Voorbeeldige gedichten

De productie van een tijdschrift is lange termijn werk en zo kan het voorkomen dat twee literaire bladen vrijwel gelijktijdig een sterk verwant themanummer publiceren....

PETER SWANBORN

Maarten Asscher, de nieuwe Directeur Kunsten op het ministerie van OC & W, heeft als een van de weinigen het begrip 'voorbeeldig' niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk opgevat. Zijn keuze voor 'Op het station, een ochtend in de herfst' van de negentiende-eeuwse Italiaan Giosuè Carducci werd bepaald doordat dit gedicht 'in de buurt komt van een voorbeeldig treingedicht, in de dubbele zin dat het een prachtig gedicht is en dat het een voor die tijd relatief nieuw gegeven tot poëzie verhief, als voorbeeld voor navolging'.

Sindsdien zijn er honderden stations-, perron- en treingedichten geschreven en zijn de spoorwegen er zelfs toe overgegaan deze poëzie op de omslag van het nieuwe spoorboekje te citeren. Toch moet in 1875 de toenmalige poëzielezer vreemd hebben opgekeken van regels als: 'Ook jij geeft peinzend, Lydia, je kaartje/ aan de controle voor een droge knip'.

Voor Asscher blijft Carducci's ode aan een vertrekkende geliefde dan ook onovertroffen: 'Als ik op een station ben, en zeker wanneer ik afscheid van iemand moet nemen, speelt dit gedicht zonder uitzondering door mijn hoofd.'

Paul Claes is minder direct in zijn zeer erudiete beschouwing over Rainer Maria Rilkes 'Archaïscher Torso Apollos', maar wel laat laat hij op fraaie wijze zien dat dit gedicht 'voorbeeldig' is omdat het net als het Griekse standbeeld 'een toonbeeld is hoe volheid kan oplichten uit tekort'.

De bijdragen van Rein Bloem (over Leopolds 'Schepen liggen er; waarom zo...') en van Marjoleine de Vos (over Vestdijks 'Oedipus en Antigone') zijn daarentegen nogal plichtmatig en buiten het thema niet uit. Zij schrijven simpelweg over een favoriet gedicht, laten min of meer zien 'hoe 't werkt', maar gaan verder niet in op de mogelijke 'voorbeeldigheid' van het gedicht.

Toch is deze Raster het waard om van A tot Z gelezen te worden, al is het maar om het slotstuk van het themagedeelte niet te missen. Aan de hand van het gedicht 'Broer' van Hugo Claus verdiept redacteur Cyrille Offermans zich in de paradox van het begrip 'voorbeeldigheid': 'Poëzie, hoe voorbeeldig dan ook, kan alleen geschreven worden bij de gratie van eerdere poëzie.'

Offermans noemt Claus 'de cleptograaf onder de Nederlandse dichters', maar toch beschouwt hij de poëzie van Claus als voorbeeldig, omdat deze ondanks alle citaten en verwijzingen een geheel nieuwe wijze van formuleren laat zien. Voorbeeldige gedichten 'geven de lezer het opwindende gevoel iets nieuws gelezen te hebben, iets dat hem even met stomheid slaat.'

Dit bijna ouderwetse geloof in originaliteit komt als een ware verademing in postmoderne tijden. Misschien wel het beste bewijs voor de juistheid van dit geloof levert Raster met een veelheid aan nieuwe poëzie. Van de onlangs overleden Poolse dichter Zbigniew Herbert vertaalde Gerard Rasch een vijftal prachtige gedichten plus een poëticale tekst waarin Herbert over zijn voorbeelden schrijft: 'Het luisteren naar de stemmen van degenen die ons verlaten hebben'.

Raster heeft er goed aan gedaan om deze dertig jaar oude tekst juist in dit nummer op te nemen, want Herbert geeft hierin als geen ander, zonder het woord te gebruiken, de werking van het 'voorbeeldige' gedicht weer.

Peter Swanborn

Raster, De Bezige Bij, nummer 82, * 29,50

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden