Waanzin, alcohol en dope in Afrika

HOE ONBENULLIG en misleidend mag een titel zijn? Afrikaans safaridagboek scoort hoog. In eerste instantie denk je aan iets à la Kuki Gallman: een tenenkrommende lofzang op nobel en wild Afrika....

Maar al op de eerste bladzijde wordt duidelijk dat de Canadees Robert Sedlack iets heel anders voor ogen stond: westerse familiepsychose, haat en liefde tussen vader, moeder en zoon, psychologische oorlogsvoering. Vol slang en gevloek. Dit alles tegen het decor van de wrede Afrikaanse wildernis.

Het verhaal begint als de hoofdpersoon, de 19-jarige Richard Clark, met pa en ma in het vliegtuig zit, op weg naar Kenia voor een safari van drie weken. Een hysterische familie, zo blijkt. Zoon, vader en moeder zitten niet bij elkaar, omdat de kans dat er een blijft leven als het vliegtuig neerstort dan groter is. Ma huilt, pa slurpt whisky en Richard gaat naar het toilet om een joint te roken. Waarmee de toon is gezet. Ma blijkt suïcidaal, pa een sadistische alcoholist en Richard heeft zich op de reis voorbereid door dertig gram wiet, drie flesjes hasjolie, vijftien gram hasj en zes gram heroïne mee te nemen. Dat wil zeggen: hij heeft deze dopevooraad in de koffer van zijn moeder gestopt.

De familie gaat op reis in de hoop dat ma over haar depressies heen raakt en het gezin weer als hoeksteen van de samenleving kan functioneren. Een privé-safari nog wel, met een eigen Keniaanse gids, de mysterieuze Gabriel.

Richard doet zijn verhaal in de vorm van een dagboek, waarin hij de gebeurtenissen met kille afstandelijkheid beschrijft en regelmatig terugkijkt op zijn jeugd in Canada, zodat we langzaam maar zeker een indruk krijgen hoe een en ander is gekomen. Richard heeft twee complexen: zijn hazenlip en seks. Elk vrouwelijk gebaar interpreteert hij als een poging tot verleiding. Zelfs zijn moeder ontkomt niet aan die obsessie. Tussendoor strooit hij met nihilistische bespiegelingen over kerk, gezin en drugs. Hij is een typische Generatie X'er, ziet zichzelf als een loser die 'overal een mening over heeft'.

Sedlack schrijft gortdroog en bij vlagen ontzettend grappig - tenminste, voor wie van zwarte ironie houdt. Hij is de meester van de groteske metafoor. Als Richard 's avonds in een restaurant in de bush even naar het toilet moet en een paar minuten later weer terug aan tafel komt, kijkt ma hem aan 'met de opgeluchte glimlach van een moeder wier zoon net is teruggekeerd van drie jaar mosterdgas, gevechten van man tegen man, beroerde rantsoenen, ratten, modder en loopgravenoorlog'.

Maar naarmate de safari vordert, verandert de toon. De humor wordt omineus. Zeker nadat Richard op een eiland in het Baringomeer oog in oog is komen te staan met de 'krokodillenman' die de doden bewaakt en hem toeschreeuwt: 'Jij zoeken waarheid hier. Jij zoeken vrijheid. Maar jij stinken naar dood en leugens. Ga weg uit Afrika. Jullie levens zijn in gevaar.'

De gezinsleden drijven steeds verder uit elkaar. Iedere dag wordt ma waanzinniger. En iedere keer lijkt het moment aangebroken om spoorslags naar Nairobi terug te keren en het vliegtuig naar huis te pakken. Maar allen houden krampachtig vast aan de idee dat de safari moet worden voltooid. Pa neemt steeds meer alcohol tot zich. Richard brengt grote delen van de tijd masturberend, drinkend en heroïne rokend in zijn kamer door. Ook hij verkeert op de rand van gekte. Gids Gabriel maakt alles alleen maar erger. Oude familiegeheimen worden geopenbaard. Tezamen stevenen de Clarks af op de apotheose.

Het debuut van Sedlack (1963) is deels gebaseerd op een safari die de auteur zelf op 20-jarige leeftijd maakte en optekende in een dagboek. En hoewel hij in het voorwoord schrijft dat de inhoud van het boek niet moet worden verward met de reis die hij in 1983 maakte, blijkt uit interviews dat het autobiografische element aanzienlijk is. Sedlacks moeder maakte tijdens de reis 'een moeilijke periode' door en zoonlief was volgens eigen zeggen 'een drinkende alcoholicus en een gebruikende drugsverslaafde'.

Het was nooit Sedlacks bedoeling om de aantekeningen tot roman te verwerken. Maar nadat hij in New York aan lager wal was geraakt en jarenlang tevergeefs in Los Angeles had geprobeerd filmscenario's te slijten, haalde hij dat dagboek weer tevoorschijn.

En gouden greep. Het boek werd vertaald, en Sedlack werd genomineerd voor de Commonwealth Writers Prize. Natuurlijk valt er genoeg op aan te merken. De krachttermen zijn soms te dicht op elkaar gestapeld. En Richards benevelde brein spoort niet met het fantastische geheugen dat hem in staat stelt zich dialogen letterlijk te herinneren.

De kracht van het boek zit in de setting: de claustrofobie van een privé-safari waarin iedereen elkaar op de lip zit, in hete busjes of afgelegen lodges. Om de reizigers heen is het onberekenbare Afrika, ontdaan van alle zachtheid en bescherming. Vluchten kan niet. Het is een situatie waarin mensen extreem met zichzelf worden geconfronteerd, hetgeen door Richard op onbarmhartige wijze wordt opgetekend.

Maar uiteindelijk worden de nihilistische analyses ook hem te veel. De mysticus wint het van de existentialist. 'Geef mij de maan, gedeeltelijk verscholen achter de wolken. Geef mij de nevel. Geef mij de mist. Geef mij het mysterie. Misschien dat het me niet vrijmaakt. Maar ik vind dat vrijheid en waarheid overschat worden', luidt de slotalinea. Er is nog hoop voor Generatie X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.