Vrede in Europa spreekt niet vanzelf

Het Europese pacificatieproject is breekbaar. Als de euro klapt, ligt een terugval naar het 'ieder voor zich' uit de jaren dertig voor de hand.

DIRK-JAN VAN BAAR IS HISTORICUS.

De toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Europese Unie, die op 10 december in Oslo wordt uitgereikt, heeft tot honende commentaren geleid. Met de eurocrisis die in Zuid-Europa voor sociale spanningen en massademonstraties zorgt, beleeft de EU bepaald geen glorietijd. Het Nobel Comité maakte zich ook kwetsbaar door naar de pacificerende rol van Europa op de Balkan te verwijzen. In het voormalige Joegoslavië was de EU onmachtig en stelde de NAVO orde op zaken.

Maar een politiek-militair bondgenootschap een vredesprijs geven, gaat de neutralistische Scandinaviërs een brug te ver, zoals zij het ook nooit hebben aangedurfd het Vaticaan te onderscheiden, hoewel vanuit Rome door paus Johannes Paulus II als geen ander de vrede is gepredikt - niet alleen tussen Oost en West, maar ook tussen de diverse wereldgodsdiensten.

Mij stemt vooral de timing van het Nobel Comité onbehagelijk. Bijna een eeuw geleden, in augustus 1913, opende koningin Wilhelmina het Vredespaleis in Den Haag, een initiatief van de Amerikaanse filantroop Andrew Carnegie. Hoe dat afliep weten ook niet-historici. In datzelfde 1913 wijdde in Leipzig de Duitse keizer Wilhelm II het militaristische Völkerslachtdenkmal in, ter herinnering aan de Europese slachtpartij die daar honderd jaar eerder tegen de terugtrekkende troepen van Napoleon had plaatsgevonden.

De 'eeuwige vrede' is in ons werelddeel dus allerminst gegarandeerd. Pas als we de komende honderd jaar zonder oorlog doorkomen, kunnen we zeggen dat de EU als pacificatieproject is geslaagd. In 2012 al de Nobelprijs voor de Vrede krijgen, is de goden verzoeken. Maar je kunt de prijs ook als startschot zien voor alle discussies die komen als straks met de schoten van Sarajevo (28 juni 1914) die de Eerste Wereldoorlog inleidden 'de oerknal van de 20ste eeuw' wordt herdacht. Met het oog daarop is het Nobel Comité iedereen een slag voor geweest.

Slapende beer

Laten we alle festiviteiten aangrijpen voor een debat over Europa, dat 'nooit meer oorlog' als credo heeft, een credo dat volgens critici hol en sleets is geworden. Wie iets van de Europese geschiedenis weet, kan zich verbazen over zoveel historisch onbenul, maar daarmee is nog niet gezegd dat de EU voor de Europese vrede ook onmisbaar is. Dat kun je oprecht betwijfelen. Niet voor niets staan vreedzame landen als Noorwegen en Zwitserland buiten de EU, en het is waar dat Europa voor zijn veiligheid op de Verenigde Staten is aangewezen en dat niet zelf kan.

Dat een macht van buiten kwaad zou willen, is verre van denkbeeldig. Niet alleen maakt Rusland zeker sinds de veldtocht van Napoleon deel uit van de Europese machtsbalans, maar de Sovjet-Unie 'pacificeerde' tijdens de Koude Oorlog ook Oost-Europa, geopolitiek gezien de grootste brandhaard. Het huidige Rusland is niet meer het Rijk van het Kwaad van weleer, maar onder Vladimir Poetin zoekt het naar eerherstel en oefent het al druk uit op het 'nabije buitenland' in Wit-Rusland, Georgië en Oekraïne, republieken die net als de Baltische staten - nu EU-lid - tot de Sovjet-Unie behoorden. U dacht dat Tallinn, Riga en Vilnius voortaan van Russische stokerijen gevrijwaard zijn? In West-Europa denkt niemand daarover na, in Oost-Europa weten ze beter. Maar misschien is het voor onze gemoedsrust het beste om hier geen slapende beren wakker te maken. Dat is zo ongeveer de 'strategie' van Europa tegenover elk gevaar van buiten.

Dat klinkt cynischer dan het is. Wie denkt dat Europa op elke buitenland-se dreiging moet zijn voorbereid, veronderstelt een afbakening die niet bestaat. Waar de Europese buitengrenzen precies liggen, is vooral naar het Oosten toe bewust vaag gehouden. Het IJzeren Gordijn dat tijdens de Koude Oorlog voor een overzichtelijke wereld zorgde, is er niet meer en de EU heeft stabiliserend werk verricht door met de uitbreiding naar Oost-Europa een gevaarlijk machtsvacuüm op te vullen. Dat gebeurde overigens pas vanaf 2004, en daar ging de uitbreiding van de NAVO - in 1999, aan de vooravond van de Kosovo-oorlog - aan vooraf. Dat laat opnieuw zien hoe belangrijk het Atlantisch Bondgenootschap, waar Rusland een bijzondere status geniet, nog steeds is.

In deze alliantie zit wel een flinke splijtzwam. De VS en Groot-Brittannië zouden graag zien dat NAVO-partner Turkije ook EU-lid wordt. Duitsland en Frankrijk denken daar inmiddels anders over. Uitbreiding van de EU naar het Oosten wordt weliswaar nog steeds open gehouden, maar de Bosporus - in Ankara zetelt tegenwoordig een 'islam-vriendelijke' regering - is echt een brug te ver.

Tegelijk zien we aan westelijke kant de Britten, in 1940 de eenzame verdedigers van onze democratische vrijheden, steeds meer afstand nemen van de EU. Dat heeft consequenties voor een gemeenschappelijk Europees buitenland- en defensiebeleid. Dat is zonder de Britten - die met de Fransen een veto binnen de VN hebben - bij voorbaat tandeloos.

Gratis veiligheid

Er bestaat in Brussel een neiging om het afdrijven van de Britten voor kennisgeving aan te nemen, uit vermoeidheid over de Britse euroscepsis. Maar een officieel vertrek van Londen uit de EU zou in één klap een eind maken aan de illusie dat Europa ooit op eigen benen kan staan, een vooruitzicht waarmee de Amerikanen tot nu toe zijn gepaaid. De VS willen niet tot in lengte van dagen instaan voor de Europese veiligheid, zeker niet als de Europeanen die ook nog eens gratis willen. Het zou kunnen dat de NAVO haar beste tijd heeft gehad. Toch is het zo dat de EU zonder Atlantische inbedding geopolitiek gezien gaat zweven. Dat is in niemands belang, ook niet in dat van Amerika. Zolang deze breuklijnen niet echt op de proef worden gesteld, kunnen alle partijen blijven doen alsof ze niet bestaan.

Op nieuwe Atlantische stresstests zit niemand te wachten, die zijn er de afgelopen jaren genoeg geweest. Aan de vooravond van de Irakoorlog maakt de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld smalend onderscheid tussen het 'oude' en het 'nieuwe' Europa, waarbij Duitsland en Frankrijk zich uit lafheid en gemakzucht zouden drukken. Omdat Bush en Blair daarna in Irak op hun gezicht gingen, liep dat met een sisser af.

Pacificatie

Buiten Europa bevinden zich conflictgebieden waarmee Europa van oudsher banden heeft. Het is goed te beseffen dat de West-Europese landen een koloniaal verleden hebben en daaraan een eigen kijk op de buitenwereld ontlenen die niet zomaar op een gemeenschappelijke noemer kan worden gebracht. Dat geldt voor Engeland en Frankrijk (en voor Spanje, Italië en Duitsland), maar ook voor 'kleintjes' als Nederland, België en Portugal. Het is opmerkelijk dat de ontbinding van hun koloniale rijken, en de vuile oorlogen die daarbij hoorden, geen negatieve weerslag hebben gehad op de Europese integratie die in diezelfde tijd van start ging. Ik denk dat dit komt door het unieke karakter van het Europese pacificatiestreven, dat vanaf de jaren vijftig geheel op interne verzoening was gericht en de in chaos uiteenvallende koloniale rijken aan nieuwe opkomende machten kon uitbesteden. De VS mochten de brokstukken opvangen en kregen de schuld als dat niet lukte.

De Europese Gemeenschap van Kolen en Staal, in 1951 opgericht, was een pacificatieproject naar binnen toe, waarbij de zware industrie van Duitsland en Frankrijk onder Europees beheer kwam te staan. Een briljant plan, dat de basis legde voor hun historische verzoening. Tot een Europees leger kwam het niet, omdat de Fransen op defensiegebied hun handen wilden vrijhouden. Een blessing in disguise, waarbij de netelige kwestie van de Duitse herbewapening binnen de NAVO kon worden opgelost. Europa concentreerde zich op economische samenwerking en groeide uit tot een civiele macht.

Dat 'praktische pacifisme', uit nood en gelukkig toeval geboren, verplicht tot een conflictmijdende opstelling tegenover de buitenwereld, waar geen vuist kan worden gemaakt, en tot een steriel technocratisch progressivisme naar binnen toe, een aanpak die we ook zien bij de trots van het Europese model - de nationale verzorgingsstaten. Ook die pacificeren door problemen eindeloos op de lange baan te schuiven of tot technische kwesties te herdefiniëren. Bij politisering komen te veel emoties los. Europa moderniseert, integreert en steriliseert, of het zal niet zijn. We zien dat bij de eurocrisis, die tegenstellingen oproept die de euro moest wegnemen, en de EU tot een vlucht naar voren verplicht. Dat maakt het Europese pacificatieproject breekbaar. Als de euro klapt, ligt een terugval naar het 'ieder voor zich' en het protectionisme uit de jaren '30 voor de hand. Zo is het denkbaar dat Spanje - een Europees succesverhaal - weer naar een burgeroorlog afglijdt vanwege regionale tegenstellingen die nooit helemaal zijn verdwenen.

En de onvrede woelt dieper. Het protestantse deel van Europa beklaagt zich over de ondeugden van het katholieke deel, alsof de dagen van de reformatie zijn teruggekeerd. Denk niet dat de vrede in Europa vanzelf spreekt, omdat de jeugd alleen nog in goedkope vliegvakanties en i-phones is geïnteresseerd en war no longer pays. Dat laatste dachten ze honderd jaar geleden ook. Eigenlijk heel logisch dat het Nobel Comité de EU juist nu meent te moeten onderscheiden. In Scandinavië weten ze politieke correctheid te waarderen, desnoods tegen de keer in.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden