Waak voor de middelmaat

Van Boris van der Ham en Alexander Pechtold moet het Fonds voor de Podiumkunsten minder strikt en Plasterk minder egalitair zijn bij het geven van subsidies....

Woensdag presenteerde het Nederlands Fonds voor de Podiumkunsten zijn definitieve subsidiebesluit. Na de hervorming van de subsidiesystematiek vorig jaar krijgt een enkele instelling een structurele vierjaarlijkse subsidie. De meeste instellingen moeten echter steeds opnieuw bij het fonds aankloppen voor hun voortbestaan.

De gedachte achter dit systeem is goed. Het is onzinnig om bijvoorbeeld aan het Concertgebouworkest of het Rijksmuseum elke vier jaar opnieuw te vragen hun bestaansrecht aan te tonen. Ook is het logisch dat er in de meeste grote steden een vast theatergezelschap is. Door die instellingen zekerheid te geven, kunnen subsidieverleners hun onderscheidend vermogen richten op nieuwe kunstenaars en nieuwe instellingen, die hun kwaliteiten nog moeten aantonen.

Helaas heeft minister Plasterk van Cultuur ervoor gekozen de gedachte van de basisinfrastructuur zeer minimaal uit te voeren. Zijn beleid komt er in wezen op neer dat er per stad, per discipline maar één instelling in de basisinfrastructuur mag zitten. Zijn keuze voor wie er tot de basis van onze cultuur behoort baseert hij namelijk niet puur op artistieke waarde en kwaliteit, maar mede op de geografische spreiding. Daaruit spreekt een vreemdsoortig blauwdrukdenken. In een stad als Amsterdam zijn bijvoorbeeld historisch gezien altijd meerdere toneel- en muziekgezelschappen geweest, dus waarom daar niet meerdere instellingen in de basisinfrastructuur? PvdA’er Plasterk houdt echter vast aan zijn egalitaire regionale spreiding.

Vernieuwende instellingen, met een breed publiek bereik, die niet in de basisinfrastructuur zijn opgenomen, leggen het nu af tegen instellingen die een mindere beoordeling hebben, maar passen in het spreidingsidee van Plasterk. Nu moeten gezelschappen met een grote omvang, bewezen kwaliteit en draagvlak op dezelfde wijze meedingen naar ondersteuning als beginnende gezelschappen. Het fonds wordt daardoor gedwongen volstrekt ongelijksoortige instellingen te vergelijken. Ze worden nu in hun bestaan bedreigd of moeten verplicht verhuizen met alle verlies aan geld, netwerk en continuïteit van dien.

Ook doen er zich andere ongelukken voor. Hoewel theaterregisseur Theo Boermans als individueel kunstenaar een mooie beoordeling kreeg, moet hij zijn vaste gezelschap en subsidie inleveren, en hetzelfde dreigt met het ensemble Asko/Schönberg onder leiding van Reinbert de Leeuw. Plasterk zegt hierop steevast dat hij het liefst een subsidiesysteem ziet vanuit de redenering ‘alsof we helemaal opnieuw zouden beginnen’. Een redenering die misschien past in een natuurkundig laboratorium, maar niet in de Kunsten.

Wij roepen minister Plasterk op de huidige invulling van de basisinfrastructuur te herzien. In steden als Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht zou een tweede of derde vast stadstheatergezelschap een volstrekt logische stap zijn. Het sluit aan op de bestaande praktijk, en geeft adem aan de overige subsidieverlening. Ook zouden twee festivals, zoals Oerol of de Boulevard in Den Bosch, kunnen worden toegevoegd. Muziekgezelschappen die een unieke rol hebben verworven, bijvoorbeeld in het spelen van eigentijdse Nederlandse muziek, horen ook in de basis.

Hiernaast moet het Fonds voor de Podiumkunsten meer flexibiliteit aan de dag leggen. Waarom kan een beeldbepalende regisseur niet individueel worden beoordeeld en gefinancierd, zoals we nu wel al doen in filmsubsidiëring? Het Fonds moet zich ook meer openstellen voor democratisch debat en verantwoording. Kwalitatief hoogstaande kunst en unieke kunstenaars dreigen nu vermalen te worden tussen steriele verdeelmechanismen, star geografisch denken en een oerwoud aan zaakwaarnemers, raden en commissies. Plasterk moet ingrijpen om het systeem passend te maken voor kwaliteit en talent, waar nu het tegenovergestelde plaatsvindt.

Eerdere oproepen aan Plasterk om meer regie en visie aan te geven zijn telkens tevergeefs gebleken. Hij stelde dat de beoordeling van kunst niet aan hem is. Daarbij beriep hij zich op de liberale 19de-eeuwse staatsman Thorbecke die ooit over kunst en politici stelde: ‘De Kunst is geen regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst.’ Wie dit citaat goed leest, ziet dat het Thorbecke juist ging om middelmatigheid te voorkomen. Als Plasterk niet ingrijpt, is dat echter wel wat hij veroorzaakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden