vreemde vogels

Hij is de ideale gast en fokt bij de wilde konijnen af. Toch gaat het niet goed met de Turkse Tortel....

Jean-Pierre Geelen

’t Is weer voorbij, die mooie zomer. Enkel op tv kom je nog een bewoond vogelnest tegen, maar daar klinkt nu slechts de rauwe roep van judomannen, geknal op kleiduiven en hol gekwaak van verslaggevers.

Hier is de gierzwaluw al vertrokken, duizenden visdiefjes sloegen deze weken de vleugels uit naar het zuiden. Schijtlijsters, te bang voor een graadje winter. Nee, dan de allochtonen die we op deze plek bespraken: zij blijven het hele jaar.

Of je het wilt of niet: herberg Nederland is vergeven van de vreemde vogels, die zich niet laten verjagen. Te veel om hier te bespreken – ook deze rubriek is zijn broedseizoen voorbij. Ons ei is gelegd, al broedden we nog op de Canadese Gans, de Krooneend en het betoverende blauw in de vleugel van de Vlaamse Gaai – stond zijn voorouderlijk nest werkelijk bezuiden Wuustwezel? Komt nog wel, ooit, ergens.

We houden het nu bij de Turkse Tortel. Niet de mooiste vogel, wel de enige vreemdeling die dit land op eigen vleugels binnenzeilde. Waar andere ‘exoten’ hun bestaan hier danken aan ontsnapping uit gevangenschap of welbewust uitzetten, kwam de Turkse Tortel na de oorlog vanuit de Balkan naar Nederland gevlogen. In 1949 werd het eerste broedgeval gezien in – of all places – Oldebroek; pas later zou de Turk ook uitwijken naar Frankrijk en Zweden.

De ideale gast: hij houdt van mensen en voelt zich lekker in de conifeer of taxus in uw achtertuin, maar met een wasrekje of verwaarloosde bloempot op het balkon neemt hij ook genoegen als broedplaats.

Onze taal blijft een probleem voor de Turk. Je moet ertegen kunnen, maar zijn landerige gekoer wordt op websites van liefhebbers wel omschreven als ‘Ik groet u’. De autochtone houtduif houdt het op een vriendelijker ‘Ik groet u zoet, lief’.

De tortel is het zielepietje onder de duiven. Een ielige gestalte, onopvallend, saai van kleur, kringen om de ogen en een zwart (half) halsbandje als enig accent. Hoewel, het is ook een kwestie van kijken: wie het zien wil, ontwaart in het grauwe grijsbruin een bont palet, van het wit op de staartveren tot de rode ogen. De vogelgids weet zijn borstpartij zelfs te voorzien van een ‘wijnrode glans’. Klinkt al poëtischer.

De tortel doet zijn naam eer aan. Hij fokt bij de wilde konijnen af – tot wel vijf keer per jaar komt hij tot broeden. Toch gaat het niet helemaal goed met de Turkse Tortel: na een toptijd in de jaren tachtig (zo’n 150 duizend broedgevallen) halveerde de populatie in de jaren negentig – een raadsel. Hoewel wettelijk beschermd, sneuvelen Turkse Tortels wel door verdwaalde jagerskogels, waarna ze als ‘bosduifjes’ bij de poelier belanden.

Dat heeft hij niet verdiend, die bescheiden mensenvriend. Want gek is het: hoe huiverig je ook kunt zijn voor vreemdelingen, zodra een afscheid dreigt, blijk je je toch aan ze gehecht te hebben.

Het huiswerk voor het komende jaar: de wereld zit vol rare snoeshanen; leer ermee leven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden