Waarde Zeep,

Enkele dagen geleden schoof ik dicht langs mijn boekenkast. Ik las ruggen op zoek naar een romanpersonage om aan te schrijven....

Uit de kast maakte zich een bescheiden, maar niet erg frisse lucht los. Niet die van oud papier. Niet de sigarenlucht van mijn benedenbuurman, maar een lucht die ooit alledaags voor me was. Door de opschudding in mijn boekenkast werd mijn neus gewekt uit een lome halfslaap. Hij was er ineens helemaal bij, die ingesufte neus, snuivend, meer moleculen aanslepend, me overhalend tot het trekken van een conlusie: de geur van overjarige zeep. Lang vergeten zeep die zijn soepelheid kwijtraakte, verhardde door passiviteit en ten slotte barstte.

En weer zocht ik in mijn boekenkast, nu naar de herkomst van deze zeeplucht. Ik nam het ene na het andere boek uit de kast, rook eraan en legde het opzij als ik zeep gewaar werd. Dat ik zocht naar boeken uit de nalatenschap van mijn moeder besefte ik nog maar half.

Het eerste zeepboek waarop ik stuitte was Zonder geluk valt niemand van het dak. Dat was van haar geweest en de lucht was onmiskenbaar. Niks bijzonders, geen lavendel of viooltjes, maar gewone zeep. Daarop volgden enkele missers, maar met Van de koele meren des doods was het weer raak: De lucht van goedkope zeepzanggids geïllustreerd met foto's van de wit behangsnorde mond van Léon Melchissédec, ooit zangleraar aan een Parijs conservatorium. Foto's van monden in alle mogelijke standen, van bijna gesloten tot wijd open. Dit oude boek walmde van muffe Lux. De lucht van zeep die al lang de hoop heeft opgegeven ooit nog door handen te worden opgenomen, flink nat te worden, enthousiast te schuimen. Zeep die zich erbij heeft neergelegd dat er geen gelegenheid meer zal komen om zich te geven. Kortom, de lucht van zeep die nooit zijn bestemming vond.

Vergeef me deze gebrekkige beschrijving. Zo treffend als Ponge kan ik het niet zeggen, ook al gebruik ik zijn eigen woorden. Het is alsof de essentie me ontglipt. Als hij over u schrijft, schuimt de taal zoals uzelf wanneer u eenmaal op dreef bent. Maar nog even over die boeken. Want muffer nog dan Pour chanter rook Het drama van het begaafde kind. Ik herinner me dat mijn dierbare moeder dit boek kocht toen ruim de helft van haar kinderen werkloos was geworden, tijdelijk baanloos noemde ze het liever.

Zo eindigde ik met elf naar zeep stinkende boeken zonder dat ik enige behoefte voelde een van de hoofdpersonen te schrijven. Maar op dat moment wist ik al wel dat ik deze brief aan u zou richten. Ik herlas het prozagedicht waarin u wordt bezongen en begreep er niets van dat Zeep hier nooit goed, zoals dat heet, heeft gelopen. Zijn er dan geen mensen meer die graag een losbandig, maar waardig bestaan zouden leiden? Die zichzelf met overgave zouden willen verspillen? En waar zijn de poëzieliefhebbers die, om van een klein meesterwerk te genieten, geen mogelijkheid om zich te identificeren nodig hebben?

Terug naar die zeeplucht, want nu ik eenmaal besloten heb u lastig te vallen, wil ik graag advies. Tijdens de Suezcrisis sloeg mijn moeder grote hoeveelheden zeep in. Wat er ook zou gebeuren, haar gezin zou nooit, zoals zijzelf tijdens de oorlog, zonder zeep komen te zitten. Tijdens dat zeeploos tijdperk had ze pas werkelijk ontdekt wat zeep is.

In de laden van de commode waarop wij als kinderen hadden gesparteld, verdwenen honderden stukken zeep op geordende stapels. Een reusachtig zeepleger, goed voor jaren schuim en bellen. Ook in de linnenkast lagen tientallen stukken zeep, klaar om onder de kraan te worden 'gemobiliseerd' zodra dat nodig mocht zijn. Maar ze ging verder: zelfs achter haar boeken lagen verspreide troepen zeep om in nood schuimend bij te springen. Toen mijn moeder, na de ontruiming van ons ouderlijk huis in de hoofdstad, verhuisde naar een klein dorp ging alle zeep mee. Weer vijftien jaar later maakte ze haar come back in Amsterdam, maar u begrijpt het al, zonder één enkel lid van haar zeepleger in de provincie achter te laten.

Na haar dood redde ik haar zeep van de ondergang. Zeep die zo lang heeft gewacht, zo geduldig en bescheiden, met zo'n waardige reserve en toch te allen tijde bereid zich te geven, smak je niet zo maar weg. Maar nu zit ik er wel een beetje mee, met die verhuisdozen vol zeep. Wat moet ik met die honderden 'droge tongen', die niet meer los te maken zijn? Alsnog wegsmakken tussen de vijand, het huisvuil. Een leven lang willen vechten tegen het vuil om er dan ten slotte ongebruikt tussen te eindigen, is toch al te bar. Weet u een oplossing? Wat wil te oude zeep?

Steeds met bellen en schuim,

Tijs Goldschmidt

Dit is de twintigste in een reeks brieven aan romanpersonages. Deze brief is niet gericht aan een persoon, maar aan zeep, het onderwerp van de roman Zeep van Francis Ponge (Tango 1973 en Gallimard 1967). De brieven worden voorgelezen in De Avonden van de VPRO, dagelijks om 22.00 uur op Radio 5. Dinsdag verschijnt op deze plaats een brief van Def P van Osdorp Posse aan Hugo, de hoofdpersoon in Het Transgalactisch Liftershandboek van Douglas Adams.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden