Vorm van vent

Hoe kan het dat Ik Jan Cremer, 50 jaar geleden verschenen, ook nu nog zo sensationeel jong en ferm aandoet? Meer nog dan in het onverwoestbare schelmengehalte ligt het geheim in de stijl, ontdekte Arjan Peters.

Op het Boekenbal van 1964 deelde een 23-jarige jongen, die zonder kaartje het Concertgebouw in Amsterdam binnen was gekomen, exemplaren uit van zijn zojuist gedrukte debuut. Ongewoon brutaal stond de auteur zelf op de cover, gezeten op een geleende Harley Davidson. Ongehoord was ook de titel die van elke bescheidenheid verstoken was, Ik Jan Cremer. En dat er op een eerste druk (oplage vijfduizend exemplaren) reeds gewag werd gemaakt van 'n onverbiddelijke bestseller', had voorheen al evenmin iemand gedurfd. In de eerste zin van het boek kwamen we prompt voor de tweede keer de eerste persoon enkelvoud tegen: 'Ik werd geboren aan de vooravond van de tweede wereldoorlog'.


In de loop der decennia is er veel geschreven over het boek dat op 28 februari 1964 van de persen rolde, en waarvan in de eerste week alle vijfduizend exemplaren werden verkocht. Op 27 november waren dat er al 100 duizend, na twee jaar 200 duizend. Volgens het Letterkundig Museum zouden er wereldwijd zo'n 12 miljoen verkocht zijn. De media-belangstelling gaat dikwijls uit naar de onorthodoxe wijze waarop het boek werd gelanceerd. Begrijpelijk, want die is bijzonder; van Cremers omslagontwerp tot de gedetailleerde reclamecampagne die hij al op 11 november 1963 aan zijn uitgever Lubberhuizen van De Bezige Bij ontvouwde, met een bioscoopprojectie, een grammofoonplaat, en advertenties op de voorpagina's van kranten: 'de kop van het Symbool met WIE IS DIT?', en de winnaars kregen dan een kleurenfolder thuisgestuurd 'die hen dwingt terstond IJC uit de boekhandel te halen'.


Het lukte ook nog allemaal. Zelfs het plaatje. Heb ik ooit antiquarisch aangeschaft. Al moet ik bekennen dat ik die in november 1964 uitgebrachte, hemeltergende single van Jan Cremer and his Jazzmen, getiteld Boom Boom ('de onverbiddelijke hit', welja, op muziek van John Lee Hooker), als ook de achterkant Good Morning Little Schoolgirl slechts in een zeldzaam melige bui op de draaitafel leg.


Erg mooi zijn ook de klaagbrieven die Cremer zelf naar kranten stuurde onder pseudoniemen als G.J. Winter ('het schandalige boek Ik Jan Cremer') en mevrouw Wolff-V.d. Brink ('toen ik er 10 blz in gelezen had (mijn dochters hadden het gekocht), heb ik het direct in de vuilnisbak gestopt, waar het dan ook precies thuishoort!'). Die hielden het vuurtje wakker. Gunstig voor de verkoop waren verder de recensies die op laffe wijze uiting gaven aan bedenkingen (de anonieme recensent van de NRC: 'Men kan zeggen dat Ik Jan Cremer niets met literatuur uitstaande heeft, maar wie zal het precies bepalen?'), of die ronduit negatief waren, zoals J. Bernlef in De Groene Amsterdammer: 'geen oog voor details', 'verspilt zijn materiaal op gruwelijke wijze', 'geen schrijver'. J. van Doorne van dagblad Trouw spande de kroon: 'De gedeeltelijk gefantaseerde biografie van een schoft', 'Cremer is een viespeuk en een misdadiger', 'De Bezige Bij een stinkuitgeverij.' Hier tegenover stonden Jan Blokker in het Algemeen Handelsblad ('zeldzaam authentiek talent') en Adriaan Morriën in Het Parool: 'Hij beseft waar zijn kracht schuilt, zoals een goede bokser dat weet'.


De armlastige kunstschilder die een vriendin, Hester Le Clercq, en twee kleine kindjes moest onderhouden, en die zijn boek in de jaren ervoor op een aftandse, gehuurde typemachine op het eiland Ibiza had geschreven, leek sprekend op de lefgozer wiens anekdotische succesverhaal in Ik Jan Cremer te boek was gesteld, en die je met een kop van hád-je-soms-wat vanaf het omslag recht aankijkt: zelfverzekerdheid is het halve werk.


Maar het schelmenverhaal heeft ook een andere kant. Die komt aan het licht als je alle 145 flitsende hoofdstukken na jaren weer eens leest. De hoofdpersoon heeft zijn vader Jan nooit gekend (een rusteloze avonturier van 'twee meter tien' die bij zijn vijfde vrouw onze held verwekte), omdat die stierf toen Jan twee jaar was. Jans Hongaarse moeder, de balletdanseres Rózsa Csordas-Szomorkay, kon niet voor hem zorgen, waarna een rondtocht langs internaten, dertien lagere scholen en weeshuizen begon. Omdat hij nergens bij hoort, moet hij zijn eigen gang gaan om overeind te blijven. Hij zit in de jeugdgevangenis, vaart als lichtmatroos, komt in Algerije en Istanbul, werkt op een vleeswaren- en conservenfabriek, als lakei in een toneelstuk, overnacht in een Belgisch ziekenhuis met nog net niet dode patiënten, is student aan de kunstacademie, en ondertussen versiert hij het ene meisje na het andere, 38 in totaal. In de lijst met 86 onnette woorden die ene Denis Arnolds (een pseudoniem van de journalist Clé Souren) in 1965 turfde voor de flodderige documentaire Hij Jan Cremer kwam 51 keer naaien voor, 23 keer klootzak, 19 keer neuken, 11 keer slet, 53 keer poen, 41 keer stront, 11 keer tieten en 3 keer tiefushoer.


Een komische schooier, een jofele jongen, een naoorlogse schelm. Maar ook een eenling die het lang zonder geborgenheid heeft moeten stellen, en die ontdekt dat er nergens een autoriteit bestaat die respect verdient. Als Nederland wordt bevrijd, verbaast het hem dat achteraf ineens iedereen een verzetsheld is geweest, terwijl hij weet: 'De Nederlander verschilt niet zoveel met de mof'. Het schorem en de verraders zijn overal.


Van kunstenaars moet hij ook niet veel weten. Toen Jan reclameschilder was, kwam daar op het bureau ook wel eens een artiest langs. 'Hij schilderde dingen waarvan je niet kon zien wat het was: abstract. Hij had een grote hangsnor en 'n kachelpijpiesbroek aan.' Hier schrijft Cremer net als Nescio: de kunstenaar die de artiest uithangt, dat kan geen echte zijn. Later krijgt hij de zenuwen van een vriendin die Dichteres blijkt te zijn. 'Ze noemde me: "nerveuze schijngestalte, hoe hunkrend staat hij daar?" en meer van die lullige rijmseltjes. Van dat ik dood tussen de bloemen lag, of een standbeeld was dat op kon staan.' De Dichteres gaf hem Freud, Nietzsche en Kant te lezen. 'Erg interessant maar ik had er geen zin in.' Even later vliegt haar pick-up door het raam, en is ze vertrokken, op de Vespa. En dan komt Jans triomf, in twee genadeloze zinnen: 'Ze is later getrouwd met een reclameman. Nu maken ze samen advertentieteksten voor cacao, badpakken en Onmerkbaar Beschermingsmaandverband.' Zie je wel. Achter de hooggestemde artieste zat een burgertrut. Terwijl de echte kunstenaar niet anders kan dan trouw zijn aan wat zijn hart en ziel hem opdragen. Varend op dat kompas kan hij nooit voor de bijl gaan.


Het leven is een eenmansguerrilla en niemand verdient solidariteit: bijtend is het hoofdstuk dat speelt op de conservenfabriek en in het abattoir. Je ziet het bloed gulpen en ruikt de stank van paarden, varkens en koeien. 'Ik moest de varkens het luik induwen maar liet ze expres lopen.' En al redt zijn insubordinatie de beesten niet van een gruweldood - Ik Jan Cremer is een voorloper van de Partij voor de Dieren. Als het waar is dat Friedrich Nietzsche in 1889 snikkend een paard in Turijn omhelsde dat door een koetsier was afgeranseld, dan kunnen we fraai het verschil laten zien tussen een sensitief filosoof en een dierenminnende straatjongen die de kunst van het overleven beheerst. Want als 13-jarige jongen zag Jan Cremer dat een voddenman zijn schimmel afranselde. Wat deed Jan? Hij trok de man van de bok en sloeg hem het licht uit z'n ogen met een stuk ijzer dat hij uit de kar pakte. Althans, zo zou hij het zich in het tweede deel van zijn levensbeschrijving herinneren.


Kort na het huiveringwekkende abattoir-verhaal komt de infernale scène in het Belgische hospitaal waar Jan de nacht moet doorbrengen: 'Het was wel 'n mooi kolerezootje. En stinken! Vreselijk. Naar rot vlees, ether, bloed en urine.' Als Jan veel later op de boot naar Ibiza 's nachts op het dek over het uitgestoken been van een oude slapende man struikelt, schrikt hij zich 'het lazerus' als het been een meter vertikaal wegschuift. De oude wordt wakker en pakt zijn been op. 'Het was een houten been, met een schoen en sok eraan en hij legde het vlak naast zich neer, draaide zich om en ging weer verder slapen. Ik kreeg verschrikkelijk medelijden met die figuur, ik ging haast huilen en kroop weer op m'n slaapplaats.'


Cremers pr moge puik geweest zijn, maar zijn stijl zat ook snor, en die zorgt er voor dat het verhaal van de verschoppeling die een beroemdheid werd onverslijtbaar is. De energie van Ik Jan Cremer is nog altijd adembenemend: bijna hijgend genoteerde opsommingen, geacheveerde woordgrappen (in de Scheveningse gevangenis: 'Wij boeten binnen en buiten boetten de visvrouwen de netten'), en ook stilistische waaghalzerij die wonderbaarlijk goed afloopt: 'Ik kreeg liften van vier flikkers, twee vrachtwagens en achterop een meelwagen'. De ongeliktheid is ostentatief maar ook effectief: 'We lieten onze spullen in een cafeetje achter, waar we koffie dronken en ik de pijn in m'n maag lekker uitscheet. Ik probeerde me een beetje jofel te voelen en we ouwehoerden over alles en nog wat.'


De volle vaart is zijn element. Op de Vespa Grand Sport scheurt hij door Parijs en omstreken, met meisjes achterop die dan bang werden. 'Als ze me angstig op mijn schouder tikten bij honderdzeventig, ging ik honderdnegentig.' Dat is de houding die hij zich stilaan heeft aangeleerd: als er niemand is met wie je kunt optrekken, zul je zelf een stap vooruit moeten doen, of liever nog: een flinke dot gas geven. Zijn gespierde en snelle stijl past bij de verschoppeling die in zijn tienerjaren al heeft besloten zich er niet onder te laten krijgen. Zo kan hij zich als vroege twintiger als schilderbeest, barbaar en nozem presenteren, de mythe Jan Cremer kan het land veroveren, de vlotte jongen die alle meiden plat krijgt, van het hoertje Halima in de kasbah in Algerije ('Halima spreekt geen Engels en ik moeilijk Frans. Dus ruzie kregen we niet') tot het vriendinnetje dat bij het ballet was. 'Ik heb veertien balletdanseressen gehad, dus ik weet wat van ballet af! De een met nog hardere kuiten dan de andere. En ze kookten lekker voor me. Een groetenpot, want ze mochten niet te veel calorieën binnen krijgen.'


Cremer is een aanbiddelijke opsnijder, die ervoor weet te zorgen dat er naar hem geluisterd wordt. In 2003 vroeg ik hem met welke schrijver hij zich het meest verwant voelde. Per omgaande kreeg ik een getypte brief met het antwoord: Curzio Malaparte. Natuurlijk, de nonconformistische en honkloze schrijver van Kaputt (1944) en De huid (1949) die er ook niet voor terugdeinsde anekdotes met bluf en bravoure op te tuigen tot een strak verhaal dat je wel móet verslinden, voordat het jou rauw opvreet.


Zoals de nu 73-jarige Jan Cremer in januari nog in HP/De Tijd zei: 'Ik heb geen geduld voor krampachtige mooie literaire zinnen en oeverloos ziekenfondsgelul.' Met alleen lagere school en één klas ulo als opleiding ging Cremer begin jaren zestig op Ibiza aan de slag: 'Met eerst één en daarna de twee vingers op de schrijfmachine', zoals hij in september 2010 memoreerde. Toen werd het manuscript van Ik Jan Cremer (vraagprijs 2 tot 2,5 ton) verkocht aan het Letterkundig Museum in Den Haag. Daar wordt het origineel, een kleurrijk en invloedrijk document, gekoesterd als een cultureel kroonjuweel.


Na 1964 verschenen er veel meer debuten met een min of meer avontuurlijke autobiografie, boeken die iets weg hadden van het stoere oermodel. Het duurde een generatie voordat er echt interessante leerlingen opstonden. In Ik ook van jou (1992) van de toen 27-jarige nachtportier Ronald Giphart onderneemt de hoofdpersoon een 'queeste naar seks en literatuur', waarbij hij zich opgewekt ontdoet van het juk dat Literatuur altijd zwaar en ernstig moet zijn. In Blauwe maandagen (1994) van de toen 23-jarige Arnon Grunberg is het leven een spelletje dat de van school verwijderde, ongrijpbare hoofdpersoon (die Arnon Grunberg heet) al vroeg naar zijn hand leert te zetten - al is zijn rondgang langs meisjes beduidend deprimerender dan die van Jan. 'Munnie in de pokkut en een bebie in bed, daar ging het om', zoals Remco Campert het roofdier Cremer in 1968 typeerde in Tjeempie. Met zo'n playboy zou Grunberg zich alleen in ironische zin kunnen vergelijken.


Het duurde tot 2012 tot zich een auteur aandiende wiens debuut een hommage lijkt in de vorm van een eigentijdse, Turkse variant van Cremers debuut, met een hoofdpersoon die ook ongegeneerd op zoek is naar vrouwen, poen en avontuur.


Uit het begin van Ik Jan Cremer: 'Het was een grote, pikzwarte fabrieksstad aan de Duitse grens waar ik ter wereld kwam.' Uit het begin van Eus, van de toen 28-jarige Özcan Akyol: 'Ik ben geboren en getogen in Koekstad, een niet al te grote plaats langs de IJssel, precies op het grensgebied van twee oostelijke provincies. Mijn vader kreeg van de fabriek een arbeidershuisje toegewezen in een industriestraat.'


In de jeugdgevangenis las de jonge Cremer alle boeken van Charles Dickens, Jules Verne, Karl May, Groot Geschiedenisboek, de Atlas en de Bijbel.


Aan het slot van Eus vraagt de Surinaamse cipier aan de brommende held of hij misschien 'een paar boeken uit de bieb' wil lezen. Ter afleiding. 'Dan verstrijkt de tijd wat sneller.'


In interviews heeft Özcan Akyol verteld dat die kennismaking met de letteren hem tot het schrijverschap inspireerde. Onder de boeken die hij in de bajes las, bevonden zich Louis-Ferdinand Céline en Jan Cremer. 'Een goede raad aan de jongelui', las Akyol in Ik Jan Cremer, 'schrijf zoveel mogelijk, maar vertel je eigen histories! Want het is zo pijnlijk om 'de avonturen van Jan Cremer' in een ander boekje te moeten lezen.' Dat heeft Eus goed begrepen, misschien nog iets beter dan Jan Cremer zelf, getuige Ik Jan Cremer 2 (1966) en Ik Jan Cremer 3 (2008), die elk voldoende lezenswaardigs, maar de facto minder van hetzelfde bieden. De grote knal van het debuut was niet te overtreffen of evenaren.


Een regelrechte epigoon is Akyol niet. In stijl en tempo legt hij het tegen Cremer af. Maar de ondertitel, 'een schelmenroman', het no nonsense-motto van Nescio, en de pontificale boektitel - hier ben ik, of u het leuk vindt of niet - , maken van Eus een sympathieke nakomeling van de roman die ondanks zijn respectabele leeftijd opmerkelijk jong en ferm is gebleven.


Ik Jan Cremer (eerste druk De Bezige Bij; 1964).

De jubileum-editie, ingeleid door Paul Scheffer (Bezige Bij; euro 15,-), verschijnt 7 maart, de dag van het Boekenbal. Op de app Ik Jan Cremer van het Letterkundig Museum is het manuscript te zien.


ENSCHEDEES BEROEMDSTE ZOON

'De stad waar ik geboren ben bestaat uit fabrieken, boeren en rook,' schrijft Jan Cremer in Ik Jan Cremer over zijn geboortestad Enschede. 'Af en toe 's nachts schieten flarden van mijn jeugd door de duisternis. Dan zie ik weer Fabrieksstad met zijn brave wantrouwige bewoners, de harde werkers, de stinkende boeren, de loerende burgers, de vinnige wijven en de stiekeme kindertjes met de snottebellen. En de taal! Als ik die mummelende, wantrouwige, boerse, platte, onuitgesproken klinkende taal hoor, ruik ik weer de mest, de kippen, de koeiestront, de melkfabrieken, en de vlagen roetige rook uit de tientallen gigantische fabriekspijpen.'


Daar is zijn reislust geboren, vertelde Cremer in 2003 aan de Volkskrant, toen zijn reisverhalen werden gebundeld in De wilde horizon.


'Ik ben geboren dichtbij de grens. Daar achter liepen mensen met geweren en honden. Daar komt mijn fascinatie vandaan, dat ik er dan óver wil (...). Als ik ga vliegen, ik zie de deuren dichtklappen en we stijgen op, dán voel ik geborgenheid. Aankomst vind ik jammer. Vlieg maar lekker door, weet je wel.'


In 1998 werd Cremer, als 'Enschedees beroemdste zoon', in de Grote Kerk aldaar toegesproken door Gerrit Komrij: 'Een deel van mijn eerste levensjaar heb ik doorgebracht in een Enschedees ziekenhuis, en dus zeer dicht in de buurt van de toen al rondhoererende, brandschattende, banvloeken uitsprekende, hartenveroverende sympathieke vijfjarige verzetsheld Jan Cremer.' Ook Komrij verklaarde Cremers kracht en dadendrang uit diens afkomst: 'Met de grens in de rug kun je alleen frontaal vooruit.' Tussen 2005 en 2013 zijn er plannen geweest voor een Cremer Museum, in het historische Balengebouw te Enschede. De gemeenteraad keurde de plannen ten slotte af. Cremer zelf houdt hoop. Vooralsnog bestaat het museum alleen als uitgebreide website (cremermuseum.nl).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden