Vrije economie alleen op papier mogelijk

Een economie waarin iedereen in volmaakte ongebondenheid zijn goederen of diensten kan aanbieden, functioneert optimaal. Althans: wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan....

B.M.S. VAN PRAAG

DE LAATSTE jaren heeft men zich in Nederland - maar niet alleen daar - bekeerd tot het nieuwe Evangelie: er zal gedereguleerd worden. Op zich is het heel goed om de regels zo nu en dan kritisch tegen het licht te houden, en de bestaande structuren niet dogmatisch in stand te willen houden omdat ze er nu eenmaal zijn. De vraag is echter of het niet even fout is om regels en regulering stelselmatig te willen afbreken, zonder zich af te vragen waarvoor die regels zijn ingesteld en of de situatie zonder regels tot een veel beter maatschappelijk resultaat zal leiden.

Moet de huidige dereguleringsdrift van de overheid niet worden gekarakteriseerd als hakken met de botte bijl ?

Er is een economische theorie die haarfijn bewijst dat onder een aantal voorwaarden volledige mededinging de beste marktvorm zou zijn. Helaas is aan die voorwaarden in geen enkele maatschappij voldaan, en daarmee heeft dit theoretische resultaat geen realistische betekenis. In feite is er geen algemeen aanvaarde economische theorie op grond waarvan men kan stellen dat regulering altijd fout is. Diegenen die dat suggereren, zijn dogmatische doordravers. Betekent dit nu dat deregulering altijd verkeerd is?

Ook dit zou ongefundeerd dogmatisme zijn. In feite gaat het bij de beslissing om te dereguleren om een subtiele afweging van belangen van verschillende partijen zoals consumenten en producenten, en om de te verwachten externe effecten. Verder is er een duidelijk verschil tussen het afwijzen van regulering in een situatie dat er nog geen regulering is, of het opheffen van een regulering die al sinds mensenheugenis geldt.

Enige weken geleden werden we opgeschrikt door het bericht dat het taxiwezen wordt gedereguleerd, en dat de klant zelf moet gaan onderhandelen over de ritprijs. Dit zou leiden tot een daling van de ritprijs.

Iedereen die zelf wel eens gebruik heeft gemaakt van een taxi moet wel gruwen van die gedachte. De troeven liggen in een dergelijke situatie wel heel duidelijk bij de chauffeur. Hij onderhandelt de hele dag, hij heeft de kennis van de afstanden, hij kan weigeren de bagage af te leveren. Kortom: zonder meter en een vaste ritprijs zou ik me aan de heidenen overgeleverd voelen.

Ongetwijfeld zal dit leiden tot een daling van de vraag naar taxiritten en een daling van het aanbod. Het is niet onmogelijk dat de gemiddelde prijs zou dalen, maar dit zou niet gelden voor de gemiddelde oude dame die incidenteel van de taxi gebruikmaakt en haar eerste cursus 'onderhandelen' nog moet krijgen.

Het uniform en verplicht regelen van de ritprijs is niet zomaar tot stand gekomen. Het was en is de voorwaarde waarop in elke wereldstad een betrouwbaar taxisysteem kan vigeren. Dit neemt niet weg dat grootverbruikers - zoals bedrijven of instellingen voor gehandicapten - hun speciale prijs kunnen afspreken, en dat is ook het gebruik.

Er zou nog iets voor te zeggen zijn als de taxi geen concurrentie had. Maar dat is dus niet het geval. Er is een uitgebreid stelsel van openbaar vervoer, en er rijden miljoenen auto's rond, zodat de taxi helemaal geen monopolie heeft voor het aanbieden van vervoersdiensten - behalve juist voor de invaliden enz. die weinig onderhandelingsmacht hebben omdat zij nergens anders mee vervoerd kunnen worden.

Een tweede cause célèbre is de vaste boekhandelsprijs. Wie maar even rondkijkt in de wereld van de boekhandel, weet dat daar een zware concurrentie woedt, en dat al vele boekwinkels onder dat aanhoudende geweld zijn bezweken.

Hetzelfde geldt voor de uitgevers van Nederlandse boeken. Nederland heeft godzijdank nog een mooi gevarieerd aanbod, en dat komt omdat de bestsellers de boeken met weinig verkoop subsidiëren. Het is duidelijk dat het vrijlaten van de boekhandelsprijzen zou leiden tot een grote verschraling van het aanbod van titels en het aantal verkooppunten. Nu zal dit de consument die nooit een boek koopt bijzonder weinig kunnen schelen. Maar vanuit een algemeen cultureel standpunt, en voor diegenen die nog wel boeken lezen is dit een heilloos voorstel.

Een ander voorbeeld is de verruiming van de winkelsluitingstijden. Ook hier zien we weer twee partijen. Enerzijds is het voor de jonge tweeverdiener (binnenkort met een vierdaagse werkweek) prettig wanneer hij ook 's avonds boodschappen kan doen. Anderzijds is het duidelijk dat deze service eigenlijk alleen goed geleverd kan worden door supermarkten met veel jong en flexibel personeel. Aangezien de omzet niet toeneemt, vindt er een verschuiving plaats waarvan de kleine winkels en de snackbars de dupe worden.

Op de wat langere duur leidt dit tot een verdwijnen van de (kleinere) winkels. Buiten de grote steden impliceert dit een ontoelaatbare verschraling van het winkelaanbod. Bovendien reduceert het het enthousiasme van jongeren om middenstander te worden. Deze hebben ook liever een vierdaagse werkweek.

Nog een voorbeeld: met veel demagogisch geweld is de postorderfarmacie doorgedrukt, waardoor verzekeraars chronische patiënten hun recepten kunnen leveren buiten de apotheek om. Op het oog een verstandige maatregel totdat men zich bedenkt dat het hier gaat om 60 procent van de receptuur van apotheken. Gezien de door regulering (!) vastgestelde prijs van tien gulden per receptbereiding, gaat het hier om de recepten waar de winst gemaakt wordt, terwijl de verzekeraar de 'moeilijke' incidentele recepten met een kostprijs van l,40 gulden of meer aan de apotheker overlaat met blij gemoed.

Het is duidelijk dat deze deregulering, indien succesvol, zal leiden tot slechts enkele mega-apotheken waarbij elke persoonlijke aandacht wegvalt en vele kleinere woonkernen geen apotheek meer zullen houden. Het nut hiervan is dubieus wanneer men bedenkt dat de winst wordt doorgeschoven naar de verzekeraar en zijn groothandel (waarschijnlijk in één hand), dat de kostprijs niet echt zal dalen door de extra kosten van de logistiek bij centrale verzending, en dat de doorschuiving in de premie zó klein zal zijn, dat ze niet te controleren is.

Ondertussen heeft Nederland al ongeveer het laagste geneesmiddelverbruik en kosten van Europa.

Het hoogst actuele verbod voor franchise organisaties (zoals Spar) om uniforme prijzen te rekenen, terwijl een onderneming met filialen in eigendom (Albert Heijn) dat wel mag, is een ander voorbeeld van het dogmatisch doordraven. Het voordeel van het grootbedrijf, ongeacht of het berust op filialen of franchise, is immers dat een gemeenschappelijke inkoop- en marketingpolitiek mogelijk wordt. Dat dit heeft geleid tot prijsdaling, kan iedereen weten die prijzen vergelijkt tussen het grootbedrijf en het 'winkeltje om de hoek'.

Nu zijn er natuurlijk wel juridische kunstgrepen voor het vrijwillig filiaalbedrijf om onder deze banvloeken van Economische Zaken uit te komen, maar waarom moeten die banvloeken geuit worden?

Ten slotte het verbod voor voetbalclubs om de KNVB te laten optreden als agent voor de verkoop van uitzendrechten. Ook al is Sport 7 dan gevallen als een baksteen, het collectieve contract had zeker als voordeel dat de kleinere clubs een gegarandeerde - en niet te verwaarlozen - opbrengst kregen uit het contract. Bij een verbieden van een dergelijk collectief contract over de uitzendrechten, hebben de kleinere clubs geen financiële basis meer, en dit zal leiden tot een supercompetitie van een klein aantal clubs (die ongetwijfeld onderling ook afspraken maken) en vele kleintjes die naar de amateurstatus terugzakken.

Ik ben geen voetballiefhebber dus het kan mij niets schelen, maar ik kan mij voorstellen dat de meerderheid van de Nederlandse bevolking daar geen vrede mee heeft. Ook hier kan een dogmatische opstelling van EZ grote gevolgen hebben, terwijl niemand kan volhouden dat er enig belang bij gediend is.

Het beste lijkt mij dat de overheid zichzelf eens gaat dereguleren. Wat zou er tegen zijn dat burgers hun paspoort bij elke gemeente kunnen krijgen, zodat ze kunnen shoppen waar het het goedkoopst is en waar de openingstijden van het gemeentehuis het beste passen bij de wensen van de consument. En geen centrale vaststelling van de leges uiteraard.

Mijn devies is: meer nuancering bij de deregulering.

B.M.S. van Praag is directeur van de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO), en is als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden