Vrouw en monarchie

DE NEDERLANDSE monarchie werd honderdtwintig jaar geleden gered door een amper 20-jarig meisje uit een onnozel Duits vorstendommetje...

Zonder Emma van Waldeck Pyrmont, die de al bijna bejaarde Willem III in 1880 vader maakte van een erfopvolgster, zou het regerend koningshuis in de rechte lijn zijn uitgestorven, en was het vermoedelijk snel afgelopen geweest met de Oranjegevoelens die de verdeelde natie (arm-rijk, links-rechts, confessioneel-liberaal) bijeen moesten houden.

Ze was trouwens veel meer dan het vehikel dat de dynastieke continuïteit garandeerde. Ze werd na de dood van haar man de toegewijde regentes van het 10-jarig meisje, bereidde het consciëntieus voor op de troon, en herstelde de 'lijfelijke' band met de onderdanen door het kind van Alkmaar tot Roermond en van Groningen tot Middelburg welbewust mee te nemen op een elf-provinciën-tournee om het den volke te tonen.

Dat is het verhaal dat ons door de jaren heen is voorgehouden - door oranjeklanten, door historici, nog onlangs in het eerste deel van de Wilhelmina-biografie van Fasseur, en nu weer in Het theater van de staat van de monarchiekenner Jaap van Osta.

Je hoeft aan de waarheid van het verhaal niet te twijfelen om er toch niet helemaal door overtuigd te raken, en dan vooral niet door de exclusieve nadruk die erin wordt gelegd op Emma's rol op het terrein van de public relations, en die door Van Osta zelfs wordt aangeduid als de 'handige, professionele' manier waarop ze sluimerende Oranje-sentimenten met haar rondreisjes door het land zou hebben aangewakkerd.

Los van de vraag of de koningin-moeder, al dan niet bij intuïtie, zo 'uitgekookt' was, miskent de veronderstelling een tendens die zich al veel eerder in de negentiende eeuw had ontwikkeld, en niet zozeer vanuit het hof (Willem III lijkt zich nooit erg om imago-problemen te hebben bekommerd), maar vanuit het spraakmakende deel van de samenleving.

Een 'nationaal' Nederlands gevoel is na de Franse tijd betrekkelijk moeizaam op gang gekomen, en zeker onder het post-Thorbeckiaanse koningschap, dat geen zeggenschap en op z'n mooist nog (symbolische) invloed had, heeft de conservatief-liberale elite er alles aan gedaan om de Kroon als ornament op te poetsen, respectievelijk in dienst te stellen van de volkseenheid.

Thorbecke zelf was zich al terdege bewust van de nogal paradoxale positie waarin hij de 'onschendbare' vorst had gebracht - er was alle reden om de nog tamelijk kwetsbare monarchie die toen tenslotte nog geen veertig jaar bestond, te koesteren als een instituut dat tegelijkertijd bemind ('in dienst van het volk') en aanbeden ('boven het volk verheven') kon worden.

De invention of tradition - Van Osta gebruikt het door Hobsbawm geïntroduceerde begrip zonder er verder veel mee te doen - was een maatschappelijke uitvinding, en ver voor koningin Emma aantrad om onze monarchie te redden, was er al een hele sociaal-culturele machinerie in werking, die het volk via opvoeding, onderwijs, vlaggen, liederen, manifestaties, kunst en literatuur een gezamenlijk verleden inscherpte, waarbinnen het Huis van Oranje altijd een factor van beslissende betekenis moest zijn geweest.

Naarmate de sociale omstandigheden veranderden, hebben de leden van dat Huis zich met soms prijzenswaardige lenigheid aangepast aan nieuwe verhoudingen die hun verhevenheid in feite steeds paradoxaler maakten - de troef van allerhande Republikeinse Genootschappen die zich afvragen wat een Majesteit in godsnaam nog te zoeken heeft in een volmaakt gedemocratiseerde samenleving -, maar altijd zijn het primair maatschappelijke krachten die tot op deze dag de illusie, de schone schijn of het sprookje overeind helpen houden: ook zonder privé-marketing-adviezen kan de moderne vorst zich, mits hij niet uit zijn rol valt, veilig voelen; zijn 'sociale vangnet' oogt nog altijd heel solide.

Bij Van Osta komen al die maatschappelijke hulptroepen wel een beetje aan de orde (vooral voorzover ze zich in de pers lieten gelden), maar de auteur blijft het accent leggen op de rol die de verschillende vorsten of hun onmiddellijke raadgevers zelf hebben gespeeld.

Om redenen die eigenlijk nergens duidelijk worden, heeft hij in zijn boek de dynastieën van Engeland en Nederland naast elkaar gezet: letterlijk om en om een hoofdstuk, zonder dat je als lezer ooit de indruk krijgt dat de geschiedenissen opvallend parallel lopen of juist significant van elkaar verschillen, en zonder dat een hoofdstukje Oranje extra lading verschaft aan een hoofdstukje Windsor, of omgekeerd.

Je hebt de indruk dat het procédé voor hetzelfde geld had kunnen worden toegepast op de Huizen van Nederland en België, of die van Spanje en Zweden - zoals Van Osta trouwens jaren geleden begon met een proefschrift over de negentiende-eeuwse monarchieën van het Britse en Duitse model.

In alle gevallen had hij kunnen beginnen bij Walter Bagehot, die al anderhalve eeuw geleden voorspelde dat 'staat' en 'show' steeds dichter bij elkaar zouden komen naarmate de samenleving democratischer werd. Om te eindigen bij wijlen prinses Diana, die kennelijk, net als hij, onvermoede pr-talenten veronderstelde binnen de dynastie, en die daarom van 'de firma' sprak als ze Buckingham Palace bedoelde.

Van Osta bracht me op het idee van twee overeenkomsten tussen de koningshuizen die hij zelf ongenoemd en in ieder geval onuitgewerkt laat.

De eerste heeft te maken met de betrekkelijke 'jeugd' van beide. De Engelsen hadden natuurlijk al een eeuwenoude koningstraditie, met Plantagenets, Lancasters, Yorks, Tudors en Stuarts, maar juist daarom mogen de 'Hannoverianen' (die zich pas in 1917 Windsors zouden gaan noemen) als opvolgers van de laatste Stuart betrekkelijke nieuwkomers heten, die vanaf 1714 in Groot-Brittannië misschien zelfs wel als parvenu's zijn ervaren. De eerste Georges waren ook nauwelijks succesnummers, en pas met ingang van Victoria begon het allengs redelijk te boteren tussen vorst en volk.

Onze eerste koning aanvaardde zijn taak niet minder als een 'vreemdeling' dan de eerste Hannover in Engeland: twintig jaar van huis geweest, van alles en nog wat gedaan om bij Napoleon in de gunst te komen, Nederland eigenlijk al opgegeven, de taal amper machtig - als het aan hem had gelegen was hij net zo lief in Nassau, of in z'n eigenaardige koninkrijkje Fulda gebleven. Het enige voordeel was wellicht dat hij Oranje heette, maar daar stond als nadeel tegenover dat hij souverein vorst moest worden over een volk dat tweeeneenhalve eeuw in een republiek had gewoond. Hier moest de traditie van het koningschap werkelijk worden 'uitgevonden'.

De tweede overeenkomst tussen Windsor en Oranje is de rol van de vrouw als landsvrouwe. Nederland spant in ononderbrokenheid (109 jaar achtermekaar een koningin, en als je Beatrix naast de oude Kohl ziet staan, zie je het einde van dit dynastieke matriarchaat nog lang niet in zicht) weliswaar de kroon, maar als je de regeerjaren van Victoria en Elizabeth bij elkaar optelt, blijken de Engelsen in koninklijke vrouwelijkheid zelfs kampioen: die halen samen de 111.

Je kunt je afvragen hoe belangrijk juist die vrouwelijkheid geweest is in de overlevingskunst van de paradoxale monarchie: de vrouw die een hele eeuw stempelde, de vrouw die als een kerel pal stond tegen de rotmoffen, de vrouw die als een moeder met de chocoladeketel rondging, de vrouw die als een plaat uit de Lady's Home Journal haar representatieve taken verricht, de vrouw die als een martelares van een annus horribilis kon reppen. Dus kun je je afvragen welke risico's de Windsors en de Oranjes niet lopen als ooit de fakkel moet worden overgedragen aan mannen als Charles en Willem Alexander.

Van Osta, die zich dat niet heeft afgevraagd, ziet het niettemin zonnig in en wijst in zijn slotalinea op 'het massale rouwbeklag' bij de dood van België's Boudewijn, op de bloemenzee ter herdenking van de verongelukte Lady Di en op onze eigen jaarlijkse koninginnedagen, om 'het overweldigende bewijs van monarchale gevoelens' te leveren, en de monarchieën te verzekeren dat zij 'de komst van een nieuwe eeuw met vertrouwen tegemoet kunnen zien'.

Eigenaardige auteur van een eigenaardig boek. Hij schrijft eertijds als hij eerlang bedoelt, blijkt het verschil niet te kennen tussen Jupiter en de os, en laat in z'n allerlaatste zin zelfs de schijn van wetenschappelijke afzijdigheid varen met een verzuchting van Oranjegezindheid.

Jaap van Osta: Het theater van de staat - Oranje, Windsor en de moderne monarchie.

Wereldbibilotheek; 288 pagina's; * 39,50.

ISBN 90 284 1822 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden