Voor Mireille is het lichaam een chemische fabriek

In het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam werken 7.000 mensen en 2.400 studenten volgen er hun opleiding. Het ziekenhuis heeft 50 kilometer gang, 25 duizend opnamen per jaar, 29 duizend dagbehandelingen en 350 duizend polikliniek-bezoeken....

Dinsdagochtend, 8.30 uur. Ze heeft een naam die springt en danst tegelijk, en voor de collegezaal met vijftig studenten ziet ze er kleiner uit dan ze is. Verfijnd zijn haar trekken, handen en postuur, dynamisch en bijna explosief is haar manier van lopen, praten, doen. Mireille Serlie vertegenwoordigt de nieuwe generatie artsen in het AMC. Nog geen 40 jaar oud is ze, en ze werkt fulltime als internist, heeft twee kinderen en is hoofd van een onderzoeksgroep. Een paar jaar geleden is ze gepromoveerd en straks, aan het einde van de middag zal ze zich haasten naar het station om op tijd aanwezig te kunnen zijn voor de tienminutengesprekken op de school van haar kinderen. Actie, actie. In het weekend staat ze om 8 uur op om het hockeyelftal van haar dochter te coachen, want ze houdt van de geur van sportvelden, en zo moeilijk zijn die spelregels niet. Als niets in je ogen een probleem is, is maximaal leven niet moeilijk. Voor Mireille is het leven wonderlijk licht, ook al worden de internisten als de denkers, de nerds van het ziekenhuis beschouwd en zijn de chirurgen de echte helden.

Mireille heeft zich gespecialiseerd in de endocrinologie. In haar beleving is het lichaam een chemische fabriek, het toneel van alle stofwisseling. Nieuwe invalshoeken op het spoor komen om de juiste diagnosen te kunnen stellen, daar wordt ze blij van. Soms zakt ze neer achter haar bureau en staart ze net zolang voor zich uit, bladert net zolang in boeken, tot ze de oorzaak van een ziektebeeld heeft gevonden.

Maar als de patiënt die vandaag haar college komt opluisteren vertelt dat hij gisteren zijn vader heeft begraven, is ze meer schoolmeisje dan dokter. ‘Uw vader begraven?’, antwoordt ze. ‘Wat heftig. Nee? Nou, ja, ik vind het heftig.’ Om dan losjes naar het katheder van de imposante ovaalvormige collegezaal te lopen. Nieuwsgierig, snel, altijd upbeat, vol aandacht. Onder haar witte jas schemert een streep van een korte, grijze angorajurk. Het is mooi om te zien hoe haar witte jas, anders witte jassen bij anderen doen, er niet in slaagt haar persoonlijkheid te bedekken. De lange, donkere, sinds enkele dagen vaderloze, in 1961 geboren patiënt is Jehova’s getuige en koestert zich in haar vriendelijkheid. Hij is hier om het onderwerp ‘fouten in de diagnose’ voor de studenten te illustreren.

Zijn diagnose werd, na een meer dan veertig jaar lange rondgang langs allerlei artsen, onlangs door Mireille gesteld. In 2008 kwam hij voor het eerst bij haar. Hoe dikker het dossier, hoe duidelijker de klachten, dus zo moeilijk was het niet meer, zal ze straks haar rol tegen de studenten relativeren. Artsen denken vanzelfsprekend niet meteen aan zeldzame ziekten, legt ze uit, en zo beredeneerd is het eigenlijk maar de vraag of een late diagnose als deze onder ‘fouten’ gerangschikt kan worden. Maar hoe het ook zij: alles wat een lichaam kan mankeren, mankeerde de man en niemand snapte er iets van. De cardioloog stuurde hem zelfs weg met de woorden: ‘U heeft een lekkende hartklep. maar het goede nieuws is: iedereen heeft een lekkende hartklep en met de uwe kunt u 100 worden.’

Met een uitgestreken, gelaten gezicht vertelt de patiënt, een microfoon losjes in zijn hand alsof hij elk moment in een melancholiek levenslied kan losbarsten, over zijn hevige hoofdpijnen, de daarop volgende psoriasis, de darmbloedingen, zijn hartklachten en het extreme zweten. Hij verloor 3 liter vocht in een uur en niemand die begreep wat er aan de hand was. Daar staat hij. Hij staart de zaal in. Handen langs het lichaam. De voornamelijk vrouwelijke studenten kijken terug. Zij aan het begin van hun leven, hij struikelend door het zijne. Toch klinkt zijn stem verre van verongelijkt wanneer hij vertelt over het gebrek aan slagvaardigheid van de artsenij. Stel dat hij een zittend beroep had gehad, hij pauzeert even – ja, als hij een zittend beroep had gehad, was het veel erger geweest, dat zweten, van een hovenier verwachten de mensen van die plekken onder zijn armen. Zijn werk bij de plantsoenendienst zou je een geluk bij een ongeluk kunnen noemen, misschien wel een geschenk uit de hemel, al spreekt hij die laatste gedachte niet uit: ‘Fijn was het natuurlijk allemaal niet.’

‘Nee’, snuift Mireille, die atheïstisch is opgevoed en nog geen pastoor van een dominee kan onderscheiden. ‘Fijn zal het zeker niet geweest zijn.’

Ze lacht hartelijk om zijn eufemisme. Onbegrijpelijk dat die man hier nog staat. Hoe is het mogelijk dat hij zo kalm zijn verhaal vertelt? ‘Heeft u steun aan uw geloof?’, had ze zo-even nog gevraagd. ‘En, was het een mooie begrafenis?’ ‘Mwah’, had de man zijn schouders opgehaald, ‘het was een euh, begrafenis.’

In 1966 begon zijn lijdensweg met de constatering dat hij leed aan de bloedziekte polycythemia vera.

Mireille kijkt de zaal met studenten rond. ‘Weet iemand wat dat is?’

Op de zesde rij knikt een meisje bedeesd.

‘Jij’, boort Mireille. ‘Als je knikt moet je het zeggen ook.’

Het meisje aarzelt, slaat dan haar ogen op en zegt: ‘Dat je te veel rode bloedlichaampjes aanmaakt.’ Mireille knikt. ‘Heel goed.’ Ze kijkt weer de zaal rond. ‘Heeft iemand een vraag aan deze meneer? Wat zouden jullie bijvoorbeeld willen weten over dat zweten?’

‘Wanneer dat gebeurde’, zegt een ander meisje. ‘Waren het aanvallen of was dat constant?’ ‘Fantastische vraag’, vindt Mireille.

‘Aanvallen’, zegt de man en alweer lijkt het of hij over de lotgevallen van een niet al te geliefde kennis staat te vertellen. Hij vertrekt geen spier en praat verder met dezelfde berusting als waarmee hij zojuist vertelde over het sterven van zijn vader. ‘Ik viel af, kreeg hartkloppingen. Hartkloppingen en afvallen horen erbij, hè.’

‘Aha, maar waarbij, dat is voor hen nog de vraag’, zegt Mireille en knikt naar de studenten. Ze lacht. ‘Heeft iemand al een clue?’ En, als niemand antwoordt: ‘Trillen en zweten kunnen ook het gevolg van een paniekstoornis zijn, en sommige mensen die cocaïne gebruiken, gaan ook erg zweten. Dus dat zweten kan zoveel zijn.’

De studenten stellen nog wat voorzichtig geformuleerde vragen. Een van hen, een meisje met lang donkerblond haar en een bril heeft ineens een idee: tumoren bij de bijnier. ‘Nou’, zegt Mireille, ‘als jij er van het begin was bij geweest, was dat dossier niet zo dik geweest!’ En ze legt uit wat er gebeurde in het lijf van de Jehova’s getuige. De tumoren schopten de bijnierfunctie in de war. Ze maakten allerlei stoffen aan, adrenaline en noradrenaline, en zetten processen in gang die artsen jarenlang toeschreven aan andere kwalen. Dat het zweten verkeerd werd geïnterpreteerd, komt doordat het logisch paste bij de diagnose uit 1966. Daar is dus verder geen aandacht aan besteed. Na een denksessie achter haar bureau en een MRI-scan kwam Mireille ineens de gezwellen op het spoor. De patiënt werd geopereerd – met veel extra voorzorgsmaatregelen, want Jehova’s getuigen weigeren bloedtransfusies. Al kan het dossier nog niet worden gesloten, want de tumoren zijn nog niet helemaal weg.

Waarom die scans niet eerder gemaakt zijn, wil iemand weten.

‘Omdat scans soms onterecht positief testen’, antwoordt de internist. ‘Als ik jullie over twintig jaar ga scannen, zit er bij 10 procent een knolletje in de bijnier dat niks te betekenen blijkt te hebben. Je gaat niet scannen zonder duidelijke vraag.’

Met dat antwoord nemen de studenten genoegen. Mireilles pieper gaat. Ze is nodig op de Spoedeisende Hulp. Het college is voorbij. De patiënt zet zich bij de uitgang en deelt met matte ogen geloofsfolders uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden