Vroeger als nieuw

Na een kortstondige flirt met Le Corbusier keerde architect Rob Krier zich resoluut tegen het modernisme. Hij wil terug naar de menselijke maat....

Op hun website en in hun boek presenteren ze zich vol trots, je kunt maar beter in de aanval gaan dan in de verdediging blijven hangen, als anti-modernisten, met in één adem erbij 'zonder anti-innovatief te zijn'. Het grote kwaad is het Nieuwe Bouwen en de invloed die de beweging nog heden ten dage heeft.

Voor Rob Krier en zijn jongere partner en schoonzoon Christoph Kohl is het modernisme, het grote ontwerpideaal van na de oorlog, zo ver doorgeschoten en onmenselijk geworden dat het sociale desintegratie bevordert, 'want het behandelt de stad als een abstract systeem'. Het Nieuwe Bouwen heeft het leven verziekt met zijn absolute scheiding van wonen, werken en recreëren, en heeft een onpersoonlijke architectuur opgeleverd, die niet meer aan stad of land gebonden is. Zo'n modernistische wijk kan overal staan en geeft ook geen houvast en veiligheid meer. 'Vergeten is dat huizen de beschermende schelp zijn om onze dagelijkse activiteiten.'

'De vroegere complexe taal van de architectuur', zegt Krier, 'met zijn regionale kleur die prachtige en verrassende variaties opleverde, werd gereduceerd tot een vorm van technische expressie.' Hij grijpt in zijn architectuur weer terug op dat rijke verleden. Zijn dogma is de rijkdom van een historisch gegroeide stad weer als uitgangspunt te nemen voor nieuwe stedenbouw en architectuur.

In de loop der eeuwen, luidt zijn stelling, is een onnoemelijk aantal modellen voor stedelijk leven uitgeprobeerd, die een enorme ervaring opleveren voor de oplossing van toekomstige problemen. 'Ondanks de verwoestingen van twee wereldoorlogen kan deze gebouwde encyclopedie nog steeds geraadpleegd worden', zegt hij. En: 'Technologische vernieuwingen veranderen ons leven, maar er zijn een paar grondwetten van wonen en leven in een stad die nog altijd tellen.' Hoe groter die vernieuwingen, hoe meer betekenis die oude wetten krijgen in emotionele zin.

Als student flirtte hij toch even met Le Corbusier. Ondanks de totale afwijzing van diens ideeën haalt hij in het boek nog vertederd het antwoord van de meester aan, dat hij kreeg op een fanbrief die hij hem stuurde. Krier keerde zich er al snel van af en ontwikkelde zich tot een traditionalist pur sang - wars van spektakel, dienstbaar, want architectuur en stedenbouw horen onder de toegepaste kunsten. 'Normaal' is het sleutelwoord in zijn ontwerpen. Hij hanteert nog een paar begrippen waar vroeger vloek en verbanning op stond, zoals 'vredig', 'gezellig', 'vriendelijk', 'gemoedelijk'. Krier wordt er niet meer mee uitgestoten. Zijn ideeën gaan erin als koek. Zijn huizen vliegen weg. Hij komt om in de opdrachten.

Kriers ontwerperscredo leest als een voor iedereen te volgen college architectuurgeschiedenis. Er is geen speld tussen te krijgen. Willen we de toekomst de baas worden, dan moeten we de doodlopende weg van een blind vertrouwen in de vooruitgang van het Nieuwe Bouwen verlaten en terugkeren naar het verleden.

Die architectuurpraktijk en -theorie zijn nu verantwoord in een monografie, Town Spaces, waarin Krier zijn ideeën ontvouwt in teksten, schetsen en foto's van uitgevoerde en niet uitgevoerde projecten. Het begint met een voorwoord van zijn medestander Michael Graves, die het onderscheid tussen modernisme en traditionalisme legt in het verschil van beeldhouwen in staal en steen. Het een is een samenvoegen van losse elementen, het ander een werken met massa. Het boek eindigt met essays van drie architectuurcritici en wetenschappers, onder wie Hans Ibelings, die het historisch klimaat schetst van de geschiedenis van het modernisme in Nederland en de omslag die het mogelijk maakte dat Krier hier nu zo'n succes heeft.

Krier heeft opdrachten in heel Europa, maar de meeste op dit moment in Nederland, een halve eeuw lang juist het bolwerk van dat Nieuwe Bouwen. Hij staat er ook zelf versteld van. 'We zijn zo'n eenzaam bolwerk in de verdediging van de traditionele stedenbouw dat ik het een wonder vind dat juist in Nederland, een van de meest progressieve en moderne landen van Europa, dit thema niet alleen openlijk en serieus wordt bediscussieerd, maar ook nog eens wordt uitgeprobeerd.'

Zijn bureau heeft in Nederland zo'n twintig projecten om handen, in binnensteden en buitenwijken, in grote steden en op het platteland, met het invullen van gaten en voor het ontwerpen van compleet nieuwe gemeenschappen. Hij is in. Hij is een alternatief. Hij is geliefd en hij is omstreden. Zijn projecten worden omhelsd en weggehoond. Zijn fans vinden zijn stedenbouw en woningontwerpen een verademing, een terugkeer naar kleinschaligheid en menselijke maat - vredig, gezellig, vriendelijk, gemoedelijk. De tegenstand spreekt van Anton Pieck-architectuur, Disneyland, decorbouw en bruine-kroeg-nostalgie.

Hij heeft kennelijk iets geraakt en wakker geroepen, dat al langer lag te sluimeren. Het is een beetje te vergelijken met de deconfiture van 'paars'. Na een halve eeuw overheidsbemoeienis in de woningbouw, bepaald door een grote voorkeur voor het modernisme, is het tij omgeslagen, en is een verlangen naar iets anders wakker geroepen. Krier heeft er een antwoord op. En dat heet simpel: vroeger. Zijn tegenstanders wijzen zijn architectuur af als een ontkennen van de eigen tijd. Hij werpt er tegenin dat hij uit die encyclopedie van eeuwen bouwkunst de menselijke maat heeft teruggehaald.

Rob Krier werd in 1938 geboren in het Luxemburgse Grevenmacher. Hij studeerde architectuur in München, gaf later les aan de technische universiteiten van München en Wenen en had bijna twintig jaar een bureau in Wenen. De laatste tien jaar zetelt zijn bureau in Berlijn, al jaren werkt hij daar samen met Christoph Kohl. In Town Spaces worden tientallen projecten en voorstellen voor prijsvragen behandeld, verspreid over heel Europa. Wat je ook van zijn werk vindt, hij verstaat de regionale taal en geschiedenis, hij neemt de lokale taal van de architectuur op in zijn werk.

In Nederland zijn vier van zijn ondernemingen voltooid of vrijwel klaar: het stedenbouwkundig project voor de verbetering van het Haagse centrum De Resident, de nieuwbouwwijk Brandevoort bij Helmond, de invulling van een groot woonblok, Meander, in een negentiende-eeuwse Amsterdamse buurt en een nieuw stadswijkje, Noorderhof, middenin in de westelijke tuinsteden van Amsterdam - vier totaal verschillende opdrachten. In zijn boek legt hij uit hoe hij te werk gaat. Die encyclopedie van eeuwen bouwen is een uitgangspunt, de lokale bouwtraditie een andere, de archeologie van het grondgebruik ter plekke een derde. Hij gaat niet uit van een lege ruimte, een vlakte opgespoten zand. Hij kijkt naar de gebruiksgeschiedenis van een locatie en neemt in zijn ontwerpen graag de loop van een oude boerenweg op, van een verdroogde of vergeten waterloop, oude paden en slotenpatronen, de grenzen van landerijen en akkers.

In sommige ontwerpen werkt hij samen met andere architecten. De Resident, waarvan hij het stedenbouwkundig ontwerp en een onderdeel tekende, is een mengeling van grootschalig en kleinschalig, en sky-high ook nog eens. Maar op straatniveau - de peilschaal van het openbare leven - is alles menselijk en overzichtelijk.

Brandevoort ontwierp hij naar de wetten van zijn ideologie als een stadje zoals een stad hoort te zijn, met een kleine dichtbebouwde 'oude' kern, doorsneden door vier straten, die allemaal uitkomen op een poort, steeds verschillend vormgegeven zodat je weet waar je de stad binnenkomt. Die zogenaamde oude kern is weer omgeven door 'nieuwe' buurten waar de straten wat breder zijn en de bebouwing wat losser - een nieuwe stad als een organisch gegroeide oude met een historiserende gevelarchitectuur, een replica-fantasie van een onbestaand voorbeeld maar naar de maat en schaal van de oude steden elders in Brabant.

Op een opengevallen terrein aan de Kostverlorenkade in Amsterdam-West maakt zijn complex Meander een half blok bestaande bebouwing weer tot één groot, gesloten stadsblok. De schaal is fors, maar de omgeving kan het hebben. De oude bebouwing volgde een strak en recht patroon. Meander sluit erop aan in twee wijde slingers, met in de knikken torens. Zijn bochtige blok neemt niet zozeer het karakter van de buurt aan, die is nogal gewoon , maar wel die van een andere Amsterdamse traditie: het lijkt of Krier een antwoord heeft willen geven op de expressie van de Amsterdamse School.

In het hol van de leeuw, in Amsterdam Nieuw-West, middenin wat vroeger het AUP heette, het Amsterdams Uitbreidingsplan, hét symbool van het Nieuwe Bouwen na de oorlog, van strokenbouw en flats in zich almaar herhalende patronen, het tekentafelmodel van Le Corbusier - Kriers grote affront - bouwde hij een klein woonwijkje van bochtige straatjes en pleintjes, Noorderhof, twee verdiepinkjes hoog in het midden, beschermend omgeven tegen de autoweg door een vier verdiepingen hoge laag aan de buitenrand.

Zijn woonwijken hebben die menselijke maat en schaal, dat het verleden ons als een gebaar aanreikt. In zijn projecten in de bestaande stad past hij zich aan aan de maat van de omgeving met een traditionele architectuur die alle verworvenheden van vroeger weer terugroept. Hij bouwt weer in gesloten blokken en geeft hoekpanden vorm, omdat die de straat een gezicht geven. Ze zijn rond vaak en nogal grof - om niet te zeggen plomp. In zijn nieuwe-steden-beeld, zoals Brandevoort, is alles één groot spel van torens en donjons, van poorten en binnenhoven, woonbuurt en ridderburcht ineen, vol stille plekjes. Het is intiem en overzichtelijk en, op die plompe torens na, knus.

De huizen in die wijken hebben wisselend vormgegeven gevels. Elk huis heeft zo zijn eigen karakter, naar het voorbeeld van een in eeuwen gegroeid stadsbeeld. Ze zijn zichtbaar nieuw, maar ook weer niet. Je moet ervan houden. En dat gebeurt, ze vliegen weg.

Krier benadrukt dat in zijn boek ook keer op keer. Over Brandevoort: 'Een gewone buurt, het werd een absolute hit.' Over Noorderhof: 'Binnen twee weken waren alle huizen uitverkocht.' Over Meander: 'De bewoners zijn verguld. De tevredenheid van de bewoners is de beloning van de architect.' Er zit iets krampachtigs in die opmerkingen. Waarom er nog een uithangbord vol lof aanhangen, als het voor zich zelf moet spreken en een voltooiing is van die eeuwenoude encyclopedie? Misschien roert hij de trom omdat door alle knusheid een tweeslachtigheid breekt: sprankelend nieuw en nogal oudachtig.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden