Vrijdenkers en raddraaiers

Zijn ketterse geschriften deden Adriaan Koerbagh in 1668 in de cel belanden, waar hij stierf. De naderende Verlichting, door Rienk Vermij voorzien van een maatschappelijke context, mocht hij niet meer meemaken.

Adriaan Koerbagh: Een licht dat schijnt in duistere plaatsen

***


Hertaling Michiel Wielema.


Vantilt; 262 pagina's; euro 19,95.

Rienk Vermij: De geest uit de fles

****


Nieuwezijds; 300 pagina's; euro 22,95.


Vrijdenkers waren het, de gebroeders Koerbagh. Dankzij het fortuin van hun vader kon de jongere Johannes zijn leven lang theologie studeren, maar hij hield er zulke ketterse ideeën op na dat hij nooit ergens geroepen werd tot predikant. Zijn oudere broer Adriaan studeerde rechten en medicijnen, en publiceerde in 1668 Een Bloemhof van allerley lieflijkheid sonder verdriet, een woordenboek waarin Bijbelse termen werden uitgelegd en tussen de regels door de georganiseerde religie er flink van langs kreeg. Of het nu ging om dominees of priesters, het waren allemaal domme, leugenachtige, haatzaaiende bedriegers.


Nog in datzelfde jaar 1668 schreef Adriaan Koerbagh Een licht dat schijnt in duistere plaatsen, waarin hij dezelfde geestelijken nóg uitgebreider over de hekel haalt. Dat zijn boek opnieuw is uitgegeven, dankt Koerbagh min of meer aan de biografie die Bart Leeuwenburgh vorig jaar over hem schreef, Het noodlot van een ketter.


'Wij vonden het een goed idee', zo opent Koerbagh zijn betoog, 'eens een helder licht te laten schijnen op de misslagen en dwalingen van de geestelijken op het gebied van de theologie en de godsdienst.' Daar was zijn drukker het niet mee eens. Toen die zag wat er van zijn persen rolde, werd hij zo zenuwachtig dat hij de autoriteiten inlichtte. Koerbagh kon naar Leiden vluchten, maar werd verraden, opgepakt en naar Amsterdam gebracht, waar de kerkeraad en het stadsbestuur vanwege die Bloemhof nog een appeltje met hem te schillen hadden. Hij werd in de gevangenis geworpen. Daar stierf hij in 1669.


Koerbagh, die contact onderhield met Spinoza, verwerpt niet alleen de georganiseerde religie; hij moet ook niets hebben van zaken als een Schepping uit Niets en van de Drie-eenheid. Op luchtige toon, met hier en daar een gewaagd grapje (de volgelingen van Jezus zouden zich eigenlijk 'jezuïeten' moeten noemen), breekt Koerbagh het christendom compleet af. Om te voorkomen dat dominees en priesters de gelovigen tegen elkaar opjutten en zo het land te gronde richten, stelt hij voor dat de staat de ware religie bepaalt. Aangezien er maar één 'ware, redelijke God' bestaat, is er dus ook maar één ware en redelijke godsdienst, 'die geen dwang nodig heeft om beschermd te worden' omdat zij van nature 'beminnelijk en aannemelijk' is.


Koerbagh werd beïnvloed door Thomas Hobbes, de Britse filosoof die in de eerste helft van de 17de eeuw getuige was geweest van twee jaar burgeroorlog, gevolgd door de onthoofding van koning Jacobus I. Hobbes legde de schuld bij de geestelijken - zowel bij de fanatieke dissenters als de Anglicaanse staatskerk. Het idee van een staatskerk gaf de geestelijkheid te veel macht, vond hij. Alle macht behoorde aan de koning, en dus mocht deze ook bepalen hoe de nationale religie eruit moest zien. Hiermee vergeleken was Koerbaghs (en Spinoza's) visie een grote stap voorwaarts.


Vijftien jaar na de dood van Koerbagh werd duidelijk dat het traditionele staatssysteem, waarin de koning zijn macht ontleende aan God en Zijn kerk, geen garantie was voor stabiliteit, maar voor onderdrukking. In 1685 herriep Lodewijk XIV het Edict van Nantes. De Franse protestanten, die honderd jaar lang door kerk en koning tandenknarsend gedoogd waren, moesten zich bekeren of vertrekken. Een fatale vergissing. De protestanten zochten een veilig heenkomen in de Republiek en Zwitserland, en vormden de ruggegraat van de radicale 'Republiek der letteren', een netwerk van vrijdenkers die met hun illegale, vaak anonieme geschriften de basis legden voor de 'Eeuw van de Verlichting'. Met als slotakkoord de Franse Revolutie.


Die 'filosofen' waren aanvankelijk niet meer dan een stelletje raddraaiers, zo benadrukt Rienk Vermij in zijn boek De geest uit de fles. Die broodschrijvers en amateurtheologen (en een enkele salonradicaal zoals Voltaire), met hun grenzeloze bewondering voor de wetenschap en hun verering van 'De Rede' als middel tegen alle kwalen, zouden pas in de tweede helft van de 18de eeuw echt invloed gaan uitoefenen. Althans, zo leek het. 'Verlichte' vorsten omarmden de idealen van de Verlichting als wapen in de strijd tegen de conservatieve adel en geestelijkheid. Vermij beschouwt de Verlichting niet als een onvermijdelijke stap op het pad der vooruitgang, maar wil haar beschrijven als resultaat van maatschappelijke veranderingen.


De geest uit de fles opent met een helder overzicht van de wetenschappelijke, politieke en religieuze ontwikkelingen die de Verlichting in gang hebben gezet. Maar toch, naarmate de eeuw vordert, gaat in Vermijs boek de traditionele visie overheersen. Dan draait het toch om filosofen. De doorbraak rond 1750 is blijkbaar te danken aan Diderot en zijn Encyclopédie, en de latere roep om democratie aan Jean-Jacques Rousseau en zijn Émile. Dat traditionele beeld is niet eenvoudig te vervangen en Vermij kan zijn belofte uiteindelijk niet inlossen. Desondanks blijft De geest uit de fles een zeer leesbare inleiding tot de eeuw van de Verlichting. Een eeuw waarin Europa een unieke richting insloeg.

Rienk Vermij is verbonden aan de afdeling wetenschapsgeschiedenis van de universiteit van Oklahoma.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden