Vooral angst voor een verkiezingszege van ex-communisten dreef tv-tycoon de politiek in De afgang van Berlusconi, de man die niet verliezen kon

Op een strand van de Bermuda's is het begonnen. Links de bruisende golven, rechts de wuivende palmen, en tussen die prettige clichés twee wandelende vakantiegangers....

Van onze correspondent

Jan van der Putten

ROME

De oudste van hen staat met een ruk stil. 'Weet je, Marcello', zegt hij, 'ik moet ernstig aan mijn toekomst denken.' De wandeling wordt hervat. Marcello denkt: 'Wat moet hij nou, hij heeft al drie tv-netten, veertig bedrijven, AC Milan, tien villa's van Sankt Moritz tot Porto Cervo. Wat wil hij nog meer?'

De ander staat opnieuw stil en zegt wat hij nog meer wil: 'Ik moet er ernstig over nadenken om iets te doen voor ons land.'

Dat was de eerste keer dat de Milanese grootondernemer Silvio Berlusconi, president van Europa's op één na grootste mediagroep, over zijn nieuwe ambitie sprak. De andere strandwandelaar was Marcello Dell'Utri. Sinds jaren geeft het vertrouwen van Berlusconi zin aan zijn leven. Als directeur van Publitalia, een van Europa's grootste reclamebedrijven, zorgt hij voor het gros van de inkomsten van Berlusconi's concern Fininvest.

Die strandmonoloog dateert van 1987. Zes jaar later had Berlusconi nog minder te wensen over: het aantal van zijn bedrijven, belangen in het buitenland niet inbegrepen, was inmiddels gestegen tot 168 en het aantal van zijn villa's tot twaalf. Waarom heeft hij zes jaar gewacht alvorens zich in de politiek te storten?

Dell'Utri: 'Destijds heersten nog volop de oude partijen. De regeringen schenen onveranderlijk, socialisten en christen-democraten for ever. Tijdens de heerschappij van het trio Craxi, Andreotti en Forlani zou een kandidatuur van Berlusconi belachelijk hebben geleken. De koning van de commerciële tv die de politiek ingaat? Pas toen het regime begon in te zakken, begreep hij dat zijn grote kans gekomen was.'

In de zomer van 1993 begonnen de eerste geruchten over Berlusconi's politieke belangstelling. Ze hadden hetzelfde effect als het bericht zou hebben gehad dat de paus is getrouwd. Leuk verzonnen, maar met grapjes lossen we de crisis niet op. Een tv-tycoon die de politiek in gaat, dat was toch te mal om over te praten? Dat kun je toch niet maken?

Die vragen zijn niet retorisch gebleken. Het was te mal, maar het was wel waar. Een Berlusconi kon dat wèl maken, en nog veel meer. Een Berlusconi kan alles maken. Een Berlusconi wint altijd. En als een Berlusconi zich iets in zijn hoofd heeft gezet, haalt niemand het er meer uit. Want omdat hij een onverwoestbaar geloof in zichzelf bezit, heeft hij het van een gewone jongen tot een van de rijkste mannen van de wereld gebracht.

Wat heeft Berlusconi de politiek ingedreven? Het landsbelang, zoals hij zelf beweert? De praktijk van een catastrofale regering van zeven maanden maakt dat niet waarschijnlijk. Zijn motieven waren minder verheven. Zin in een nieuwe uitdaging. Machtshonger. Behoefte om af te komen van zijn parvenu-complex. En vooral: angst voor een linkse verkiezingszege, want na de instorting van de oude regeringspartijen leek voor de ex-communistische PDS de loper naar de macht te zijn uitgelegd.

Behalve zijn ver gevorderde kaalheid is er niets op de wereld dat Berlusconi zo haat als de communisten, ook als ze zich vermommen als post-communistische sociaal-democraten. Want volgens hem zijn ze aanhangers van het staatsdirigisme gebleven.

Deze vijanden van het particulier ondernemerschap hadden het natuurlijk voorzien op zijn televisiekanalen. Hoe kon hij die ramp voorkomen? Door zelf premier te worden. Dan kon hij in één moeite door maatregelen nemen om zijn uit de voegen gegroeide Fininvest-groep van de financiële verstikkingsdood te redden.

Hij had een partij nodig. De naam haalde hij uit het stadion: Forza Italia - Zet 'm op, Italië. Hij schreef zelf de tekst van het clublied. Dell'Utri blies met zijn verkoopmanagers in drie maanden de ballon Forza Italia op. Iedereen was welkom. Een programma was er niet, behalve de afkeer van links en de paradijselijke beloften van de leider, die via zijn tv-zenders optimisme en hoop uitstraalde. De grote verkoper verkocht nu zichzelf.

In de verkiezingen van 27 en 28 maart dit jaar verkoos 21 procent van de Italianen de droom boven de werkelijkheid. Juichend sprak de man die alles nieuw zou maken: 'Tachtig procent van het werk is gedaan: links is verslagen. Resteert nog slechts de overige twintig procent: regeren.'

Dat moest hij doen samen met zijn onthutsende bondgenoten: de nurkse federalist Bossi van de Liga Noord, de salon-neofascist Fini, die van hem de democratische zegen kreeg, en drie politieke kameleons: de ex-christen-democraat Casini, de ex-liberaal Costa, en wat later ook de politieke avonturier en egotripper Pannella.

Vanaf het begin heeft die anti-linkse coalitie als los zand aan elkaar gehangen. Bossi foeterde en tierde. Om de haverklap dreigde hij dat hij de verfoeide mediamagnaat een toontje lager zou laten zingen. Maar als puntje bij paaltje kwam, draaide hij toch weer bij. Berlusconi en Fini leken erin te berusten. De Japanners coëxisteerden immers ook met hùn aardbevingen.

Maar Berlusconi had andere zorgen: het cultiveren van zijn imago en het veroveren van de totale macht. Hij begon met de publieke omroep RAI, zijn grote concurrent, die hem veel te kritisch was en veel te veel reclame-inkomsten afroomde van zijn eigen kanalen. Dus liet hij de RAI door vertrouwelingen overnemen.

Ook voor de kritiek van de geschreven pers bleek hij allergisch. Een Berlusconi wòrdt niet gekritiseerd. Een Berlusconi wordt toegejuicht. Hij concludeerde dat de pers in een groot complot zat, samen met andere 'sterke machten', zoals de grootindustriëlen, de centrale bank, het onafhankelijke deel van de rechterlijke macht, de vakbonden, de oppositie en volgens een van zijn ministers ook de joodse lobby. Waarschijnlijk heeft nog nooit eerder iemand die zo veel macht had, zich zo consequent de rol van slachtoffer aangemeten. Haast te veel eer voor de versnipperde, onttakelde, machteloze oppositie.

Bitter beklaagde Berlusconi zich over zijn nieuwe lot. Als de leider van Fininvest, zei hij, nam hij alle beslissingen zelf (behalve natuurlijk de beslissingen over het betalen van smeergeld), terwijl hij als onervaren politicus rekening moest houden met anderen.

Dat ging hem niet best af. President Scalfaro heeft hij permanent gebruuskeerd. Onderzoeksrechter Di Pietro heeft hij weggewerkt. De vakbonden heeft hij tegen zich in het harnas gejaagd. Met decreten heeft hij het parlement proberen te passeren. Zijn eerste dag in de Kamer noemde hij de minst produktieve dag van zijn leven.

De Grote Vernieuwer kon zijn verleden niet afschudden. Dat hij lid is geweest van de subversieve vrijmetselaarsloge P-2, dat hij intiem bevriend was met Bettino Craxi, dat hij zijn televisierijk illegaal heeft opgebouwd - dat hebben velen hem vergeven. Maar uit zijn verleden kwam een kolossale belangenverstrengeling voort tussen de zakenman en de premier in hem. Dat conflict heeft Berlusconi net opgelost.

Zijn verleden zorgde ook voor een unicum in de moderne Europese geschiedenis: een zittende minister-president die zich voor corruptie moet verantwoorden. Zijn oorlog tegen de rechters gaat door. Maar de slag tegen Bossi heeft de man die niet kàn verliezen verloren. Berlusconi wil deze vergissing van de geschiedenis zo snel mogelijk herstellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden