Vorstelijke haas

De jacht, een achterhaald tijdverdrijf? Om de dooie dood niet, vindt schrijver én jager Jaap Vissering. De tijd dat je als jager werd uitgekotst, is voorbij...

Een haas. Dat is waar Jaap Vissering zijn zinnen op heeft gezet. Een volle haas, of liever een drieling van een maand of vier, vijf oud, die het beste vlees levert voor een vorstelijke haas à la royale, met rode wijn en bietjes, of geserveerd als filet met aardappel, gebakken bloedworst en gesmoorde ui.

Een eend is ook fijn, de filet lekker kort gebakken, even te ruste gelegd zodat de sappen zich weer kunnen verdelen, opgediend met warme appeltjes en calvadossaus en de boutjes tergend langzaam gegaard in pruttelend ganzenvet, zodat het vlees zo van het botje je mond in glijdt.

Maar een haas, dat is pas echt de ware. Ze moeten hier zitten, zegt Jaap Vissering. Hij staat voor een veld vlak bij het Drentse dorp Wezup. Het hoog opgeschoten gras glanst vochtig onder de lichtgrijze hemel waar de zon af en toe doorheen piept.

Vissering schuift twee hagelpatronen in zijn dubbelloops jachtgeweer van ouderwets Oost-Duitse makelij. Zijn jachtvriend Jaap Hut roept zijn jachthond Aska, een bruinharige Duitse staander, bij zich. `Als jij nou de rechterkant van het veld neemt`, zegt Vissering, `dan doe ik de linkerkant.`

Even later struinen de twee mannen in hun gedekt gekleurde pakken en rubberlaarzen door het kniehoge gras, zigzaggend over het veld, spiedend naar wild, het geweer in de aanslag.

Iets van de mens in zijn oerstaat als jager en verzamelaar leeft voort in de jager van nu. In gesublimeerde vorm, dat wel. Jagen voor voedsel hoeft de supermarktmens allang niet meer. En het jachtveld is ook niet meer helemaal wat het tienduizend jaar geleden was.

Vinex-wijken, wandelpaden, militaire oefenterreinen, stiltegebieden, faunabeheereenheden, jachtaktes, wildschadebestrijdingsplannen en Bijzondere Opsporingsambtenaren (BOA) zijn de obstakels waar de jager van nu zich een weg door moet banen.

Waarbij dan al gauw de vraag opdoemt: kan het eigenlijk nog wel, jagen? Of is het achterhaalde folklore, een anachronistisch tijdverdrijf van mannen op middelbare leeftijd? Want hoewel er inmiddels vijftienhonderd vrouwelijke jagers zijn in Nederland, op een totaal van dertigduizend, blijft jagen toch vooral een mannensport.

Achterhaald? Uit de tijd? Om de dooie dood niet, zegt Vissering. Natuurlijk, de regels knellen soms. Een tijd terug werd zijn hulp nog ingeroepen door een boer wiens koolplanten werden aangevreten door hazen. Of Vissering en zijn maten die konden schieten.

Het was buiten het seizoen, dus er moest een ontheffing worden verleend. Er kwamen acht ambtenaren langs, er werd een stapel papier met stempels opgesteld. Uiteindelijk kwam de ontheffing, maar toen hadden de hazen de koolplanten al op.

Zeker, het is veranderd en de jager heeft zich noodgedwongen aangepast aan de tijd. Maar of je het wilt of niet, jagen staat op je harde schijf, zegt Vissering, die tweehoog woont in Rotterdam, maar opgroeide op het Groningse platteland.

Jagers, dat zijn de mannen die als jongetje torretjes en kikkervisjes vangen, en later als ze groter worden een pijl en boog maken om op spreeuwen te schieten. Natuurmensen zijn ze, die niets liever doen dan door het bos en het veld banjeren. Dat kan ook heel goed zonder geweer, geeft hij toe. `Maar je wilt er toch iets van meenemen, dat is een soort oergevoel. Als ik een haas heb geschoten, maak ik die thuis klaar, trek ik er een lekkere fles wijn bij open, voel ik me zo trots als een apie. Dan is de cirkel rond.`

En natuurlijk is er de spanning voor het schot, de adrenaline die door je lijf gutst terwijl je wacht of een ree zijn zijkant aan je laat zien voor een zuiver bladschot, recht in de hartstreek, de donderende ontlading van het schot zelf en het korte moment van twijfel: valt ie wel of valt ie niet? `Meestal wel.`

`Het is een spannend spel, avontuurlijk en sensationeel`, zegt Vissering met glimmende ogen. En laten we vooral de voldoening van de buit niet vergeten: een fijn stuk wildbraad, het enige echte scharrelvlees van Moeder Natuur.

Om de jachtbuit gaat het in Visserings zojuist verschenen boek, Het Nederlandse jachtwild kookboek. Vissering is behalve jager ook freelance schrijver en kok. Sinds zeven jaar schrijft hij de culinaire rubriek voor De Jager, het blad van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV).

Een aantal van die recepten zijn gebundeld in het kookboek. Maar Vissering heeft meteen de gelegenheid te baat genomen ook wat te vertellen over het ontstaan en de ontwikkeling van de jacht in Nederland. Want de meeste mensen weten niet waar ze het over hebben als ze over de jacht praten, zegt hij.

Uit die geschiedenis blijkt dat de jacht eigenlijk al plezierjacht is sinds de jager/verzamelaar landbouwer werd, zo`n tienduizend jaar geleden. Vanaf dat moment ging het niet meer om de knikkers, maar om het spel. Jagen gold als sport en vermaak voor edelen of als training voor de `echte` oorlog.

Eeuwenlang was het een voorrecht van welgestelden. Dat imago kleeft de jacht nog steeds aan, dat het een tijdspassering is voor rijke patsers met dure geweren en glanzende Landrovers. Die zíjn er, zegt Vissering. Nog steeds. Maar de andere helft van de jagers zijn gewone mannen zoals hij en zijn maat Jaap, een timmerman.

Het had trouwens maar een haar gescheeld of het was gedaan met de jacht in Nederland. In de jaren negentig was de anti-jachtlobby zo sterk dat er een Kamermeerderheid was die de jacht wilde afschaffen. Vóór zijn, gold destijds als politiek zeer incorrect gedrag.

Die mening is gelukkig gekenterd, aldus Vissering als het tijd is voor een korte pauze met een slok whisky uit een zilveren zakflesje. `De tijd dat je als jager werd uitgekotst, is voorbij.` Vroeger waren er nog wel eens auto`s die stopten en claxonneerden als je in het veld was, zegt Hut, die zijn shagbuil trekt. `Dat gebeurt nu minder.`

Algemeen wordt inmiddels erkend dat beheersjacht nodig is om de wildstand op peil te houden. Jagers zelf zijn ook opener geworden in het laten zien waar ze mee bezig zijn. Maar de term plezierjacht is nog altijd beladen. Het stuit velen tegen de borst dat mensen plezier kunnen beleven aan het doden van dieren.

Ze snappen het niet, zegt Vissering. `Ze doen alsof wij voor onze lol in het wilde weg op alles schieten wat beweegt. Waanzin.` Een jager ziet het wild als kapitaal op de bank. Wat hij weghaalt, is de rente. `Maar het kapitaal laat je staan, anders heb je volgend jaar niks.`

Wat zouden de mensen dan willen? Beroepsjagers aanstellen? Betaalde ambtenaren die er met het geweer op uit worden gestuurd om te schieten? Een idioot idee, dat een hoop geld kost.

Hobbyjagers doen het werk nu kosteloos en leggen er zelfs geld op toe. Vissering betaalt met vijf vrienden 4500 euro pacht per jaar voor hun 400 hectare grote jachtveld. Dat geld gaat naar de boeren die eigenaar zijn van het land.

Jaarlijks halen ze er zo`n zes reeën, vijftien hazen, twintig eenden en een stuk of wat duiven af. Bij de poelier ben je goedkoper uit. Met een beetje goede wil zou je de jacht kunnen zien als onbetaald vrijwilligerswerk.

Het aantal jagers ligt rond de dertigduizend, een aantal dat geleidelijk daalt. Evengoed is het dringen geblazen. Jachtvelden zijn schaars, het is niet gemakkelijk ergens tussen te komen. Een jachtveld is essentieel, want zonder veld krijg je geen jachtakte en zonder akte geen geweer.

Sommige gemeenten bieden jachtvelden bij opbod aan. De prijzen kunnen oplopen tot 120 euro per hectare, heeft Vissering gehoord. `Dat zou betekenen dat een veld als het mijne 48.000 euro per jaar kost.` Aan de andere kant zijn er nog steeds jachtvelden waar de pacht bestaat uit een haas en een fles jenever voor de boer.

Een uitweg is het buitenland. Een kwart van de Nederlandse jagers gaat naar het buitenland, waar nog op groot wild gejaagd kan worden, zoals in Afrika op de Big Five: olifant, leeuw, buffel, cheeta en neushoorn. Jaap Hut, die met de buks in de hand is geboren en zijn eerste fazant schoot op zijn 13de - illegaal - is ook in Afrika geweest.

Hij heeft thuis de kop van een zelf geschoten impala hangen. Het schot kostte hem 600 euro, het opzetten van de kop 1000 euro. Machtig mooi was het. Maar als puntje bij paaltje komt, gaat er niks boven een ouderwetse Drentse `peuterjacht`: met een paar maten en een hond door het veld struinen en maar zien wat zich aandient.

Vandaag is dat niet veel. Niks, beter gezegd. Vruchteloos doorkruisen Vissering en Hut de grasvelden, bosjes en braakliggende akkers van het jachtveld. Eén keer vliegt een duif op uit de bosrand. `Te ver weg`, bromt Vissering. De afstand waarop ze schieten is dertig tot veertig meter. Een houtsnip komt wel in het vizier. `Een prachtig stukje wildbraad`, aldus Vissering. Maar beschermd.

In Nederland mag maar op een aantal diersoorten worden gejaagd: haas, konijn, fazant, eend, duif, ree, hert en zwijn. In het kader van schadebestrijding mag ook geschoten worden op de zwarte kraai, de kauw en soms op de vos.

Hazen laten zich niet zien vandaag. Toch is het zeker dat ze er zijn, weet Hut. `Maar ze kunnen zich zo goed verstoppen dat je er op een meter afstand langs kunt lopen zonder ze te zien.` We jagen ook wel een beetje `ruim`, zegt Vissering. Als je met meer mensen bent, kun je een terrein grondiger uitkammen.

Bij een tussen het riet verscholen poel water kijkt Vissering verwachtingsvol in de lucht of er een eend wil opvliegen. Niks te zien. Met een zucht draait hij zich om en loopt het veld weer op als ineens met hevig klapperende vleugels twintig, dertig eenden het luchtruim kiezen.

Met twee donderende klappen schiet hij zijn beide lopen af. Twee keer mis. Hij pruilt. `Ik zat erachter.` Het blijft vandaag bij een `gewapende wandeling`, zoals Vissering het uitdrukt.

Met lege handen komen we terug in café Hegen, waar de jagers zich altijd verzamelen voor de après chasse, de nazit, onder jagers net zo`n begrip als de `derde helft` in de voetbalkantine. Vissering baalt nog steeds een beetje. `Die eenden, dat was een kans. Die heb ik zelf verprutst.`

Maar het is geen schande. En een ramp is het al helemaal niet. Een ramp is het als je als jager een andere jager raakt. Het overkwam Hut als jochie van negen. Hij kreeg de volle lading van een jager die zo gefixeerd was op een fazant, dat hij niet meer oplette waar hij schoot.

Hut kreeg hagel in zijn lijf en hoofd. Zijn rechteroog werd ook geraakt; dat is nu van glas. De jager die het deed, heeft sindsdien geen geweer meer aangeraakt. En Jaap Hut hoeft nooit meer één oog dicht te knijpen als hij aanlegt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden