Vorige week overleden kunstenaar was denker en doener tegelijk

'Wat verfspatten', zo is het werk van Cy Twombly weggezet. Terwijl het tere, tedere, grove, grootse kunst is.

Ik beschik over onvoldoende kennis om te kunnen voorspellen of het werk van de minimalistische kunstenaar Donald Judd over, zeg, tweehonderd jaar nog zal worden gezien als belangwekkende kunst. Wel laat ik me graag overtuigen van het kennelijke belang van het werk van Judd, door artikelen te lezen van kenners als Rudi Fuchs en, in de Verenigde Staten, Kirk Varnedoe. Zonder hun kennis en interpretatie van Judds kale, basale blokken, rechthoeken en dozen had ik zijn werk vrij makkelijk links laten liggen. Ik prijs me dus gelukkig dat Fuchs en de andere critici me die kennis hebben overgedragen.


Het is een bêtise om te zeggen: kennis is macht. Het is maar de helft of een kwart van de waarheid. Wie geen macht nastreeft, weet dat kennis een heel andere waarde heeft. Kennis is geluk.


Wat ik wél weet over Donald Judd, is dat zijn misprijzende woorden uit 1964 over het werk van collega-kunstenaar Cy Twombly nu al bijna vijftig jaar lang worden geciteerd en dus vooralsnog de tand des tijds hebben doorstaan. Bij het overlijden van Twombly, vorige week, werd Judd in menig in memoriam geciteerd. Hij schreef over Twombly's werk: 'Er zijn wat verfdruppels en -spatten en een incidentele pennestreek te zien. Verder is er niets te beleven aan deze schilderijen.'


In een aantal herdenkingsartikelen in de Amerikaanse pers haalden kunstcritici bijna verlekkerd dit oordeel van Judd aan. Op artnet.com herdacht Charlie Finch de overleden kunstenaar als volgt: 'Twombly was een non-talent, een elitaire oplichter die in zijn prulwerken schaamteloos verwees naar de klassieken, onder wie Homerus en Kavafis, om te verhullen dat hij tot niet meer in staat was dan het morsen van huis-tuin-en-keuken-verf.' Finch noemde Twombly's oeuvre 'krankzinnig overgewaardeerd' en het product van een 'hersenloze idioot'.


Zozo. Toe maar. Dit in memoriam verscheen zó snel op internet na Twombly's dood dat het vermoeden rijst dat Finch zijn trap na al tijden klaar had liggen.


Het treurige is dat het gescheld van Finch tegenwoordig voor gezonde kunstkritiek doorgaat. We moeten er maar niet te lang bij stilstaan. Veel tragischer is het misverstaan van Twombly's oeuvre door serieus te nemen critici als Robert Hughes en de eerdergenoemde Kirk Varnedoe. Hughes noemde Twombly in een kritiek eens 'De Derde Man, een ijl figuur in de schaduw van het grote tweetal Robert Rauschenberg en Jasper Johns.' Varnedoe schreef: 'Twombly was invloedrijk onder kunstenaars, maar (...) voor de gemiddelde museumbezoeker viel vrijwel ieder schilderij onmogelijk te appreciëren.'


Graag laat ik nu de gemiddelde museumbezoeker in me opstaan. Wie onverwachts en onverhoeds oog in oog staat met een werk van Twombly, zal er misschien inderdaad voor terugdeinzen. Dat overkwam mij tenminste, jaren geleden in het MOMA in New York, toen ik begin twintig was en geen benul had waar deze kunstenaar vandaan kwam, artistiek gezien. Pas later begreep ik dat Twombly zonder diens voorganger Jackson Pollock niet of nauwelijks te duiden, te 'verstaan' is. Twombly meed de publiciteit, gaf zelden interviews. Hij duidde zijn eigen werk nooit. Een zeldzaam interview stamt uit 2000. Twombly zei toen onder meer: 'To me, Pollock is the height of American painting.' Daar konden we het mee doen.


Maar terwijl Pollock te boek staat als de sjamaanachtige oermens die het gebaar van het schilderen tot in het uiterste wilde beproeven, was Cy Twombly doener en denker tegelijk. Hij vormde in zijn eentje de verbindende factor tussen de wilde gebaren van het Amerikaanse abstract-expressionisme en het bedachtzame Europese 'onderzoek' door kunstenaars als Jean Dubuffet en Jean Fautrier.


Klonk de voorafgaande zin schools? Dat moet dan maar. Er valt, indachtig de recente schimpscheuten in de herdenkingsartikelen, namelijk iets te verdedigen: een indringend oeuvre van een kunstenaar die zich niet de minste doelen stelde.


Eén doel was, heel specifiek, het verbeelden van de waanzin die je kan bevangen bij het ondergaan van laaiende hitte in een vrijwel verlaten stad in augustus. In augustus 1961 was Rome uitgestorven; de stadsbevolking vierde vakantie aan de kust, ver weg van de stad waar de muren leken te smelten door de hitte en waar het innerlijk van de weinig overgebleven stedelingen in lichterlaaie leek te worden gezet. Er kookten breinen over.


Cy Twombly was die zomer zo'n 'achtergebleven' stedeling, en het overkokende, malende brein bracht hem tot de zogeheten Ferragosto-reeks, een krankzinnig, anarchistisch aantal doeken waar fallussen in gevecht zijn met Pollockiaanse drippings; waar bruine smurrie en rode strepen als verfgeworden stront en bloed het doek lijken te 'beschadigen'; waar verdwaalde woorden uit verweesd geraakte poëzie op het doek zijn gekrabbeld alsof er een ontoerekeningsvatbare en in delirium verkerende zieke geest aan het driftschrijven is geraakt.


Ze zijn niet 'mooi', nee, die Ferragosto-werken. Ze zijn: intimiderend. Ze zijn: naargeestig. Ze zijn, kijkend naar de uithoeken van die schilderijen: ronduit maf. Maar ze zijn vooral aangrijpend wanneer je ontdekt dat de kliedertaal fragmenten bevat van, inderdaad, Homerus en Kavafis, aangelengd met flinke scheuten Rainer Maria Rilke. En die op het eerste oog banale fallustekeningetjes zijn bij nadere beschouwing tere raketjes die willen opstijgen naar het bruin van de aarde (en de stront) en het rood van de hemel (en het bloed).


Alles in de Ferragosto-werken ademt de geest van de intellectueel-tegen-wil-en-dank die zijn obsessie met de idiot savant wil uitvergroten en botvieren. Twombly was - en hier komen de Grote Woorden - jaar na jaar op zoek naar de Heilige Graal van het schildersgebaar, maar die was misschien uitsluitend te vinden binnen de domeinen van de gekte, de drift; binnen de duistere uithoeken van de geest.


Is alles wat deze man maakte dan even onbegrepen als briljant? Ik aarzel. Nog steeds zijn er werken van Twombly waar ik gehaast en enigszins ongemakkelijk aan voorbij ga. Dan is het te rauw, te particulier en soms ook, inderdaad, te gemakzuchtig gedaan. Maar het beste werk - naast Ferragosto bijvoorbeeld ook de alweer reusachtig grote Four Seasons - is veel meer dan een aanvulling op of uitbreiding van het Amerikaanse abstract-expressionisme.


De sterkste werken van Twombly doen een poging het allerhoogste te onttronen: de taal. Overal waar je komt in het oeuvre van Twombly trilt en siddert het van taal: van regels, woordbrokken, afgereten zinnen - maar ook van letters die geen letters blijken te zijn. Behalve Twombly-bashers bestonden er ook Twombly-exegeten. Roland Barthes is wel de beroemdste onder hen. Barthes ontdekte in al die veegsels van taal Twombly's zoektocht naar de wereld waarin de taal een 'voorwerp' zou worden. Wát Twombly schreef onttrok zich aan de gangbare taal; hij ontwierp een tegelijk onbestaande maar ook onbesuisd aanwezige werkelijkheid.


Ik merk: ik vlieg een beetje weg. Op vleugels van lyriek en liefde voor dit werk. Nu kan ik stoer gaan doen en beweren: wie net als malle internet-held Charlie Finch aan Twombly komt, komt aan mij. Maar zo bedoel ik het niet - en daar gáát het ook niet om. Wie aan Twombly komt, komt aan tere, tedere, grove, grootse kunst. Twombly's grote voorganger Jackson Pollock is in zijn werk vaak overdonderend en overrompelend; het oeuvre van Cy Twombly is daarentegen amechtig en aangrijpend.


Een paar jaar geleden gaf in een klein museum in Frankrijk een jonge vrouw een van Twombly's doeken een kus. Er bleef een lippenstift-afdruk achter op het teerst denkbare wit. Ik begreep die kussende vrouw wel. De wanhopige woestenij en de frêle stiltes op de doeken van Twombly wekken tederheid op.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden