Voorwaarts, en maar gauw vergeten

Dezer dagen is het veertig jaar geleden dat Mao Zedong de Culturele Revolutie begon, maar China koestert netjes zijn van boven opgelegd collectief geheugenverlies.

Toen de Chinese leider Mao Zedong en zijn rechterhand maarschalk Lin Biao, chef van het Volksbevrijdingsleger, in de voorzomer van 1966 de Grote Proletarische Culturele Revolutie begonnen, was Zheng directrice van een middelbare meisjesschool in Shanghai. Ze was een christen ook, meldt werkverslag 1968-1 van het Shanghai Comité Voor De Culturele Revolutie.

Wat er met mevrouw Zheng is gebeurd meldt het vergeelde document, weinig meer dan een schoolschrift, niet. Ze is opgepakt en haar dagboek is gevonden, zoveel is duidelijk. Want anders was Zheng Qiru niet in het verslag van het revolutionair comité gekomen. Het is mogelijk dat ze het overleefd heeft. Ze kan haar contrarevolutionaire zonden bekend hebben, na een paar maanden cel. Ze kan zijn bespuugd, uitgescholden, gemarteld, doodgeslagen, geëxecuteerd. Of uit het raam gesprongen, een van de duizenden zelfmoorden om aan de vernedering te ontsnappen.

Werkverslag 1968-1 zwijgt erover.

Het vormt onderdeel van een stapeltje muf ruikende documenten uit de periode 1966-1976, die in het Gemeentelijk Archief van Shanghai worden bewaard. Na een zoektocht in de digitale index in de hypermoderne studiezaal komt een chagrijnig kijkende jonge archivaris ze uit de kelder brengen.

Alle archiefstukken ouder dan dertig jaar zijn voor het publiek toegankelijk, maakte het gemeentearchief onlangs bekend. Helaas geldt het alleen niet voor stukken uit de periode 1966-1976. ‘Dat is een politiek gevoelige tijd’, meldt de archivaris.

Dezer dagen is het veertig jaar geleden dat de Culturele Revolutie begon, en China bewaart netjes zijn van boven opgelegd collectief geheugenverlies. Er zijn geen herdenkingen, geen essays van historici, sociale wetenschappers, redevoeringen van politici – slechts een enkele dappere Chinese krant waagde het even aan te roeren.

Stommetje spelen met het foute verleden, het is een vaardigheid waar de spindoctors van de Communistische Partij nog steeds graag aan vasthouden. De meeste onderdanen lijken het niet zo erg te vinden. Daarbij speelt natuurlijk mee dat de daders en de meelopers destijds beduidend groter in aantal waren dan de slachtoffers. Veel Chinezen hebben boter op hun hoofd, en wie druk is met rijk worden heeft ook helemaal geen behoefte aan een beschamend verleden.

Dat geldt helemaal voor de jonge generatie. ‘Ik vind het wel interessant hoor, om het dagboek van zo’n schooldirectrice te lezen’, zegt de 23-jarige studente die helpt met het archiefonderzoek. ‘Maar het is allemaal zo lang geleden. Wij zijn met andere dingen bezig.’

Chinese burgers praten er liever niet over, over die zwarte periode, als ze hem al bewust hebben meegemaakt. Maar snippers publieke historie en herinnering zijn wel betrekkelijk eenvoudig te vinden. Ze geven een glimp van de verborgen trauma’s die miljoenen mensen in dit land met zich mee moeten dragen.

Shanghai was de stad waar de terreur tegen andersdenkenden in de nadagen van het Mao-regime het ergst was. Eerst lijkt het alsof de gemeente zorgvuldig het schuldige decennium heeft weg gefilterd: op de fraaie computerschermen van het zoeksysteem blijkt de index ’66-’76 grotendeels nietszeggende meerjarenplannen voor riolering en straatverlichting te bevatten.

Maar er duiken ook – foutje van het archief? – wat werkverslagen van het Revolutionair Comité op, vooral uit begin 1968, toen de rode terreur volop woedde. Ze geven in bedekte termen een indruk van de chaos die de stad teisterde door de Rode Gardisten, de milities van door het leger opgejuinde studenten en scholieren.

Aan het begin van het derde jaar van de revolutie worden gevechten gemeld tussen twee kampen van rode jeugd op de marine-opleidingsschool van Shanghai. ‘De studenten sloegen op elkaar in met het gereedschap van de school’, aldus een rapport. ‘Er vielen tientallen ernstig gewonden. De schade was zo groot dat de werkplaats van de school moest worden gesloten.’

Een ander rapport meldt de deportatie van de studenten van de medische universiteit: 57 procent is naar het platteland gestuurd, 8,8 procent naar de staalfabriek, 0,1 procent naar het hoofdkwartier van het leger, de rest naar bouwbrigades. Er wordt ook herhaaldelijk melding gemaakt van ouders die brieven schrijven. ‘Stuur mijn kind alstublieft niet ver weg naar het binnenland’, smeken ze het Revolutionair Comité. ‘Maak een einde aan de vechtpartijen en de onrust.’

Beroving van de verderfelijke bourgeoisie was destijds een geliefd tijdverdrijf van de milities. Maar sommigen wisten hun spulletjes te redden. Zo meldt een rapport dat ‘rijkaard Zheng Yie’ antieke meubels in huis had waarop de gardisten hun oog hadden laten vallen. Maar toen ze bij de villa kwamen om de buit op te halen bleek de inboedel weg. Verkocht, zei de eigenaar, die aanbood de opbrengst en nog wat extra geld te overhandigen.

‘De armen zijn het slimst, de rijken het domst’, luiden slogans op andere verslagen. ‘Het klaslokaal is het slagveld. De hitte van onze kritiek zal de huid van onze vijanden doen wegbranden.’

Juni ’68 heeft een verrassing: verslag van een zelfkritieksessie van gardisten. ‘We begrepen de opdrachten niet goed. We scholden mensen uit voor koeien, geiten en slangen, we sloegen ze in het gezicht en we trapten deuren in om hun huizen te bezetten.’

Maar de terreur gaat gewoon door. In de loop van 1968, in een verslag met op de voorpagina de leus ‘Moge Mao het eeuwige leven hebben’ wordt in geharnaste taal uiteengezet hoe ‘de stinkende intellectuelen die het gedachtengoed van Mao niet willen onderwijzen’ naar de fabrieken worden gestuurd om ‘naar de wensen van de arbeiders te luisteren’. Tegelijkertijd moeten de arbeiders naar de universiteiten daar om de bestuursbanen ‘voor altijd’ over te nemen.

Het archief ligt aan de Bund, de rivierboulevard die de uitstalkast is van het moderne China. Het uitzicht is op pelotons glanzende wolkenkrabbers, verderop in het rijtje tref je de winkels van Armani en Gucci en de decadente dakterrassen van Bar Rouge en New Heights, waar de beau monde uit binnen- en buitenland zich vermaakt. Een groter contrast met de bleke werkelijkheid van de vergeelde schriftjes en de Mao-pakken van het Revolutionair Comité, dat destijds ook aan de Bund zat, is niet denkbaar.

Het is hard gegaan met China sinds 1976, toen met de dood van de Grote Roerganger zijn hervormingsgezinde opvolger Deng Xiaoping – Deng Shopping, noemen Chinezen hem tegenwoordig wel grappend – een einde maakte aan de chaos en China vastberaden op de koers zette van het autoritaire, door de partij geleide kapitalisme.

In de boekhandels van China moet je niet zoeken naar de Culturele Revolutie. Goed, in de boekenhoek van Shanghai’s grootste Carrefour-supermarkt ligt tegenwoordig wel een stapeltje exemplaren van Life and Death in Shanghai, het indrukwekkende relaas van voormalig Shell-bestuurster Nien Cheng, die haar dochter verloor in de donkerste dagen van de chaos en zelf als klasse-vijand jarenlang werd opgesloten en mishandeld. De pocket is in het Engels, een lokale Chinese versie bestaat niet.

Opvallend genoeg moet je voor een publieke glimp van het trauma in het politiemuseum zijn. Zowel in Shanghai als in Peking hebben deze musea een – weliswaar bescheiden – nis ingericht waar de zwarte periode voor het korps wordt aangestipt. ‘De zogenaamde Culturele Revolutie was een extreem ongewone en extreem moeilijke periode. Het was een nationale ramp, een diepgaande les’, aldus een bord in het museum van Peking. ‘Het hoofdbureau werd geheel verwoest, 9685 agenten werden ontslagen, 974 werden naar het platteland gestuurd, 74 officieren gingen de gevangenis in. In totaal werden 101 politiefunctionarissen geëxecuteerd.’

In een speciale vitrine wordt één politieman herdacht. ‘Kameraad Lin Ren, een werkelijk uitstekende leider, stierf in de Culturele Revolutie, valselijk beschuldigd, zonder eerherstel.’

Ook in Shanghai klinkt de woede en de vernedering zacht door in een schamele vitrine. Een koperen bord meldt dat ‘tal van officieren en agenten werden gebrandmerkt als spionnen en verraders. Ze leden onder een wrede behandeling. Vele praktische en doelmatige kennis van ordehandhaving werd afgedaan als revisionistisch en verwoest. Zwart werd wit, en wit werd zwart. Het was een grote chaos.’

Een kleine briefje meldt dat 147 leden van het korps gedood werden ‘en vele officieren en agenten werden gemarteld met als gevolg blijvende handicaps’.

Het is beter dan niets, kun je zeggen. Maar het verandert de officiële lijn van Peking niet. Die luidt dat deze episode uit de recente geschiedenis van China simpelweg ‘een rampzalige vergissing’ was. Nooit meer doen, discussie gesloten. Voorwaarts, en maar gauw vergeten.

Alsof het gaat om een ‘telefooncentrale waar de dingen in het honderd zijn gelopen als gevolg van bijkomstige technische misrekeningen’, zoals Rudy Kousbroek tien jaar na het einde van de revolutie al schreef, in een uiting van ergernis over het gebrek aan reflectie bij het Chinese regime en zijn medestanders in het buitenland.

Het moet dringend anders, durven enkele kritische denkers in China tegenwoordig te zeggen. Want als je niet stevig over je fouten praat zul je er nooit van leren. Het maakt de kans op nieuwe ‘rampzalige vergissingen’ alleen maar groter, zeker in een benauwd systeem als het Chinese.

De nieuwe leiders van China willen er nog niet aan. President Hu Jintao en Premier Wen Jiabao zijn allebei rond de zestig: de eerste generatie in de partijtop die niet om de macht vocht in de periode ’66-’76. Veertig jaar geleden studeerden ze als jonge mannen voor ingenieur aan de technische hogeschool.

Ook daar klopte Mao’s jeugdstorm op de deur. Zouden Hu en Wen hun professoren hebben uitgescholden? Misschien was Hu, telg uit een familie van rijke theehandelaren in het achterland van Shanghai, zelf wel slachtoffer. Of behoorden ze zoals het gros der 750 miljoen Chinese staatsburgers destijds tot de meelopers, bang voor hun eigen hachje?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden