Waar het land ophoudt

Oostwaarts vanaf Manhattan, daar liggen de Hamptons. Verzamelnaam voor een reeks kustplaatsjes, die vanaf het einde van de achttiende eeuw aantrekkingskracht uitoefenden op artistieke geesten....

SCOTT Fitzgerald beschreef de aanblik van Long Island zoals dat zich aan de eerste Europese avonturiers moet hebben voorgedaan, nog voor de 'ontdekking' van Amerika, nog voor de eerste kolonisten zich er vestigden. Ze zagen in het 'oude eiland... een verse groene borst van de nieuwe wereld... Gedurende een kortstondig moment van verrukking moet de mens zijn adem ingehouden hebben in het aangezicht van dit continent, met iets dat zijn capaciteit voor bewondering geheel vervulde.'

Een halve eeuw later was het een van de nieuwe Europese avonturiers, de Duitse schrijver Max Frisch, die zich in zijn roman in dagboekvorm Montauk veel alledaagser over Long Island uitliet: 'Amagannsett, ook een Indiaanse naam... gazons rond kleine witte houten villaatjes, gazons en bomen, alles keurig onderhouden... Geen hekken, iedereen is welgesteld in dit district, iedereen heeft bloemen, natuur als welvaart... Zelfs de blauwe lucht ziet eruit of hij geregeld wordt onderhouden. Hier en daar een limousine...'

Montauk was niet zomaar als romantitel gekozen. Wie vanaf Manhattan oostwaarts gaat, komt op Long Island, en daar voorbij de drukbevolkte stadsdelen Queens en Brooklyn, voorbij de vliegvelden JFK en LaGuardia, op het rustieker en mondainer East End van het eiland dat zich in het uiterste oosten in tweeën splitst. Op het uiteinde van de zuidelijke vorkpunt, 180 kilometer bij Manhattan vandaan, ligt Montauk, de naam die de oorspronkelijke Indiaanse bewoners van het eiland aan dat eindpunt gaven. Maar daarvoor, en met name op die begeerlijke zuidelijke helft, liggen the Hamptons, een verzamelnaam voor niet alleen East Hampton, Bridgehampton en Southampton maar voor allerlei andere kustplaatsjes als het al genoemde Amagannsett, waar, in de woorden van de verrukte bewoners, niets dan golven hen scheiden van Spanje en Portugal.

Al tegen het eind van de achttiende eeuw oefende het eiland aantrekkingskracht uit op artistieke geesten. Harriet Beecher Stowe, de schrijfster van De negerhut van oom Tom woonde er, en al in 1807 had het oosten van Long Island zijn eigen Literary Society. Schilders raakten onder de indruk van het 'spectaculaire' licht en de eigenzinnige natuur en die factoren, gecombineerd met de nabijheid van New York (toen drie dagreizen per koets, nu een half uur per vliegtuig), hebben teweeggebracht dat de Hamptons (of, zo men wil, de South Fork, het East End), Frischs fletse indruk niettegenstaande, zijn uitgegroeid tot een van de meest begeerlijke (en betwiste) plekken van Amerika met een artistieke reputatie. Wie iets betekent in de beeldende kunst, uitgeverij, literatuur of aanpalende territoria moet er bij voorkeur een eigen huis bezitten, maar er op zijn minst met regelmaat gezien worden - en dan buiten het drukke zomerseizoen.

Die overloop van Manhattan bestaat nog steeds, alhoewel de Hamptons ook bijzonder in trek waren bij emigré-artiesten rond de Tweede Wereldoorlog: André Breton, Mondriaan, Marcel Duchamp, Fernand Léger. Een van de bekendste schrijvers die er woonde was John Steinbeck, die het er als geboren Californiër opmerkelijk naar zijn zin had en er bevriend raakte met de toen nog onbekende Edward Albee.

Verhalenschrijfster Jean Stafford zakte er weg in de alcohol en ze was niet de enige. Kurt Vonnegut en E.L. Doctorow zijn nog steeds permanente bewoners en James Salter rept in zijn prachtige memoires Burning the Days van zijn simpele geluk in Westhampton. 'Het was het seizoen van de verbleekte telefoonpalen en horden zwarte mussen neergestreken op de draden. In de namiddagnevel was er een uitbarsting van wit in de golven waar de blauwbaarsen zich voedden. Landinwaarts waren velden met rogge.'

Bijzonder gezellig moet het er in de jaren zeventig zijn geweest, toen James Jones er in Bobby Van's de duistere Amerikaanse bar vond waar hij zijn hele leven naar op zoek was geweest, 'the nice quiet dimly lit old infantry-man's dream of a bar somewhere'. Behalve de al genoemden waren Irwin Shaw en Joseph Heller er stamgasten, Truman Capote, George Plimpton en Betty Friedan.

Maar misschien zijn de Hamptons toch wel het meest bekend geworden als een uitwijkoord voor beeldende kunstenaars, die er eerst kwamen om het fameuze licht ('changing light, changing color, changing humidity, changing winds, changing temperature' schreef schilderes Jane Wilson) maar later vooral vanwege de ruimte die ze nodig hadden voor hun immense canvassen. De traditionele kunstenaarskolonie zag het met lede ogen aan, toen allereerst Jackson Pollock en zijn vriendin Lee Krasner zich er vestigden; ze vonden bij toeval een schuur in Springs, tegen het einde van de oorlog, en traden in het huwelijk toen ze zich er permanent gingen vestigen. Het was een roerig huwelijk en een roerige tijd; Pollock reed zich in 1956 kapot tegen een boom en zowel hij als zijn weduwe liggen onder een grote kei begraven op het nu overvolle Green River Cemetary ('people are dying to go there' grapte Ad Reinhardt.)

Warhol volgde de andere beeldende kunstenaars oostwaarts, in een grandioos huis in Montauk, en ook Willem De Kooning die zich onderscheidde tijdens de jaarlijkse softball-wedstrijden door zijn uitzonderlijke gebrek aan talent.

De roerige tijden van de action painters en de pop-artists die volgden zijn in diverse boeken vastgelegd; streekgenoot Kurt Vonnegut beschreef Jackson Pollock weinig vleiend in zijn sleutelroman Bluebeard, en schilder Larry Rivers maakte zich niet populairder in de streek toen hij zijn scandaleuze memoires What Did I Do? publiceerde. En in zijn allernieuwste roman Seek My Face waagt ook kunstliefhebber John Updike zich, op een overigens bewonderenswaardige manier, aan een beschrijving van de roerige dagen van Pollock, zijn dood en de pop-artists die hem volgden naar Long Island.

Tegenwoordig is het een plek waar, zoals de auteurs met iets van onvermijdelijke triestheid registreren, ondanks alle goede galeries en boekwinkels, ondanks de nog steeds van artistieke energie barstende gemeenschap, het grote geld is gaan domineren. 'Een wetmatigheid in de ontwikkeling van elke artistieke hangout', schreef criticus Harold Rosenberg in de jaren zeventig, 'is dat de kunstenaars de neiging hebben overspoeld te raken door de mensen die ze aantrekken'. En dus wordt al geruime tijd geklaagd dat er meer geld dan talent is op deHamptons. De nieuwkomers zien hun fraaie oprijlanen in de weekends volgeplempt met de auto's van de dagjesmensen, en de politieke meningen en libertijnse gewoontes van de kunstenaars botsen al jaren met die van de overige bewoners. De krankzinnige onroerend-goed prijzen drijven de minder commerciële kunstenaars naar minder populaire, meer funky uitwijkplaatsen.

Truman Capote, in de jaren zeventig een bewoner van South Fork, schreef aan het eind van een bespiegeling over zijn privé-uitzicht over de aardappelveldjes van Sagaponack dat 'sommige er volgend jaar misschien niet meer zullen zijn. Er verrijzen telkens weer nieuwe huizen die de lange lijn waar het land ophoudt en de lucht begint ontsieren.' En het is tegenwoordig allemaal nog veel erger, zo voegen de auteurs van dit boek er aan toe. 'Wat zou hij nu gezegd hebben als hij over zijn aardappelveldje had uitgekeken en de tientallen veel te grote huizen had gezien?'

De Hamptons zijn aan het begin van de nieuwe eeuw de culturele oorlogen evenmin te boven als de onroerend-goed-oorlogen. Het is nog steeds een New Yorks status-symbool uitgenodigd te worden voor een party of een opening in de Hamptons, maar het is ook al heel lang bon ton er op af te geven. Al in 1944 werden er dames uit New York gesignaleerd die aan een lokale bewoner vroegen waar 'de surrealisten waren', en vooral Pollock was sterk in het afblaffen van aapjeskijkers. Tegenwoordig vergaapt men zich niet langer aan hem maar aan het huis waar hij woonde. Dat is nu een Studie Centrum waar een deel van de collectie van Krasner en Pollock hangt. Het was ook de locatie voor de veelgeprezen film die Ed Harris maakte over de schilder die 'energie zichtbaar maakte'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.