Vrouw van de wereld

'Dank u dank u lieve ouders, 'k heb een fijne jeugd gehad!' In vroeger jaren behoorde dit versregeltje van Clinge Doorenbosch (Telegraaf-dichter) tot mijn vaste repertoire....

Succes verzekerd. Vooral bij toneelschoollotgenoten die ook naar een psychiater waren verwezen. Dagelijks moest ik, met lijn twee - de tram, niet de benenwagen, stel je voor. . . ! - op en neer naar Amsterdam-Zuid. Daar zaten al die Freud-adepten, op kosten van adolescenten zoals ik, de hele dag stommetje te spelen. In kasten van huizen die nu miljoenen waard zijn, godverdegodver. Neem me niet kwalijk maar soms schiet ik even uit mijn slof.

Eerst kreeg je een intakegesprek. 'Wat voor vrouw was Moeder eigenlijk?' Ik hoor het mijn eerste potentiële therapeut nog vragen. Moeder zonder bezittelijk voornaamwoord! Moeder met een hoofdletter! Ik wist van minachting niet waar ik moest kijken. Naar dat schilderij met die spelende kindertjes dan maar; inmiddels natuurlijk even bebrilde bleekneuzen als hun vader. Dat ene lulletje kende ik nog van het gymnasium dat hij wel en ík niet had afgemaakt.

Toen Dokter zich een kopje koffie (met koekje) liet brengen zonder er mij een aan te bieden, was de maat vol. Zoiets deed je als grote vent een onzekere 17-jarige op stilettohakken en met een push-up-bh toch zeker niet aan. Neurotisch of niet, ik stond op mijn strepen.

Later heb ik die scène op verzoek van mijn vader herhaaldelijk moeten voorspelen. Vooral in mijn verontwaardiging over de koffie die mijn neus voorbijging, had mijn verwekker schik.

Er werd een andere psychiater uitgezocht. Hij was oud en somber. Net als zijn behandelkamer, een peperduur ingericht herenvertrek met veel leer, glas en boeken over zelfmoord. Vanaf mijn sofa had ik het uitzicht op druipende bomen. Als ik de aanwezigheid aan mijn hoofdeinde een vraag stelde, dan hoorde ik eerst geruime tijd niets en daarna een wedervraag: 'Wat vindt u er zelf van?' Soms ook was er sprake van een soort antwoord: 'Tja, dat zou ik niet zo één twee drie kunnen zeggen. . .'

Naderhand heb ik begrepen dat de meeste van mijn vragen in het luchtledige zijn blijven hangen, evengoed als het grootste deel van mijn hortende monologen. Deze dokter was al een geruime tijd doof. Toen ik nog weer later hoorde dat hij dood was - zelfmoord - ging er verrassend weinig door me heen.

Hoe ik in die therapeutenwereld terecht was gekomen? (Niemand die het vraagt, dus doe ik het zelf maar) Op de toneelschool was het usance dat zij die waren geslaagd voor het toelatingsexamen, nog even langswipten bij dokter Fles. Hij beheerde de Vlekkentest waarin van alles viel te zien wat tegen je kon worden gebruikt. Omdat ik het woord vagina niet durfde uit te spreken, kwam ik niet verder dan vleermuis. Dokter Fles vond mijn antwoord lang niet zo fantasieloos als ik vreesde, want ik moest onverwijld in analyse. Nog voel ik de gevleide gloed die over mijn gezicht trok: eindelijk was ik net zo interessant als ik zelf dacht. 'Eh, dank u wel, dag eh, dokter Vlek. . .'

Overigens viel het best mee met die jeugd. Bij Clinge Doorenbosch' regeltje doemt niet het Amsterdamse huis van mijn toneelspelend ouderpaar op, maar dat van mijn 'dank u dank u lieve pleegouders': zo een met een strooien dak, kleine ruitjes, een glooiende tuin. Binnen staat de plattebuiskachel met zingende ketel erop te loeien dat het een aard heeft. En zie ik daar niet een kolenkit, een stoof, koperen doofpot en een spinnewiel? Aan de eiken Oisterwijktafel in de achterkamer, beschenen door een gerokte hanglamp en met rechte stoelen eromheen maakte ik, terwijl de vrouw des huizes zat te breien (soms nam ze een haakwerkje ter hand) mijn huiswerk. Moeiteloos ruik ik de geur van draadjesvlees vanuit de keuken, etcetera.

Bij mijn pleegouders was geluk gewoon. The comfort of strangers, zoals Blanche Dubois verzuchtte in A streetcar named desire. Maar hoe dankbaar ik mijn weldoeners ook ben, hun gezichten en stemmen zijn vervaagd, dit in tegenstelling tot die van mijn ouders.

Deze week moet ik vaker aan hen denken dan goed is voor mij en mijn mascara. In de jaren tachtig zijn beiden met een interval van een jaar overleden, omstreeks Pasen wanneer het licht op zijn hardst is, de lente er inhakt. In '98 stierf de laatste der mohikanen, mijn vaders tweede vrouw, op tweede paasdag. Zij en mijn moeder bleven tot op hoge leeftijd bevriend.

Op Goede Vrijdag belde ik Mia altijd even, om via Jezus' dood op radio 4, gezamenlijk mijn ouders te herdenken. Nu rouw ik om haar. Bachzijdank bestaat de Matthäus.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden