestiende eeuw, en Michel de Montaignes Essais, waarvan het eerste deel in 1580 verscheen.

Het is een analytische bespiegeling over een veelbewogen leven, waarin de feitelijke ervaringen van de schrijver als het ware gesystematiseerd worden; ze zijn, in zijn ogen, niet willekeurig en toevallig, maar ze maken deel uit van een groter plan, als was er een normatief ontwerp voor zijn leven voorhanden geweest en bekijkt hij nu, achteraf, hoezeer en waarin de werkelijkheid is afgeweken van wat aanvankelijk de bedoeling was.

Tegelijkertijd zijn ze haast in een moderne zin schaamteloos eerlijk.

In die eerlijkheid en in de wijze waarop Cardano zijn lezers tracht te overtuigen van het objectieve, klinische karakter van zijn relaas, doet zijn autobiografie soms denken aan Georges Perecs roman Het leven een gebruiksaanwijzing van vier eeuwen later. Hoofdstukken met titels en thema's als 'Waar ik woonde', 'Manier van lopen en denken', 'Kleding' of 'Methoden van lichaamsverzorging', compleet met lijsten van de soorten voedsel en drank van zijn voorkeur, lijken de rechtstreekse voorlopers van wat de Franse experimentele schrijver Georges Perec zoveel later en speelser zou doen.

Cardano had zijn voorbeelden. Hij was weliswaar gebrekkig opgeleid - hij schijnt een hoogst persoonlijk soort Latijn te schrijven - maar was tegelijkertijd voldoende thuis in de klassieke auteurs om zich een idee te hebben gevormd van de manier waarop een mens zijn autobiografie schrijft. In Mijn leven bespreekt hij enkele van die voorbeelden kritisch en laat hij weten waarom hij ze niet navolgt.

Hij had bovendien zijn leven lang met het genre geëxperimenteerd: voordat hij zich aan het schrijven van Mijn leven zette, had hij tot driemaal toe een autobiografisch stuk op papier gezet. Aan de hand van zijn eigen niet geringe publicatielijst - zijn verzameld werk beslaat zevenduizend pagina's druk, in dubbele kolom - had hij zijn eigen intellectuele ontwikkeling al eens geschetst. Ooit had hij vervolgens een zeer uitvoerige horoscoop van zichzelf opgesteld. En ten slotte had hij zijn gram over zijn eigen leven verwerkt in een autotherapeutisch geschrift dat Hoe tegenslagen ten nutte te maken heet.

In wat je als zijn laatste woord inzake zijn eigen levensgeschiedenis moet beschouwen, is daarom de vrucht te zien van een lang proces van wikken en wegen; sommige verhalen zijn gestileerder dan in eerdere versies ervan, andere onvollediger, en weer andere krijgen een nieuw perspectief doordat zijn belevenissen sedert hij zijn vroege ervaringen voor het eerst boekstaafde, gecorrigeerd of aangevuld zijn. Zijn levensverhaal is geen reeks sentimentele herinneringen, maar een object van studie.

Het is een leven dat gekenmerkt wordt door tegenslag en talent, en het is een levensverhaal dat wordt gekleurd door onverzettelijkheid, nieuwsgierigheid en rusteloosheid. Dat laatste bleek al uit de instructie die de reisbeschrijving van Blotius bevatte voor wie Cardano wilde opzoeken: hou het kort. In zijn werkkamer had Cardano een variant van 'Beidt uw tijd' op de muur geprikt, ongeveer zoals Montaigne het 'Wat weet ik?' ter aanhoudend vermaan in de balken van zijn studeerkamer had gekerfd. Hij was zich bewust van de korte duur van zijn leven, van de haast waartoe zijn gretige en nieuwsgierige verstand hem dwong.

Dat moet, behalve met zijn nieuwsgierigheid en zijn getalenteerdheid, ook iets te maken hebben gehad met zijn levensbesef, met de gedachte een heel klein mensenkind in een heel grote kosmos te zijn. Weliswaar was hij onvermijdelijk opgegroeid in de christelijke heilsleer, die een oneindig leven na de dood in het vooruitzicht stelde, hij was tegelijkertijd te zeer een experimenteel wetenschapper om zich daar op te verlaten. Hij erkent de onsterfelijkheid van de ziel, maar hoe dat in zijn werk gaat 'weten wij niet': het is, bij zo'n mededeling, bijna alsof je een aantekening van Leonardo da Vinci leest. Vóór alles gaat de feitenkennis.

Op het eerste gezicht laten zich zijn besognes als astroloog daar lastig mee rijmen. In zijn verleden jaar verschenen studie over Cardano als astroloog, probeert de Amerikaanse ideeënhistoricus Anthony Grafton het wereldbeeld van Cardano en zijn tijdgenoten te reconstrueren. De astrologen van de Renaissance waren, anders dan hun hedendaagse vakgenoten, dikwijls buitengewoon grote geleerden, die om hun ambacht uit te oefenen ruime kennis van de sterrenkunde moesten hebben. Hun eenvoudige instrumentarium, dat minimaal bestond uit een astrolabium en een almanak met tabellen waarin de posities van zon, maan en planeten over een reeks van jaren waren vastgelegd, verschilde in die tijd van voor de uitvinding van de telescoop niet noemenswaard van het gereedschap van de astronoom.

CARDANO MAAKT zich in zijn autobiografie kwaad om de beunhazerij van veel astrologen. Het opstellen van iemands horoscoop was een tijdrovende en ingewikkelde klus; uit de Middeleeuwen en uit de Arabische cultuur waren talrijke ingenieuze technieken overgeleverd van de manier waarop het vak moest worden bedreven. De waarnemingen en metingen van de posities van de hemellichamen moesten zo nauwkeurig mogelijk worden verricht - en daarin droegen ze ook bij aan de groei van zuiver sterrenkundige kennis en inzichten - en de bewerking van dat materiaal was in eerste aanleg een zaak van koen doorrekenen. Pas in allerlaatste instantie kwam het gespeculeer over de betekenis van die data aan bod, het trekken van conclusies over iemands leven op basis van de constellatie van hemellichamen op het moment van zijn geboorte.

En zelfs daar moest je als astroloog behoedzaam mee omspringen. Cardano maant de astrologen geen al te wilde of expliciete voorspellingen te doen en bij het trekken van de horoscoop van hoogwaardigheidsbekleders terughoudend te zijn in het vermelden van debacles.

Grafton vergelijkt het métier en het enorme gezag van de astroloog op een vruchtbare manier met de rol die vandaag de dag economen spelen: de cijfers en de berekeningen kloppen veelal wel, maar de voorspellingen slaan keer op keer de plank mis. Desalniettemin blijven ze eerbiedig geraadpleegd worden - net als toen die astrologen. Ook al is de voorspellende kracht van hun vak gering en zijn de regels waarop die voorspellingen worden gebaseerd, intuïtief, banaal of raadselchtig, toch weten zij hun gehoor voldoende te intimideren met hun cijfermateriaal en hun sommetjes om aan de kost te kunnen blijven komen.

In Graftons boek is het vooral de sociale functie van de astrologie zoals die door Cardano beoefend werd die aan bod komt. Alle tijden laten zich voorstaan op hun onzekere karakter, maar in het Italië en het Europa van de zestiende eeuw waren er nog wat meer aanleidingen om dat te geloven dan in veel andere tijdperken. Oorlogen om de wereldlijke macht en het religieuze gezag waren aan de orde van de dag; in Cardano's autobiografie bepalen ze loopbaan en vestiging. Dat hij, ofschoon omstreden vanwege zijn publicaties en zijn afkomst - hij was een buitenechtelijk kind, al woonde zijn vader wel degelijk samen met zijn moeder -, hoogleraar kan worden, komt doordat de universitair docenten van Pavia op de vlucht waren geslagen voor het oorlogsgeweld. Zijn verhuizingen naar Bologna en Milaan en, aan het eind van zijn leven, naar Rome, hebben alles te maken met de politieke toestand in de verschillende Italiaanse staatjes.

In feite weerspiegelt Cardano's autobiografie een permanent gevecht met de onzekerheid en de verwarring. Om hem heen wordt gesneuveld en gestorven: als zuigeling ontsnapt hij ternauwernood aan de pest; hij loopt er een lelijke tekening in zijn gezicht van op, zijn voedster sterft. Een concurrent van hem in de wiskunde stottert doordat hij als kind een houw met een sabel heeft gekregen. Zijn zoon, net als zijn vader dokter geworden, wordt na een hoogst dubieus proces onthoofd. Uitnodigingen om in het buitenland te komen werken, worden aangenomen of beleefd afgeslagen, al naar gelang de politieke situatie en de mogelijkheid tot reizen.

In al die wreedheid en grilligheid zal Cardano's leven niet noemenswaard hebben verschild van dat van zijn tijdgenoten. Oorlog en ziekte opereren zonder aanzien des persoons. Wat hem bijzonder maakt, is zijn reactie erop - zijn onvermoeibare en onverzettelijke neiging de chaos te bedwingen door de fenomenen te ordenen.

Het maakt hem tot een bijzondere dokter, een belangrijk wiskundige, een achtenswaardig uitvinder - en een innemend auteur. Toen de aartsbisschop van Saint Andrews, in Schotland, maar geen remedie voor zijn kwalen kon vinden bij zijn vertrouwde lijfartsen, liet hij Cardano komen. Zijn roem reikte toen al tot in het noordwesten van Europa. Cardano deed niets dat de geneeskunde van zijn tijd voorschreef, want zijn behandelprincipes waren niet gebaseerd op de hocus-pocus die hij aan de universiteit had geleerd, maar op gezond verstand. Hij onderzoekt zijn patiënt uitvoerig, kijkt geduldig naar diens manier van leven en schrijft hem vervolgens een dieet en een zorgvuldige levenswijze voor. Veel en regelmatig slapen: dat vooral; daar had hij zelf ook veel baat van ondervonden.

DAT HET HIELP en de patiënt zienderogen opknapte, was prettig voor die aartsbisschop en voor Cardano's beurs, maar dat het Cardano sterkte in een overtuiging is eigenlijk veel belangrijker. Hij werd de pleitbezorger van de terughoudende behandeling: alleen in het uiterste geval moest een dokter werkelijk ingrijpen in het lichaam van de patiënt. Wie de geneeskunde van zijn tijd enigszins kent, beseft dat Cardano als dokter niet zozeer mensen het leven gered heeft, maar hun levens heeft gespaard.

Hij heeft twee uitvindingen op zijn naam staan, de cardankoppeling (gebruikt bij de ophanging van een kompas) en de cardanas (een as met een knik), die hij geen van tweeën als eerste heeft beschreven. In de geschiedenis van de wiskunde is zijn naam duurzaam verbonden met de pogingen derde- en vierdegraadsvergelijkingen op te lossen. In geen van beide is hij systematisch geslaagd, wel heeft hij talrijke voorbeelden ervan gegeven. In zijn Ars magna wordt de gehele in zijn tijd bekende wiskunde in kaart gebracht en op sommige terreinen iets verder geholpen door de nieuwste, vaak in geheimzinnige termen gevatte oplossingstechnieken met elkaar te combineren.

Het is Cardano ten voeten uit: zoeken, bijeen brengen, combineren en op die manier tastend en aarzelend verder trachten te komen, maar niet zonder alles terzijde te leggen wat je zelf niet begrijpt. In die zin loopt hij ook vooruit op het 'Wat weet ik?' van Montaigne. Zo ook kwam hij veel aan de weet - vooral over zichzelf. Het is een mengeling van scepsis en empirisme die hem bezield heeft. Het is in zijn autobiografie in vrijwel ieder hoofdstuk te zien; weet wat je eet, weet waarom je iets doet, weet hoe je reageert, ken jezelf, pas op je tijd. Van de aldus verzamelde kennis heeft hij aanhoudend verslag gedaan in zijn boeken - en in de manuscripten die hij helaas heeft vernietigd. Zijn oeuvre is te beschouwen als een empirische encyclopedie.

Dat hij als wetenschapper niet belangrijker geworden is, is te verklaren uit een andere trek van zijn wereldbeeld en zelfbeeld die in zijn autobiografie tot uitdrukking komt. Hij mag een kind van de Renaissance zijn in de wijze waarop hij frank en vrij de wereld tegemoet treedt, hij is een middeleeuwer in zijn diepe overtuiging dat hij deel uitmaakt van een kosmisch plan. In zijn autobiografie heeft hij een poging gedaan alles te noteren wat hij over zichzelf aan de weet was gekomen, bijna of hij in staat was zichzelf te splitsen in waarnemer en object van waarneming. Dat zijn medische en astrologische bezigheden gelijk opgingen, verraadt zijn vertrouwen in het onwrikbare grondpatroon van de schepping. Wie gelooft dat alles met alles te maken heeft, komt echter niet ver: de kunst van het weglaten, van het discrimineren tussen hoofd- en bijzaken was hem vreemd.

En dus weten we, na lezing van zijn autobiografie, alles van hem - en niets. Hij levert het materiaal, wij moeten er al lezend mee aan het werk - want hij blijft ons in al zijn openhartigheid vreemd. Hij geeft ons de gebruiksaanwijzing van een apparaat dat wij niet kennen. Je zou willen dat Grafton, na zijn boek over Cardano als astroloog, een grondige lezing van zijn autobiografie schreef.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden