INTERVIEW

'Voor mij belichaamt 1956 nog steeds absolute hoop'

Honderdduizenden Hongarije ontvluchtten hun land na de mislukte opstand in 1956 tegen de Sovjet-Unie. Nu, precies zestig jaar later, staan er vluchtelingen aan de Hongaarse grens, maar op veel mededogen kunnen zij niet rekenen. Wat is er gebeurd?

De 82-jarige schrijver László Bitó. Beeld Daniel Rosenthal

Als de 82-jarige schrijver László Bitó zich een weg baant door een demonstratie tegen het vluchtelingenbeleid van de Hongaarse premier Viktor Orbán, draaien de hoofden in zijn richting. Hij draagt een lange regenjas en een platte pet in Franse stijl; zijn witte sportschoenen vallen een tikje uit de toon.

De demonstranten aan de voet van het parlementsgebouw in Boedapest zijn verenigd in hun afschuw over de manier waarop Orbán met vluchtelingn omgaat en stoten elkaar aan als Bitó voorbij komt. Ze wijzen naar het bord dat hij op buik en rug draagt. Er staat op: 'Ik was een vluchteling.'

In zijn hand houdt Bitó een zwart-witfoto die hij in honderdvoud heeft laten drukken. Uit 1956, zegt hij erbij. Op de foto wankelen vier mensen over een deels kapotte brug naar de overkant. 'Dit is bij Andau, vlak over de grens in Oostenrijk. Het was een koude novembernacht, we liepen tot het licht werd. De Oostenrijkers ontvingen ons met warme thee.'

Het is een dag na de demonstratie als Bitó ontvangt in de werkkamer van zijn negentig jaar oude herenhuis aan de avenue Béla Bartók in de Hongaarse hoofdstad. Bitó's vrouw serveert walnoten, chocola en kaas. Op tafel ligt zijn nieuwste roman, Het evangelie van Anonymus, zoals veel van zijn werk geënt op de Bijbel.

Zeven keer per jaar houden de Bitó's hier in goed Midden-Europese traditie salon, en komen er tientallen schrijvers en intellectuelen over de vloer voor lezingen en gesprekken. De bezoekers zijn vereeuwigd op een rij foto's aan de wand. Daar, tweede van links, is dat niet György Konrád?

Staatsradio

'1956' - is niet alleen in huize-Bitó, maar in heel Hongarije een begrip. Het land herdenkt zondag de revolutie, die precies zestig jaar geleden begon. Duizenden studenten en betogers kwamen op 23 oktober 1956 in opstand tegen het communistische bewind. Stalins beeld ging neer op het Heldenplein van Boedapest, de nieuwe (maar kortstondige) premier Imre Nagy zei het Warschaupact vaarwel. 'Russen wegwezen!', scandeerden de Hongaren.

Op dat moment was Lászlo Bitó 22 jaar oud. De zoon uit een diep katholiek gezin was door de stalinistische machthebbers tewerkgesteld in een kolenmijn in Komló, 200 kilometer ten zuiden Boedapest. 'We hoorden tijdens de pauze op de staatsradio dat er geplunderd werd in de hoofdstad. Dat verraste ons. We draaiden de transistorradio op de kop, schroefden hem open en zochten met de hand naar Radio Free Europe. Er was een revolutie gaande. Nog steeds geloofden we het niet. Pas toen we hetzelfde hoorden op de BBC, wisten we dat het waar was.'

De kompels overmeesterden de militaire leiding. 'Die bewakers waren nauwelijks bewapend, ze werden zelfs door de communisten niet vertrouwd. Het waren echt varkens, zo dom waren ze.'

De Hongaarse Opstand

De Hongaarse opstand begint op 23 oktober als een vreedzame demonstratie van Hongaarse studenten uit solidariteit met een arbeidersopstand in Polen. Het loopt uit op een massale manifestatie tegen de Sovjet-Unie. Symbolen van de Sovjet-Unie - rode sterren, het staatswapen op vlaggen - worden weggehaald en het standbeeld van Stalin op het Heldenplein in Boedapest wordt neergehaald. De demonstranten willen een eind van de Sovjetbezetting en eisen vrije verkiezingen.

Op 24 oktober nemen ze het regeringsgebouw in Boedapest in en dwingen ze de regering tot aftreden. De opstand lijkt te slagen. Op 4 november grijpt de Sovjet-Unie onder leiding van Chroetsjov hard in. Tijdens de gevechten komen naar schatting 2.700 Hongaarse burgers om het leven, meer dan 200 duizend Hongaren ontvluchten het land. In 1991 biedt de Sovjet-Unie excuses aan voor haar harde optreden.

Met trucks reden de mijnwerkers later naar Boedapest, waar Russische tanks de Donau al waren overgestoken om het protest met geweld neer te slaan. De spontane opstand van het Hongaarse volk duurde nog geen twee weken.

'Misschien was dit wel de laatste 19de-eeuwse revolutie', schreef de communist Miklós Molnár. 'Dat alom bekende romantische beeld van de rebel, met het wapen in de hand en een vrijheidskreet op de lippen, die strijdt voor een zaak, zal Europa waarschijnlijk nooit meer aanschouwen.'

Wanhopige telefoontjes naar Parijs en Londen bleven onbeantwoord - daar hadden ze de handen vol aan het conflict met Egypte over de toegang tot het Suez-kanaal. Ook vanuit Washington bleef het stil. Zo'n 2.700 Hongaarse burgers kwamen om, 200 duizend anderen ontvluchtten het land.

Beeld getty

De vlucht

'Voor mij belichaamt 1956 nog steeds een gevoel van absolute exuberantie, van hoop', zegt Bitó. 'Anderzijds: ik denk dat de meeste mensen niet wisten waar ze voor vochten. Vaak waren het jonge mensen, 13 of 14 jaar oud. Ze hadden gewoon een geweer gegrepen en wilden vechten.'

Onder de duizenden Hongaren die het land ontvluchtten, bevond zich ook László Bitó. 'Ik wilde de aankomende dictatuur niet dienen, noch er het slachtoffer van worden. Een alternatief was er niet meer. Je was een volksvijand of een collaborateur.'

Samen met andere vluchtelingen nam hij de trein naar Oostenrijk. 'Veertig kilometer voor de grens gingen we met vijftien, twintig mensen te voet verder. Het was ijskoud. We waren gewaarschuwd voor de moerassen in dat gebied en betaalden een dorpeling om ons tot de grens te gidsen. Later heb ik gehoord dat er mensen in dat moeras zijn blijven steken. Ze werden de volgende ochtend gevonden, doodgevroren.'

Bitó had gehoopt dat Hongarije vorig jaar dezelfde gastvrijheid had getoond aan de gevluchte Syriërs. 'Die gastvrijheid ligt verankerd in het Christendom en het Jodendom. Kijk naar de joodse traditie, waar Hongaren zoveel van zouden moeten weten. Die schrijft voor om bij de oogst wat graanhalmen te laten staan aan de kant van de weg, in het geval er vreemdelingen passeren.'

Via Oostenrijk kwam hij terecht in de Verenigde Staten, in Cleveland, Ohio, dat volgens Bitó toen een 'Hongaars getto' was. 'Er zaten Hongaren die voor de Eerste Wereldoorlog geëmigreerd waren. Ik zag meisjes in jurken die ik alleen kende van het platteland. Ze waren bevroren in de tijd. Het was niet mijn plek. Ik wilde niet terug in de tijd, ik wilde vooruit.'

Hij kreeg een studiebeurs, en mocht naar het illustere Bard College in New York, waar hij filosofe Hannah Arendt ontmoette. 'Ik herinner me haar teleurstelling. Ze had gehoord dat de Hongaren vrijheidsstrijders waren, zei ze, maar de Hongaren die ze sprak, waren alleen geïnteresseerd in nieuwe auto's en mooie kleren. Ik antwoordde: een man die na jaren van ontberingen op een onbewoond eiland gered wordt, vraagt eerst om water en brood.'

Roosevelt

Op Bard woonde Bitó een college bij van Eleanor Roosevelt, de voormalige First Lady. Hij bleef in het auditorium hangen, raakte aan de praat en kreeg een uitnodiging voor een bezoek aan de Roosevelt Library. 'De staf was er erg behulpzaam en vertelde me verhalen die ik beter niet had kunnen horen. Over de maîtresses van president Roosevelt en de sfeer in het huis toentertijd. Beneden was een kleine wc. De bedienden fluisterden dat Eleanor die extra lang liet doorspoelen om haar huilen te overstemmen.'

Bitó aardde goed in de VS: hij promoveerde aan Columbia University en werkte daar tot zijn emeritaat in 1998 als hoogleraar oculaire fysiologie. Zijn onderzoek droeg bij aan de ontwikkeling van een medicijn tegen de oogziekte glaucoom, waar hij de hoogste onderscheiding in de oogheelkunde voor kreeg. Rond de millenniumwisseling keerde hij terug naar Boedapest. Sindsdien mengde hij zich met zestien romans en essaybundels en opiniestukken in het publieke debat. Zijn eerste twee romans hadden de revolutie van 1956 als uitgangspunt.

Beeld getty

Anders dan in 1956

Het is niet het '1956' dat de regering van Orbán vanaf zondag uitdraagt tijdens de herdenkingsweek: dat van soevereine Hongaren versus de grote machten (toen Moskou, nu Brussel) om hen heen. Regeringswoordvoerder Zoltán Kovács benadrukt dezer dagen waar hij maar kan dat er geen enkele parallel bestaat tussen 1956 en de Europese vluchtelingencrisis. Ook hij beroept zich op de 'joods-christelijke cultuur' van Hongarije - beter gezegd de veronderstelde afwezigheid daarvan bij nieuwe 'migranten'. 'Toen de Oostenrijkers de vluchtelingen van '56 ontvingen, was het alsof ze hun neven binnenhaalden. Zo is het niet met de huidige groep.'

'We zullen niemand toestaan ons thuisland te veranderen', zei minister van Buitenlandse Zaken Péter Szijjártó bij een recent bezoek aan Washington. Hij bedankte de Amerikanen voor hun gastvrije onthaal van zijn landgenoten na 1956. Premier Orbán verklaarde maandag nog dat vluchtende Hongaren netjes wachtten tot hen een land van asiel werd aangewezen, impliciet snerend naar de haast van Syriërs, vorig jaar, om Duitsland te bereiken.

László Bitó vat het verschil met 1956 in een paar zinnen samen. 'Hongarije bouwde een hek, Oostenrijk heette ons welkom. De brug over de rivier was door de Russen opgeblazen, niet door de Oostenrijkers. Vluchten was moeilijk, ontvangen worden niet.' Het heeft hem tot de conclusie gebracht dat haat verslavend werkt. 'Men zoekt iemand om te haten. Het is als een drug, als endorfine. Orbán ziet alleen aanhangers van zijn Fidesz-partij als echte Hongaren, de rest niet. Het makkelijkst is het om Joden te haten - daar is de meeste literatuur over.'

Hoe bloedig 1956 ook was, schreef Bitó eens in een opiniestuk, de vijand kon tenminste op weerstand rekenen. De Hongaren waren verenigd in hun verzet tegen de dictatuur. 'Onze opstand was glorieus in haar falen.' Nu, zestig jaar later, kan Orbán zonder veel problemen de pers breidelen, het justitieel apparaat lamleggen en een hetze tegen de vluchtelingen voeren. Apathie is de nieuwe norm.

László Bitó, zelf altijd partijloos gebleven, ziet hoe de linkse partijen in Hongarije zich 1956 proberen toe te eigenen - zonder succes. 'Ze nemen de woordkeus van Orbáns Fidesz-partij over. Als Fidesz spreekt van 'migranten', doet links dat vervolgens ook, terwijl ze het zou moeten hebben over 'vluchtelingen'. Fidesz ageert, wij reageren. 1956 zou ons moeten verenigen, maar leidt nu alleen maar tot verdeeldheid.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden