Voorboden van weemoed

De Florentijn Francesco Furini combineerde het ambt van priester met een bloeiende schilderspraktijk. Een expositie in Florence belicht zijn veronachtzaamde oeuvre....

In de weelderige artistieke erfenis die het Florence van na de Renaissance na heeft gelaten, verdwijnen namen van schilders en de reputaties van hun oeuvres even gemakkelijk als boeken in een bibliotheek. Er zijn er eenvoudigweg te veel van – en bovendien: Florence was toch een voorname kweekplaats van en markt voor groots schilderkunstig talent tijdens de Renaissance, dat wil zeggen: gedurende de late vijftiende en de vroege zestiende eeuw, en niet erna?

Nadien verloopt de Renaissance er in epigonisme en Maniërisme, in de virtuoze huisvlijt van een zelfvoldane has been-cultuur. Voor wat daarna komt, de Barok, moet je in Rome zijn of desnoods in Napels. Maar niet in Florence: zelfs Michelangelo trok al vandaar naar Rome.

Het is een van de talloze misverstanden die de tot heldere schema’s geneigde kunstgeschiedenis – de handboeken, de academisch docenten – in de wereld heeft geholpen. Al meer dan twintig jaar zijn de Florentijnen in de weer dat beeld bij te stellen, vanaf de grote overzichtstentoonstelling van Florentijnse schilders van de 17de eeuw die in 1986 in het Palazzo Strozzi werd gepresenteerd. Die wierp licht op vergeten of verdrongen oeuvres, op een bloeitijd die het in de herinnering en de boekstaving daarvan had moeten afleggen tegen illustere scholen van eerder en elders.

De jongste overzichtstentoonstelling van het werk van één van hen, Francesco Furini (1600/03-1646), is te beschouwen als een volgende stap op weg naar de herwaardering van de Florentijnse schilderkunst van na de Renaissance, van een eigenzinnige Florentijnse Barok naast de Romeinse.

Helemaal uit de lucht gegrepen zijn dergelijke smaakhiërarchieën overigens niet, want ook Furini trok, na zijn leertijd, naar Rome om er de nieuwste opvattingen over zijn vak onder de knie te krijgen. En dat hem dat lukte, is onmiskenbaar te zien aan zijn schilderijen: hier schildert iemand die Caravaggio gezien heeft, hier poneert iemand vrouwelijke naakten op zijn panelen en doeken die op en rond het Forum Romanum zijn ogen te goed heeft gedaan aan de schoonheidsidealen in marmer van de antieke beeldhouwkunst. Belichtingsraffinement en een uitgesproken idee van versteend vlees, wij zien het in vrijwel al zijn schilderijen en tekeningen terug.

Maar allebei leiden die tot een volslagen andere smaak en stijl dan bij, bijvoorbeeld, zijn Romeinse tijdgenoot Guido Reni. Samen met Annibale Caracci, zijn leermeester, werd Reni, ofschoon afkomstig uit Bologna, de schilder bij uitstek van de Romeinse Barok: diens thema’s, diens ensceneringen, diens kleuren en diens expressies zijn in al hun haast ziekelijke pathetiek zinnebeeldig geworden voor die passage in de Italiaanse kunstgeschiedenis.

Furini speelt daarin geen rol van betekenis, ook al voeren oudere kunsthistorici, de 18de-eeuwse Luigi Lanzi voorop, hem nog op als Reni’s evenknie (Lanzi’s boek is voor de Italiaanse schilderkunst van de 17de en 18de eeuw wat Vasari’s schildersbiografieën voor de Renaissance waren). Verdwenen is hij sedertdien niet – de herkomst van zijn werk op de huidige tentoonstelling laat dat goed zien: talrijke vooraanstaande museale collecties zijn er vertegenwoordigd –, maar een rol van belang speelt hij evenmin.

Dat is ten onrechte, en alleen al om die vaststelling is de expositie Un’ altra bellezza (‘een andere schoonheid’) een succesvolle rechtvaardiging. Bijna veertig schilderijen en een kleine twintig tekeningen demonstreren dat zijn oeuvre er zijn mag. In hun onderlinge consistentie en in samenhang met Furini’s biografie werpen zij bovendien licht op enkele grondtrekken van de Barok.

Want zowel in hun thema’s als in hun uitwerking laten die schilderijen van Furini telkens de spanning tussen sensualiteit en melancholie zien. Wie daar even bij stil staat, ziet in hoe wezenlijk dat is: een doorgevoerde sensualiteit roept altijd melancholie op, de gevoeligheid van de wellust is het voorspel op een zekere tristesse. In de Barok is de consequentie van de extase altijd een vorm van ontgoocheling – in de muziek en de literatuur al niet minder dan in de schilderkunst – en dus is de wijze waarop Furini zijn vrouwen portretteert bij alle uitdagende sensualiteit ook telkens een voorbode van de weemoed van wat daarna komt. Speel er de muziek van Monteverdi bij, die eindeloze reeksen madrigalen evenzeer als zijn vespers, en de verbondenheid van overgave en onbereikbaarheid zijn manifest.

Dat zijn poëtische overwegingen. Niet gek voor een schilder die ook gedichten schreef, die net na zijn dertigste het beroep van vrij schilder inruilde voor een schilderend priesterschap en die in zijn thematiek bij uitstek literair is. Vroeg in zijn leven schilderde hij al een emblematisch werk waarop de schilderkunst en de dichtkunst in zusterlijke omhelzing op een vervaarlijke balustrade zitten, pennen en penselen in de hand. Het werk is uit 1626, de schilder was toen pas 23 jaar oud, twintig jaar later was hij dood.

Als Caravaggio bij uitstek de schilder van de belichting is, dan is Furini dat van de verduistering. Al die witte vrouwen en zorgelijke dameskransjes staan in het aardedonker, slechts hun levende vlees is een lichtpuntje in de zwaarmoedige duisternis. Dat is vanzelfsprekend het mooist bij de Maria Magdalena’s die hij schilderde: daar doet het vlees hoe dan ook al boete voor zijn eigen vleselijkheid, daar straalt het taboe van de aanraking tot in alle cellen vanaf.

Maria Magdalena was degene die direct na zijn wederopstanding Jezus Christus aan zijn kuiten trok om hem voor de wereld te behouden; het kwam haar op een bits ‘noli me tangere’ te staan, ‘blijf van mij af’. Op de achtergrond van haar biografie zeurt de beschuldiging van prostitutie. Doet zij bij Furini boete – twee schilderijen –, dan heeft de levensmoeheid al bezit van haar genomen. Interessanter en onweerstaanbaar mooi is het portret dat hij van haar schilderde: een vrouw in tranen, Caravaggio, die haar nog in vol ornaat schilderde, voorbij. Een tranende vrouw, de ogen naar binnen geslagen, boven een reukvaatje: zo schildert Furini haar, een stuk dat haar vergankelijkheid viert, niet haar schoonheid: sensualiteit verkeert altijd in melancholie.

Is het een wonder dat hij tot driemaal toe het Bijbelverhaal van Lot koos? Op het ene schilderij zien wij wat je ervan krijgt, van terugkijken: de vrouw van Lot heeft, op de vlucht voor de ravage die de allerhoogste in Sodom aanricht, heimwee – en verandert in een zoutpilaar. De bleke gestalte is in alles een antiek beeldhouwwerk, een Romeinse senatorenvrouw op de rug gezien. Toegegeven, zij is nog een slag bleker en monumentaler dan de vrouwen op Furini’s andere schilderijen. Maar zij lijken stuk voor stuk wel degelijk op haar, zij zijn allen van eenzelfde vlees. Vergankelijk als het gras, dus alle reden om ze met smart te bezien.

Op de andere twee, die Lot en zijn dochters net voor de vervloekte daad van incest tonen – vader al stevig in de lorum, de dochters doelgericht – is de aanwezigheid van de schuld voor de daad die nog niet eens voltrokken is al beduidend sterker dan de verleidelijkheid die tot die daad moet leiden. Helemaal bont maakt Furini het op zijn Sint Sebastiaan: die heeft zelf de boog en de pijlen door middel waarvan hij de martelaarsdood zal gaan sterven alvast maar meegebracht. Schitterend is ook Rachel die zojuist een kind heeft gebaard en apathisch van pijn in de baarstoel hangt: dat komt er nou van.

Mooie vrouwen, sombere vrouwen: zijn overgang tot het priesterambt heeft zijn idioom, zijn schoonheidsopvattingen en dus zijn zeggingskracht niet of nauwelijks beïnvloed. Ook dat is een belangrijke constatering: de obsessie met de vergankelijkheid van schoonheid zat er altijd al in, de religieuze inkeer is bij hem eerder uitvloeisel van een wereldbeeld dan de drijfveer daarvan.

Alleen zijn portret van Johannes de Evangelist, een jonge dichter, voyant in de kleren, bevat een glimp van hoop. Maar daar is het vlees dan ook woord geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden