Vonk

'Waar blijven de wiskundemeisjes?'

Stereotypering is een mogelijk probleem bij het schooladvies van docenten. Verklaren vooroordelen dat jongens beter zijn in wiskunde dan meisjes ook de overweldigende mannelijke meerderheid bij wiskundestudies? 'Het enthousiasme voor deze verklaring van de gevonden sekseverschillen in de wiskunde lijkt ongegrond', stelt evolutionair psycholoog en hoogleraar Mark van Vugt.

Leerlingen van een school in Utrecht blokken op de eerste dag van hun Cito toets.Beeld epa

De afgelopen week kwam de Cito Eindtoets Basisonderwijs opnieuw onder vuur te liggen. Nadat in september rumoer was ontstaan over de publicatie van de Cito-scores per basisschool door RTL, besloot vorige week een Kamerbrede meerderheid om geen Cito-score doelstelling op te nemen in de onderwijsbegroting.

De Tweede Kamer vindt het belangrijk dat de overheid niet stuurt op Cito-scores. Men vindt het schooladvies van docenten minstens zo belangrijk bij de bepaling van de schoolkeuze van een leerling. Alles goed en wel, maar kunnen we als ouders het oordeel van de schooldocent wel vertrouwen? De Cito en andersoortige testen waren nu juist ingesteld om een wat objectievere maat te krijgen van de capaciteiten van onze kinderen.

'Stereotype-bedreiging'
Een mogelijk probleem bij het schooladvies van docenten is stereotypering. Als een docent bijvoorbeeld verwacht dat meisjes slechter zijn in wiskunde dan jongens, speelt dat mee in zijn of haar oordeel over de individuele leerling.

Mark van VugtBeeld Els Zweerink

Dit fenomeen wordt in de sociale psychologie ook wel 'stereotype threat', stereotype-bedreiging, genoemd. Het is gebaseerd op Amerikaans onderzoek van vijftien jaar geleden dat aantoont dat als je wiskundeopgaven geeft aan leerlingen en ze, voordat ze eraan beginnen, vertelt dat meisjes gemiddeld lager scoren op de test dan jongens, meisjes het inderdaad slechter doen. Als ze horen dat meisjes en jongens gemiddeld ongeveer gelijk scoren op de test, werden er geen sekseverschillen gevonden.

Kortom: seksestereotypische verwachtingen over hoe goed meisjes en jongens in wiskunde zijn, beïnvloeden hun schoolprestaties. Op grond daarvan kun je inderdaad beter niet te veel waarde toekennen aan het oordeel van de docent. Die kan immers de leerlingen beïnvloeden met deze seksestereotypen. Maar er zijn hierbij twee belangrijke kanttekeningen.

Hoezo sekseverschillen?
Allereerst moeten we vaststellen of er inderdaad verschillen zijn tussen jongens en meisjes in wiskundige vaardigheden. De wetenschap is daar duidelijk over: gemiddeld genomen scoren jongens en meisjes even goed. De verschillen zitten met name in de beste wiskundeleerlingen. In de top 5 procent wiskundeleerlingen, zitten ongeveer vier keer zoveel jongens als meisjes. Dat vertaalt zich ook in de studiekeuze op universiteiten, waar veel meer jongens dan meisjes voor wiskunde kiezen. Dat is overal ter wereld het geval.

De tweede vraag is of de verschillen tussen jongens en meisjes komen door stereotype-bedreiging. Een recent overzichtsartikel van psychologen Gijsbert Stoet en David Geary geeft hier antwoord op. Zij hebben meer dan twintig gepubliceerde onderzoeken bekeken en vonden het stereotype-bedreiging effect in slechts 30 procent van de studies terug. De overige 70 procent van de onderzoeken vinden geen bewijs voor de stelling dat als je een meisje vertelt dat meisjes en jongens verschillend scoren op de wiskundetest, dit hun prestatie beïnvloedt. Mogelijk, schrijven de auteurs, is er ook sprake van een publicatiebias, waarbij onderzoeken die het effect niet kunnen repliceren waarschijnlijk niet zijn verschenen in de wetenschappelijke tijdschriften. Kortom, het enthousiasme voor deze verklaring van de gevonden sekseverschillen in de hogere wiskunde, lijkt ongegrond.

Dat wekt geen verbazing voor iemand als ik die samenleeft met een 'wiskundemeisje'. Mijn vrouw haalde altijd negens en tienen voor wiskunde en natuurkunde op het VWO. Ik vertelde haar over het stereotype-bedreiging effect, waarop ze het volgende zei. Ja, ze had inderdaad gemerkt dat sommige docenten lagere verwachtingen hadden van de bètacapaciteiten van haar dan van de gemiddelde jongen in haar klas. Maar dat had haar alleen maar aangespoord om beter haar best te doen, om te laten zien dat ze beter was in wiskunde dan de jongens.

Tenslotte nog even dit: de wetenschap heeft nog geen antwoord op de vraag waarom er in allerlei landen onder de topscores van de wiskunde veel meer jongens dan meisjes zijn. Mogelijk is het een combinatie van aangeboren talent, interesse, en wellicht ook de opvoeding van de ouders. Dat gaat zeker op voor mijn vrouw, die als dochter van een scheikundeprofessor aan de Technische Universiteit Eindhoven deze drie dingen vanuit huis meekreeg.

Mark van Vugt (1967) is evolutionair psycholoog en hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voor Vonk, het zaterdagse achtergrond- en opiniekatern van de Volkskrant, blogt hij geregeld over de 'vreemde, buitenissige en saillante aspecten van menselijk gedrag'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden