Waar ligt mijn loyaliteit vanavond: het Wilhelmus of La Marseillaise?

Cruciaal duel Frankrijk-Nederland stelt Volkskrant-verslaggever Julien Althuisius voor een dilemma

Eens in de zoveel jaar wordt de loyaliteit van voetballiefhebber Julien Althuisius getest, want hij is Fransman én Nederlander. Voor wie moet hij vanavond juichen? Hij zet z'n dilemma uiteen.

De selecties van Nederland en Frankrijk Beeld AFP / EPA

U had door mijn voornaam misschien al een flauw vermoeden (of als u een trouwe lezer van de krant bent wist u het al), maar ik ben Fransman. En Nederlander. Mijn vader is Frans, mijn moeder Nederlands. Ik heb dus een dubbele nationaliteit. Meestal is dat alleen bij Nederlandse Turken of Nederlandse Marokkanen onderwerp van debat. Nederlandse Fransozen worden doorgaans met rust gelaten. Behalve vandaag, bij deze voor WK-kwalificatie cruciale Frankrijk-Nederland. Hoe zit het eigenlijk met mijn identiteit? En mijn loyaliteit? Kaaskop of tête du fromage? Oranje of Les Bleus?

Wilhelmus van Nassouwe, ben ik van Franschen bloed. Als vanavond voorafgaand aan de wedstrijd het Wilhelmus klinkt, zal ik meezingen. Als vanavond voorafgaand aan de wedstrijd La Marseillaise klinkt, zal ik meezingen. Ik ben in Nederland geboren, heb hier mijn hele leven gewoond, maar heb pas sinds zes jaar een Nederlands paspoort. Tot mijn 28ste moest ik om de zoveel tijd naar het Franse consulaat om mijn verblijfsvergunning te verlengen.

Ik ben dus geen echte Nederlander. Zo heb ik me ook nooit gevoeld. Er zit een hardnekkige weerstand diep in mij tegen alles wat typisch Nederlands is of daarvoor doorgaat. Boerenkool, calvinisme, polderlandschappen, caravans, schaatsen, uit de kluiten gewassen Hollanders op vakantie, de verering van Dirk Kuijt; zeg maar alles wat in Unox-reclames zit. Maar toch.

Fransman voel ik me ook niet. Mijn vader sprak tot en met mijn vijfde Frans met me, maar daarna raakte de klad erin. Als ik op vakantie ben in Frankrijk en iemand begint Frans tegen me te spreken, mompel ik iets over Arsène Wenger, schuifel ik naar achter en duw ik mijn vriendin zachtjes naar voren. Mijn Frans-zijn kenmerkte zich vooral in problemen met het uitspreken van de rollende R, dorpsgenoten die mijn geboortenaam Jean-Julien niet konden uitspreken en een permanent existentieel onbehagen. En misschien ben ik door m'n Zuid-Europese bloed ook wat ontvlambaarder dan mijn Nederlandse vrienden - maar dan ben je er wel.

Joker op feestjes

Nee, meer dan een leuke bijkomstigheid is mijn Franse nationaliteit nooit geweest. Een joker die ik kon inzetten op feestjes, om interessant voor de dag te komen, mezelf een vleugje je ne sais quoi te geven; als vehikel me te onderscheiden. Of om me het Franse voetbalelftal toe te eigenen wanneer ik dat nodig achtte. In 2006 bijvoorbeeld, toen Zinedine Zidane - wat mij betreft de beste voetballer ooit - voor een laatste keer Frankrijk bij de hand pakte en Les Vieux op onnavolgbare wijze mee de finale in sleurde.

Ik juichte toen hij Frankrijk tegen Italië op voorsprong schoot, ik treurde toen hij na zijn kopstoot rood kreeg en rouwde met mijn mede-Fransen mee toen de finale uiteindelijk verloren ging. Maar toen het Nederlands elftal tijdens het EK twee jaar later haché van Frankrijk maakte, kon ik daar niet bedroefd over zijn. Tot zover mijn verbondenheid met de Franse Republiek. Mijn loyaliteit jegens Frankrijk zit 'm vooral in een schuldgevoel naar mijn vader dat ik zijn taal niet beheers.

Julien Althuisius en zijn vader Beeld Jiri Buller

Misschien ben ik te Nederlands om Frans te zijn, en te Frans om Nederlands te zijn. Maar als ik moet kiezen tussen Les Bleus en Oranje, dan kies ik volmondig voor Dirk Kuijt (of vernoem ik een oude, hondstrouwe Opel Corsa naar hem). In 1992 was ik ontroostbaar toen Nederland werd uitgeschakeld door Denemarken; twee jaar later huilde ik van geluk toen Aron Winter Nederland voor eventjes naast Brazilië kopte; in 2004 kon ik mijn tranen niet bedwingen toen de huidige directeur van Ajax tegen Zweden een einde maakte aan het penaltytrauma van Oranje; en in 2014 scheurde ik bijna mijn stembanden af toen Wesley Sneijder de gelijkmaker tegen Mexico binnen schoot.

Ik identificeer me dan niet met Nederland, maar blijkbaar wel met het Nederlands elftal. Dat is vooral omdat ik hier ben opgegroeid en Nederland altijd mijn thuis is geweest. Maar misschien is het ook meer dan dat. In Nederland kun je zijn wie je wilt zijn, worden wat je wilt worden. En als je uitblinkt, word je gevierd, ongeacht afkomst of huidskleur. In theorie dan. De weerbarstige praktijk lezen we elke dag in de krant, zien we op televisie of laat zich op Facebook en Twitter van zijn lelijkste kant zien.

Maar de krijtlijnen van het voetbalveld zijn de zeewering voor het cynisme van de samenleving.

In het Nederlands elftal kan Karim Rekik (Tunesische vader) samen met Daley Blind in de verdediging spelen; Memphis Depay (Ghanese vader) met Arjen Robben de tegenstander dol draaien; en kunnen Donny van de Beek en Tonny Vilhena (Angolese vader) samen het middenveld bestieren. Donny en Tonny, of hoe Oranje als vreemdelingenlegioen de afspiegeling kan zijn van mijn ideale Nederland. Een halve Fransman als ik zou er prima tussen passen. Als ik kon voetballen.

Daarom schreeuw ik vanavond Nederland vooruit, val ik op mijn knieën als we scoren en breek ik de afstandsbediening in tweeën als het misgaat. Maar als dat gebeurt - als we dan toch ons waterloo moeten vinden, dan maar tegen Frankrijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.