Voorspelbaar alcoholisme

Het leek er even op dat verslaving aan alcohol direct uit erfelijke factoren kon worden afgeleid. Het is echter ingewikkelder....

BIJNA vijfhonderdduizend Nederlanders zijn verslaafd aan alcohol: zij drinken meer dan tien glazen per dag. Ongeveer 250 duizend kinderen groeien op in een gezin waarin alcoholproblemen zijn. Zij hebben een grotere kans om ook zelf alcoholist te worden. Maar niet elk kind uit een gezin met drankproblemen raakt verslaafd, en er zijn ook alcoholisten voortgekomen uit gezinnen waar geen druppel drank op tafel kwam.

Valt te voorspellen welke kinderen wel en welke kinderen geen verhoogd risico lopen om verslaafd te raken? Vrijdag kwam, op initiatief van het Amsterdamse Instituut voor Verslavingsonderzoek, een aantal onderzoekers bijeen om de nieuwste gegevens uit te wisselen over het voorspellen van alcoholverslaving.

Enige tijd geleden haalden Amerikaanse onderzoekers de pers met de ontdekking van het 'alcohol-gen'. Wie dit stukje erfelijk materiaal in zijn chromosomen heeft, zou een grote kans hebben om alcoholist te worden. De onderzoekers juichten te vroeg, want vervolgonderzoek liet zien dat de soep niet zo heet gegeten werd als zij was opgediend: voor een eenduidig verband tussen dit alcohol-gen en verslaving werd geen bevestiging gevonden.

Bij verslaving, en ook bij alcholisme, woedt voortdurend de discussie over de mate waarin erfelijke factoren een rol spelen, of dat het misbruik vooral wordt veroorzaakt door omgevingsfactoren: van opgroeien in een verslaafd gezin, tot het doormaken van traumatische gebeurtenissen. Onderzoek aan (eeneiige)tweelingen en adoptiekinderen toonde aan dat in elk geval bij een deel van de alcoholverslaafden sprake was van een erfelijke component.

Een deel van de mannelijke verslaafden zou vooral erfelijke aanleg voor alcoholisme hebben, terwijl de verslaving van vrouwen juist door de omgeving tot stand kwam. Gesproken werd van het empty nest syndroom bij de oudere vrouw van wie de kinderen het huis uit zijn, waardoor een leegte zou ontstaan die met sherry en bessenjenever wordt gevuld.

Daarom ook, zouden drie keer zoveel mannen als vrouwen problemen met alcohol hebben. En zouden er bij mannen twee vormen van alcoholisme voor komen: type II dat rond het twintigste levensjaar begint (vooral erfelijk bepaald) en type I dat zich vanaf het veertigste jaar openbaart (vooral door het milieu bepaald). Tweederde van de alcoholisten behoort tot de eerste categorie, en eenderde tot de tweede. Bij vrouwen zou alleen type I bestaan.

'Die mythe wordt nu ontkracht door beter onderzoek', zegt Prof. dr S. Hill, psychiater aan het Medical Center van de universiteit van Pittsburgh in de Verenigde Staten. 'Je kunt discussiëren over de mate waarin erfelijkheid een rol speelt bij alcoholisme. Maar bij mannen en vrouwen is het aandeel van erfelijke factoren even groot. Er zijn ook vrouwen die al heel jong een alcoholprobleem hebben.'

Dat vrouwen minder drinken dan mannen, komt vooral door de houding van de samenleving tegenover alcoholgebruik. Mannen zijn stoer als ze drinken, terwijl een flink innemende vrouw al gauw een sloerie is. Hill: 'De samenleving verhindert dat veel vrouwen zwaar gaan drinken. Maar van de zware drinksters, meer dan zeven glazen per dag, raakt een even groot deel verslaafd als van de mannelijke drinkers.'

Kinderen uit een gezin met drinkende ouders hebben een veel grotere kans, tot dertig keer meer, om later zelf verslaafd te raken dan kinderen uit gezinnen zonder drankprobleem. Hoe meer familieleden met alcoholproblemen er in de verschillende generaties van het kind zijn, hoe groter de kans. Ook maakt het uit of een of beide ouders verslaafd zijn.

Al het onderzoek tot nu toe geeft geen antwoord op de vraag of erfelijkheid dan wel milieu de belangrijkste rol speelt bij het ontstaan van verslaving. Wel is er een tendens tot het combineren van een aantal markers waarmee onderscheid kan worden gemaakt tussen kinderen met een hoog en een laag risico.

Verslaving heeft te maken met de hersenen en daarmee met de persoonlijkheid. Dè alcoholistische persoonlijkheid bestaat echter niet, maar toch wordt nu aangenomen dat mensen die gevoelig zijn voor verslaving, op zoek zijn naar spanning en kicks; remmingen zouden bij hen ontbreken. Dat wijst op een betrokkenheid van het voorste deel van de hersenschors.

De genen die goede kandidaten zijn voor betrokkenheid bij de erfelijkheid van alcoholverslaving hebben dan ook bijna allemaal te maken met de overdracht van prikkels tussen neuronen in de hersenen. Het belangrijkst is het gen voor de dopamine-receptor op neuronen. Dopamine is een neurotransmitter die als boodschapper dient in een van de belangrijkste prikkelgeleidingssystemen in de hersenen.

DOPAMINE is bekend van psychische stoornissen die te maken hebben met gedragskenmerken als opwinding, ingetogenheid, extravertheid. Veranderingen in de receptor voor dopamine kunnen leiden tot hyperactiviteit of juist het tegenovergestelde. Bij de ziekte van Parkinson, die zich kenmerkt door traagheid van geest en stramheid van het lichaam, functioneert het dopamine-systeem niet goed meer.

Bij kinderen uit families met veel alcoholisten komt vaker een bepaalde vorm van het gen voor de dopamine-receptor voor. Ook hebben ze meer last van psychische stoornissen als hyperactiviteit en anti-sociaal gedrag, die door psychiaters ook worden gekoppeld aan een licht disfunctioneren van de frontale hersenschors.

Het is niet duidelijk of het veranderde gen verantwoordelijk is voor een grotere kans op alcoholverslaving van deze kinderen, of dat hun psychische moeilijkheden dat zijn. Ook zou het gen juist de oorzaak kunnen zijn van de psychische moeilijkheden. Het bekende kip-of-ei-probleem. Hill: 'We denken nu dat zo'n veranderd gen waarschijnlijk een voorwaarde is voor alcoholverslaving, maar absoluut niet voldoende is om alcoholist te worden.'

Er zijn ook andere genen gevonden die bij alcoholisten veranderd zouden zijn. Bijvoorbeeld het enzym monoamine-oxydase (betrokken bij de afbraak van neurotransmitters) en het eiwit adenylaat cyclase (betrokken bij het doorgeven van signalen van de buitenkant van een cel naar binnen).

Een bijzondere plaats heeft het enzym ALDH (aldehyde dehydrogenase), dat is betrokken bij de afbraak van alcohol. Functioneert het niet goed, dan wordt de alcohol in het lichaam slecht afgebroken en hoopt zich aceetaldehyde op. Dit is een stof die een rood hoofd, hartkloppingen en misselijkheid veroorzaakt.

Er zijn mensen die door een veranderd ALDH nauwelijks alcohol kunnen drinken. Bij Aziatische volkeren is dat het geval. Ongeveer de helft van de Japanners heeft geen of geen goed werkzaam ALDH-enzym, wat betekent dat het drinken van alcohol hun slecht af gaat omdat ze er beroerd van worden. Er zijn dan ook nauwelijks verslaafden met zo'n veranderd ALDH, want de ellende van de drank moet immers opwegen tegen de kick van de alcohol.

In een lage dosis heeft alcohol een stimulerend effect, in een hoge dosis een verdovend effect. Het verandert het membraan van cellen en vooral zenuwcellen zijn daarvoor gevoelig. Het werkt ontremmend en wordt daarom vaak gebruikt ter vermindering van spanningen. Alcohol vermindert de functie van de voorste hersenschors, die prikkels in andere delen van de hersenen remt.

Als de hersenen in beeld komen, halen de neurologen direct hun elektroden uit de kast om een EEG te maken, op zoek naar afwijkende hersengolven. Zo ook bij alcoholverslaving. Bij alcoholisten en kinderen uit verslaafde gezinnen kon een minder sterke 'P300-golf' worden waargenomen als de proefpersonen werd gevraagd een eenvoudige taak (het herkennen van beelden of geluiden) uit te voeren.

De P300, een positieve golf die in het EEG verschijnt 300 milliseconden nadat het geluidssignaal klinkt, heeft niet zozeer te maken met het waarnemen van het signaal, maar met het beoordelen ervan. Bij kinderen van alcoholisten zou die beoordeling dus verminderd of vertraagd zijn. Werden de kinderen psychologisch getest, dan werd echter geen verschil gevonden en ook hun intelligentie was normaal.

'Ook al weten we niet wat de waarde van het P300-signaal is voor het functioneren in de 'gewone wereld', toch is het bij kinderen relevant als voorspellende factor voor alcoholisme', meent Hill. Acht jaar geleden onderzocht ze een twintigtal tienjarigen uit probleemgezinnen en 'normale' gezinnen, waarbij ze een duidelijk verlaagde P300 vond bij de kinderen uit gezinnen met alcoholverslaving.

Nu de kinderen van weleer achttien zijn, heeft ze ze weer onderzocht. Vier van de elf uit de 'hoog-risico'-gezinnen zijn nu flink aan de alcohol, terwijl uit de gezinnen met een laag risico nog geen enkel kind verslaafd is. Bij de 'risico-kinderen' was ook nog steeds een duidelijk zwakkere P300-golf meetbaar.

Vond Hill geen verschillen bij het uitvoeren van een aantal psychologische tests; promovendus drs R. Wiers vindt deze wel degelijk. Bij het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam vergelijkt hij kinderen uit families met een traditie in alcoholverslaving met kinderen uit families zonder alcoholmisbruik.

'Als je de testjes van Hill herhaalt, dan zie je dat de risico-kinderen niet slechter scoren, maar ze doen er wel langer over.' Ook legde Wiers de kinderen een aantal andere tests voor, waaruit verschillen te voorschijn kwamen. Met name bij taken die te maken hebben met het beoordelen van het eigen handelen - een functie van de voorste hersenschors - presteren de 'risico-kinderen' slechter.

Hij onderwierp de kinderen ook aan een gok-testje, waarbij ze in een soort fruitautomaat aanvankelijk steeds enkele dubbeltjes winnen, maar naarmate het spel vordert, uiteindelijk alles kwijt raken. De 'risico-kinderen' vergokten al hun geld, terwijl de anderen stopten rond het moment waarop ze quitte speelden.

'Wat je natuurlijk niet weet, is of deze kinderen ook daadwerkelijk later alcoholist zullen worden', bekent Wiers. 'Daarvoor zou je ze over tien jaar weer moeten zien. Maar het is wel opvallend.'

Behalve zulke psychische gedragsverschillen blijken kinderen van alcoholisten ook over een minder goed evenwicht te beschikken. Zet je ze op een wiebelig plankje, dan zwaaien ze veel meer heen en weer om hun evenwicht te corrigeren dan hun leeftijdgenootjes uit niet-alcoholistische families.

Bijzonder is dat ook de verwachting die iemand van alcohol heeft, invloed heeft op zowel zijn directe gedrag als op de kans op verslaving aan alcohol. Proefpersonen die dachten dat ze wodka dronken, maar tonic kregen, gedroegen zich aangeschotener dan degenen die werkelijk alcohol dronken.

In een testje dat seksuele opwinding registreerde, scoorde deze groep zelfs het hoogst van alle. Shakespeare zei het al: drink provokes the desire, but it takes away the performance. Dus als psychisch de lust wordt gestimuleerd (je denkt dat je alcohol drinkt), maar de prestatie niet vermindert (je drinkt geen alcohol), scoor je het best.

Er blijkt ook een verband te zijn tussen de verwachting die iemand heeft over alcohol en zijn daadwerkelijke alcoholgedrag. Wiers ontwikkelde een Nederlandse vragenlijst en legde deze voor aan 750 adolescenten en studenten. Daarop stonden vragen als: met alcohol versier je makkelijker een meisje of jongen, alcohol maakt romantisch, door alcohol kun je beter flipperen, van alcohol word je agressief.

STUDENTEN die vinden dat een lage dosis alcohol doet ontspannen, blijken meer te drinken dan zij die dat niet vinden, en studenten die menen dat je van een hoge dosis agressief of vervelend wordt, drinken juist beduidend minder. Bij de adolescenten (van 13-17 jaar die al wel hadden gedronken) bleken 'beter flipperen', 'romantiek' en 'flink drinken brengt je plezier', gekoppeld te zijn aan meer drankgebruik.

Meisjes lieten zich eerder leiden door een negatief aspect: dat ze onzeker zouden worden na een paar glazen drank. Wiers: 'Hieruit blijkt dat het belangrijk is om, als je de kans op excessief alcoholgebruik wilt verminderen, ook iets te doen aan het verwachtingspatroon van de jongeren.'

Al eerder was duidelijk dat kinderen uit gezinnen met een drankprobleem vaak gedragsafwijkingen vertonen. Ze zijn vaker hyperactief, ongezeggelijk, anti-sociaal en ze kennen hun grenzen veelal niet. Een enkeling, meestal een meisje, raakt juist depressief en geïsoleerd. Ook hier is het de vraag wat oorzaak en gevolg is: een erfelijke aanleg of de ongeborgen omgeving waarin de kinderen opgroeien.

'Honderd procent zeker zul je niet kunnen aanwijzen welk kind wel en welk kind geen verhoogd risico op verslaving heeft', zegt dr B. Gunning, hoofd van de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. 'Maar je kunt wel verschillende 'markers' naast elkaar leggen.'

Bijvoorbeeld: een kind dat uit een gezin komt waarin alcoholmisbruik veel voorkomt, dat hyperactief is, een lage P300 heeft, slecht scoort in de psychologische tests, een afwijkend gen voor de dopamine-receptor heeft en riskante verwachtingen over het effect van alcohol, verdient extra psychologische aandacht.

Zo'n kind zou door zijn gedrag waarschijnlijk ook al bij de hulpverlener terechtkomen. Maar deze moet er alert op zijn, dat er ook een grotere kans op alcoholverslaving is. In de behandeling zou dan ook een verandering van de houding ten opzichte van alcoholgebruik meegenomen moeten worden.

Maarten Evenblij

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.