Voor moord en doodslag moeten minimumstraffen gelden

Volgens de burger straft de rechter te licht. Daarom moeten voor de zwaarste delicten minimumstraffen worden ingevoerd, vindt Joost Eerdmans....

Vorige week liet de topman van het openbaar ministerie, Harm Brouwer, weten dat zijn organisatie meer gevoel moet krijgen voor kritiek uit de samenleving. Veel mensen vinden dat de straffen niet overeenkomen met hun beleving van de ernst van het delict. Brouwer wil een Burgerforum voor strafvordering gaan instellen, waarin gewone burgers kunnen meepraten over de strafmaat voor delicten. Dat zou beslist een stap in de goede richting zijn.

Het huidige Wetboek van Strafrecht (Sr) is ingevoerd in 1886. Sindsdien kent het Nederlandse strafrecht voor elk delict een strafmaximum. Zo staat op doodslag een maximale gevangenisstraf van 15 jaar. Voor moord geldt een bovengrens van 30 jaar of levenslang. Zo kennen alle strafbare feiten een bijzonder strafmaximum, gerelateerd aan de ernst van het delict. Maar er bestaan geen bijzondere strafminima per delict: voor alle in het Wetboek opgesomde vergrijpen (van een kruimeldiefstal tot moord) geldt een en dezelfde minimumcelstraf, namelijk één dag. Met de invoering van art. 9a Sr in 1983, dat veroordeling zonder strafoplegging mogelijk maakt, is zelfs dit verwaarloosbare minimum een dode letter geworden.

De Nederlandse rechter heeft dus feitelijk volledige vrijheid in het bepalen van de strafmaat, mits hij het strafmaximum van het delict in kwestie maar in acht neemt. Over de wijze waarop hij van deze grote vrijheid in strafoplegging gebruik maakt, wordt amper verantwoording afgelegd. Dikwijls wordt de wettelijk verplichte motivering van de opgelegde straf afgedaan met een korte standaardoverweging in het vonnis of arrest. Deze ruime discretionaire bevoegdheid van de rechter getuigt onmiskenbaar van een groot vertrouwen van de wetgever in diens rechtskundig oordeel, maar bergt wel het gevaar in zich dat er structureel te laag wordt gestraft – in het bijzonder waar het zeer zware misdrijven betreft.

Dat gevaar is niet denkbeeldig. Uit 246 door mij onderzochte enkelvoudige moord- en doodslagzaken (waarbij de dader één slachtoffer heeft gemaakt en verder geen zware strafbare feiten beging, zoals verkrachting of ontvoering) uit de periode januari 2003 tot en met mei 2005, bleek dat een moordenaar in Nederland gemiddeld6 jaar effectief in de gevangenis zit en iemand die doodslag pleegt gemiddeld maar 3,3 jaar. Hierin is de automatische vervroegde invrijheidstelling na het uitzitten van tweederde van de straf verdisconteerd, alsmede het één jaar durende penitentiaire programma waarin de gedetineerde met weekendverlof mag. Deze cijfers komen vrijwel overeen met recent onderzoek van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving naar 2.917 levensdelicten over de periode 1993–2004 (Trema, oktober 2006).

Een dergelijke lankmoedige straftoemeting staat in mijn ogen in wanverhouding tot de ernst en de gevolgen van moord en doodslag, zoals tot uiting gebracht in de hoge strafmaxima die op deze delicten staan. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau bleek dat bijna 100 procent van de bevolking de straffen voor geweldsdelicten te laag vindt en meent dat zij een onvoldoende vergelding vormen voor het aangedane leed (In het zicht van de toekomst, 2004). Bij veel burgers veroorzaken de in hun ogen te lage straffen zelfs een gebrek aan vertrouwen in, en steun voor, de Nederlandse rechtsstaat als geheel (onderzoek Trouw, 14 januari 2004).

Onlangs publiceerde de Raad voor de Rechtspraak de studie Burgers op de stoel van de rechter. Hieruit blijkt dat er nog steeds een gapend gat ligt tussen wat burgers en wat rechters een rechtvaardige straf vinden. Zelfs ter zake goed geïnformeerde leken straffen aanzienlijk hoger dan de beroepsrechters. Deze kloof valt voor een groot deel te verklaren doordat de Nederlandse rechter in het strafproces een grote nadruk legt op het belang van de dader. Persoonlijke omstandigheden als een ‘moeilijke jeugd’ of getoond ‘berouw’ worden door de rechter al te bereidwillig aangegrepen om de op te leggen straf te matigen.

De oplossing voor het probleem van te lage straffen voor de ergste delicten moet uiteindelijk gezocht worden in de begrenzing van de rechterlijke vrijheid. In verschillende buitenlandse rechtsstelsels zijn hier al goede ervaringen mee opgedaan. In Engeland en Wales is in 1997 een systeem van minimumstraffen voor enkele ernstige delicten ingevoerd. Minister van Justitie Howard stelde onder het motto ‘if you don’t want the time don’t do the crime’, dat minimumstraffen nodig waren omdat criminelen te snel vrijkwamen en dit een verkeerd signaal naar de samenleving en de criminelen was. In Duitsland wordt voor moord in driekwart van de gevallen de minimumstraf (levenslang) opgelegd. In Frankrijk kreeg in 2001 bijna de helft van de 3.262 veroordeelde zware misdadigers een minimumstraf van gemiddeld 14,6 jaar opgelegd.

In Nederland kunnen we in mijn ogen het best aansluiting zoeken bij het Engelse stelsel, omdat daarin alleen voor de ergste delicten minimumstraffen zijn vastgelegd. Mijn voorstel is dat voor de levensdelicten moord en doodslag minimumstraffen gaan gelden van respectievelijk 15 en 10 jaar. Indien het voorstel tot wet wordt verheven, kan de rechter voortaan wel degelijk nog zijn eigen afweging maken en rekening blijven houden met persoonlijke omstandigheden van de dader; echter binnen de bandbreedte tussen de wettelijke minimumstraf en de maximumstraf. De traditionele strafuitsluitingsgronden (zoals noodweer en psychische overmacht) blijven eveneens gewoon van toepassing: doet een verdachte hier een geslaagd beroep op, dan leidt dit tot ontslag van alle rechtsvervolging. Overigens wordt een beroep op zo’n strafuitsluitingsgrond maar hoogst zelden gehonoreerd. Daarbij bevorderen de minimumstraffen rechtseenheid en rechtszekerheid. Een moordenaar in Friesland zal net als een moordenaar in Limburg minimaal 15 jaar cel tegemoet kunnen zien voor zijn daad. Zowel de pleger van de moord als de nabestaanden van het slachtoffer kunnen erop rekenen dat de dader gegarandeerd voor 15 jaar achter de tralies verdwijnt en niet korter.

Moord en doodslag zijn de zwaarste vergrijpen die iemand kan begaan, wat tot uitdrukking is gebracht door de hoge maximumstraffen die de wetgever daarop heeft gesteld. Het enorme belang van het te beschermen rechtsgoed, een mensenleven, rechtvaardigt ook een forse straf. Het is onwenselijk dat de rechter een onbegrensde vrijheid heeft in het bepalen van de strafmaat waardoor de straf op moord inmiddels is weggezakt tot onder de 9 jaar gemiddeld. Door een harde ondergrens wordt de samenleving voor langere tijd beschermd tegen de zwaarste criminelen en wordt recht gedaan aan het levenslange leed dat werd aangericht door moordenaar of doodslagpleger. Op deze wijze moet het verstoorde vertrouwen in en het gezag van de rechtsprekende macht bij het grote publiek worden hersteld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden