Waar doen we het van?

Toen een eeuw geleden in Amsterdam de elektrische tram werd aangelegd, waren daar werklieden uit Duitsland voor nodig. Ook het materieel kwam uit Duitsland....

Al begin jaren zeventig gingen de wagonbouwers dicht. De elektrische systemen voor nieuwe generaties rollend materieel kwamen nog wel uit Nederland. Het Rijk bundelde bestellingen voor openbaar vervoer tot 'industriepolitiek'. Ook daar kwam in de jaren tachtig de klad in na de RSV-affaire.

De nieuwste Amsterdamse trams komen weer uit Duitsland. Ze zijn veel lichter en goedkoper dan hun voorgangers. Er komt geen wagonbouwer meer aan te pas. Siemens construeerde rond een digitale kern als het ware terloops vederlichte wagons. Er zit zoveel elektronica in, dat Duitse werklieden al dat moois moeten gaan onderhouden.

De tram staat symbool voor de postindustri samenleving, in 1976 aangekondigd door de Amerikaanse socioloog Daniel Bell (die eerder 'het einde van de ideologie' voorspelde). Die behelst een geweldige technologische en industri dynamiek, 'immaterialisering', internationalisering, 'verdienstelijking', een veranderende overheid, omwentelingen in economische structuur, arbeidsmarkt en onderwijs.

Ook in 1976 opende minister-president Den Uyl in Amsterdam een nieuwe hal van machine bouwer Stork op het oude VOC-eiland Oosterburg. De stad zou een zonnige industri toekomst tegemoet gaan. We weten nu beter. De fabriek ging over in buitenlandse handen, verkaste naar Zwolle, verliet Nederland. Op Oosterburg heerst inmiddels de 'creatieve klasse'. Amsterdam, ooit Nederlands grootste indus-

triestad, doet tegenwoordig andere dingen.

In korte tijd nam het aandeel van de industrie in de werkgelegenheid sterk af. Veel van de tegenwoordige industri werknemers zijn bovendien dienstverleners. Telde Nederland in 1995 nog 7,1 miljoen banen, in 2002 waren het er dik 8,3 miljoen, 1,2 miljoen meer. Maar het aantal banen in de industrie bleef praktisch gelijk: 1.064.000.

De cijfers tonen de doorbraak van de diensteneconomie. Tussen 1995 en 2002 groeiden handel, horeca en reparatie tot 1.708.000 banen (+ 300 duizend), vervoer, opslag en communicatie tot 476 duizend (+ 75 duizend), financi en zakelijke dienstverlening tot 1,6 miljoen (+ 425 duizend), de overheid (inclusief onderwijs) tot 919 duizend (+ 100 duizend) en de zorg en overige dienstverlening tot 1.744.000 (+ 300 duizend).

De overheid biedt nu bijna evenveel mensen werk als de industrie, terwijl de drie andere groeisectoren elk beduidend meer mensen van werk voorzien. Wel valt er het nodige op deze tellingen af te dingen. Zo is het aantal banen in deeltijdland Nederland niet hetzelfde als het aantal voltijdsbanen. Worden alle baantjes in voltijdsbanen uitgedrukt, dan ontstaat een wat ander beeld. Daar komt bij dat de toegevoegde waarde in de industrie hoog is en een groot aandeel heeft in de Nederlandse export.

Het doet niets af aan de trend: Nederland is razendsnel een post industri samenleving geworden. Steeds minder mensen maken industri producten. Veel bedrijven zijn koortsachtig doende om productie naar Midden-Europa en Oost-Aziver te hevelen. Ook steeds meer klassieke hoofdarbeid trekt weg. Nederland beeldde zich tot voor kort nog in dat 'wij' de hersens hebben om te ontwerpen en te verkopen en 'zij' de handen om te fabriceren - intussen weten we beter.

Het hoge tempo van verandering roept nervositeit op. Staat weer een periode van groot banenverlies voor de deur? Kan dat wel, een samenleving die geen dingen meer maakt? Wat betekent een postindustri, postnationale, dienstverlenende economische orde voor de inkomensverdeling? Wordt die bijna als vanzelf schever, ongrijpbaar voor nationaal beleid? Kan een land met amper industrie welvarend blijven?

Het zijn angstige vragen. Diep in velen van ons huist nu eenmaal het sentiment dat wie geen eerlijke handarbeid verricht eigenlijk een parasiet is. Marx spiegelde ons het Rijk van de Vrijheid voor, maar we blijven toch gehecht aan het Rijk van de Noodzaak. 'Post-industrieel' roept associaties met ledigheid op, met gebrek aan discipline, de leegloop van de ettelijke slecht geschoolden in onze samenleving. Bijna opgelucht werd de idee van de Nieuwe Economie weggehoond toen de zeepbel op de beurzen eenmaal was gebarsten. Hoe had men zich zo gek kunnen laten maken!

De Nieuwe Economie was inderdaad deels hype, maar de voorspelde omwenteling staat nog altijd op het programma: hoogwaardige, superproductieve industrie, een uitdijend universum van dienstverlening, intensieve toepassing van informatie- en communicatietechnologie (ict) in alle economische sectoren, 'loonveredeling' in verre landen, verdere internationalisering van goederen- en kapitaalstromen, verdergaande specialisatie.

Tot nu toe is het goed gegaan. Desindustrialisatie werkt - vooralsnog. De nieuwe internationale arbeidsverdeling heeft overal meer welvaart gebracht. Met minder industrie dan de EU zijn de Verenigde Staten toch beduidend rijker. Een omslagpunt, waarbij verder verlies van industri werkgelegenheid tot afnemende welvaart leidt, lijkt nog steeds niet in zicht.

Kan het duren? De onzekerheid blijft. Een golf van sluitingen van industriebedrijven als in de jaren tachtig zou de kwestie van de nationale werkgelegenheid en welvaart sterk politiseren. Maar de politiek zou met vrijwel lege handen staan, omdat er niet of nauwelijks nog bruikbare instrumenten voor een industriepolitiek voorhanden zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden