Nieuws

Voortgezet onderwijs versterkt ongelijkheid: hogere en lagere niveaus mengen nauwelijks

In theorie biedt het voortgezet onderwijs kansengelijkheid, maar de praktijk is anders. Alle goede bedoelingen ten spijt. Het SCP zocht uit hoe de sociale opdracht van het onderwijs in het gedrang kon komen.

Viggo en zijn klasgenoten van OBS De Weidevogel op het schoolplein. Een still uit de documentaire-serie Klassen. Beeld Jean Counet
Viggo en zijn klasgenoten van OBS De Weidevogel op het schoolplein. Een still uit de documentaire-serie Klassen.Beeld Jean Counet

Een beetje paradoxaal is het wel: middelbare scholen en ouders van leerlingen zeggen dat kinderen met uiteenlopende achtergronden zo lang mogelijk samen naar school moeten gaan, maar ze handelen daar lang niet altijd naar. Ouders kiezen doorgaans voor een middelbare school die hun kind mogelijk optimale ontplooiingskansen biedt. En vaak zijn dat scholen van gelijkgestemden. Ofwel: scholen met veel kinderen uit hetzelfde sociale milieu. De scholen op hun beurt voorzien uit welbegrepen eigenbelang in de behoefte van de ouders (en hun kinderen). Ze worden tenslotte bekostigd op basis van het aantal leerlingen, en ze worden (door de inspectie en door de ouders) voornamelijk beoordeeld op hun vermogen om de leerlingen aan het begeerde diploma te helpen.

Over dit samenspel van vraag en aanbod hebben onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Ria Vogels, Monique Turkenburg en Lex Herweijer) een rapport geschreven: Samen of Gescheiden naar school. Hun conclusie komt er eigenlijk op neer dat scholen met de nadruk op ‘kwalificeren’ (opleiden voor het diploma) hun sociale opdracht verzaken. ‘Het voortgezet onderwijs is weliswaar niet de bron van deze sociale scheiding en ongelijkheid, (…) maar de wijze waarop het voortgezet onderwijs is georganiseerd en is ingedeeld, versterkt die ongelijkheid wel.’

De aard van het probleem

De sociale opdracht van de scholen komt in de praktijk op het tweede (of derde) plan. Scholen raken steeds meer onderhevig aan een scheiding tussen hogere en lagere niveaus. En vaak zijn de goed presterende leerlingen kinderen van hoger opgeleide ouders. Die scheiding voltrekt zich meteen na de eindtoets in het basisonderwijs. Brugklassen – waar leerlingen met uiteenlopende niveaus bij elkaar zitten – hebben steeds vaker een smalle (sociaal exclusieve) samenstelling. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (de hoogste klassen) is van diversiteit nog veel minder sprake. Daarnaast ontstaan er steeds meer categorale scholen: scholen met één onderwijstype (vmbo, havo en/of vwo). Amsterdam bijvoorbeeld telt momenteel vijf categorale gymnasia.

De brede scholengemeenschappen, die alles in huis hebben, lijken uit de gunst te raken. Deze tendens is vooral zichtbaar in de grote steden. Hier groeit de bevolking sterker dan op ‘het platteland’, is de sociale diversiteit groter en zijn scholen – meer dan elders – verwikkeld in een concurrentieslag om de leerling. Het principe ‘u vraagt, wij draaien’ is hier dus gangbaarder dan in dunbevolkte streken, waar leerlingen van uiteenlopende niveaus dezelfde school, of scholengemeenschap, bezoeken. Simpelweg omdat er geen alternatieven zijn.

In weerwil van alle goede bedoelingen heeft in het voortgezet onderwijs een sterke sociale tweedeling haar beslag gekregen. In de vier grote steden heeft 58 tot 69 procent van de vmbo-leerlingen een niet-westerse migratieachtergrond. Op scholen voor havo en vwo heeft 20 tot 35 procent van de leerlingen een niet-westerse migratieachtergrond. Van de leerlingen op vmbo b/k heeft slechts 17 procent hoger opgeleide ouders.

De ernst van het probleem

Misschien is dat ook wel het gevolg van de neiging van mensen – niet alleen de hoog opgeleiden onder hen – om zich van elkaar af te zonderen. Maar dat mag geen reden zijn voor fatalisme, zegt SCP-directeur Kim Putters. ‘De samenleving is geen samenleving als er geen enkele verbinding meer is tussen mensen. Zonder lotsverbondenheid groeit het risico van spanningen tussen bevolkingsgroepen. Mensen die elkaar niet kennen, hebben eerder een karikaturaal beeld van elkaar en van elkaars opvattingen. Recht op onderwijs kan niet worden afgezonderd van socialisatie en burgerschapsvorming. We leven in een diverse wereld waarin het alleen maar belangrijker wordt om met mensen van uiteenlopende pluimage om te gaan. Als we onderwijs versmallen tot louter die kwalificatie en een bepaalde beroepskeuze, dan krijgen we een heel schrale samenleving. Die samenleving verandert bovendien zo snel, dat diploma’s ook steeds minder lang houdbaar worden. We hoeven niet bij elkaar op schoot te gaan zitten, maar we moeten wel begrip voor elkaars leefwereld kunnen opbrengen.’

Leerlingen die elkaar niet meer ontmoeten op school – de meest aangewezen plek voor sociale integratie – zijn onderhevig aan ‘verbubbeling’. En de bubbels van nu zijn veel geslotener dan de maatschappelijke zuilen van vroeger, denkt Putters. ‘De verbinding tussen de zuilen was weliswaar beperkt, maar binnen de zuil was er grotere diversiteit naar sociale achtergrond en schoolkeuzes.’ De hedendaagse bubbel heeft invloed op mediagebruik, samenstelling van de vriendenkring, de opvattingen over de wereld, of je optimistisch of pessimistisch bent. Je politieke en maatschappelijke werkelijkheid dreigt te worden bepaald door de bubbel waar je deel van uitmaakt.’

De oplossing van het probleem

Het onderwijs hoeft niet eens grondig op de schop te worden genomen om de sociale versplintering tegen te gaan, zegt Putters. ‘De belangrijkste verandering zou al in het basisonderwijs haar beslag moeten krijgen. Daar zou de nadruk niet zo sterk op die allesbepalende eindtoets moeten liggen. Die conclusie ligt ook besloten in de onvolprezen televisieserie Klassen: het selectiemoment komt voor veel kinderen te vroeg. De brugperiode zou moeten worden verlengd, zodat leerlingen met een uiteenlopend niveau langer onderwijs volgen met elkaar, en zodat laatbloeiers – van wie ik zelf trouwens ook een was – beter tot hun recht komen. De grens tussen theoretisch en praktisch onderwijs zou veel poreuzer moeten worden. Leerlingen zouden vakken op uiteenlopende niveaus moeten kunnen volgen. Schoolgebouwen zouden fysiek meer moeten zijn ingericht op ontmoetingen tussen leerlingen van verschillende afdelingen. En misschien zouden docenten, met steun van de schoolbesturen, wat vaker ‘nee’ moeten zeggen tegen veeleisende ouders.’

Lees verder

Onderwijswethouder Marjolein Moorman: ‘Er moet nog zoveel gebeuren, en de tijd is beperkt’
Sinds 2018 is Marjolein Moorman wethouder onderwijs in Amsterdam. ‘Ik zit hier omdat ik ergens in geloof en iets wil veranderen.’

Kansenongelijkheid in het onderwijs: ‘Ouders met geld, dat is toch telkens weer de bottomline’
Documentairemakers Ester Gould en Sarah Sylbing lieten in 2016 met Schuldig de werkelijkheid zien van mensen in geldnood. Ze zijn terug op tv met Klassen, een reeks over kansenongelijkheid in het onderwijs. ‘Mensen denken: als je slim bent, dan red je het toch?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden