Voor jan met de pet

Zijn bevlogenheid en werkdrift waren vermaard, zijn tentoonstellingen baanbrekend. Donderdag overleed Jan Hoet, de museumdirecteur die kunst letterlijk de woonkamers in bracht.

Zo idolaat was Jan Hoet van kunst en kunstenaars, dat hij zichzelf op 30 november 1996 om klokslag 00.00 uur als smakelijk hapje liet opdienen. Piemelnaakt lag hij op een reusachtig dienblad, gedragen door vier sterke mannen, alleen zijn vlinderdas nog om. De ontvanger van het cadeau: performancekunstenares Marina Abramovic, een van zijn grote helden - zij werd die dag 50 jaar.


Zo gepassioneerd en toegewijd was de Vlaamse kunstpaus, museumdirecteur en tentoonstellingsmaker Jan Hoet aan de kunst dat hij de herhaaldelijke adviezen van zijn vrouw en zoon om het kalmer aan te doen, in de wind sloeg. Ondanks zijn broze gezondheid van de afgelopen jaren - hij leefde op één nier, overleefde een hersenbloeding, een hartaanval en lag twee jaar geleden drieënhalve week in coma - bleef hij nieuwe avonturen aangaan.


Donderdagmorgen is Hoet gestorven, 77 jaar oud, in zijn woonplaats Gent. Hij gaf nooit op, bleef altijd bij de tijd en werkte tot op het laatst door. De afgelopen jaren organiseerde Hoet bijvoorbeeld nog een biënnale voor hedendaagse kunst in China, en zette hij de eerste onlinebiënnale voor jonge, hedendaagse kunst op, waarvoor hij samenwerkte met curatoren en kunstenaars van faam en naam.


Hoet was een unicum in de kunstwereld. In de jaren tachtig en negentig gold hij als een van de belangrijkste en meest bevlogen tentoonstellingsmakers, van het uitstervende kaliber van de Zwitser Harald Szeemann (in 2005 overleden) en de Duitser Kasper König. Anders dan tegenwoordig staat bij deze generatie tentoonstellingsmakers het kunstwerk en de kunstenaar centraal.


Hoet zal ook de geschiedenis in gaan als de langstzittende museumdirecteur zonder eigen gebouw. Ruim twintig jaar beijverde hij zich voor een Museum voor Hedendaagse Kunst, het eerste van België. Pas in 1999 was het S.M.A.K. in Gent een feit.


Hoets grote liefde voor de kunst was hem door zijn vader, een hartstochtelijk verzamelaar, bijgebracht. Hij probeerde als jongen kunstenaar te worden, maar vond zijn eigen werk te licht en ging kunstgeschiedenis studeren. Hij zei erover: 'Mijn grootste geluk was dat ik tijdig inzag dat ik geen kunstenaar was.' Wellicht vanwege dat nooit ingeloste verlangen naar het kunstenaarschap, ontpopte hij zich als een anti-theoreticus, die zijn kunstenaars koos vanuit intuïtieve en artistieke verwantschap.Vanuit de onderbuik.


Zijn grote doorbraak kreeg Hoet met de tentoonstelling Chambres d'Amis in 1986. Het idee voor deze inmiddels legendarische expositie kwam voor een deel voort uit ruimtenood en voor een deel uit de destijds revolutionaire gedachte dat het hoogstaande museum zich te veel dreigde te isoleren van zijn omgeving: de stad, de samenleving en de mensen. Hoet nodigde 51 internationaal befaamde kunstenaars uit om werk te maken en veranderde 64 Gentse huiskamers in museumzalen. Zo maakte hij de kunst weer toegankelijk en plaatste hij haar midden in het leven. En passant doorbrak hij het taboe op de combinatie van kunst en toerisme - Chambres d'Amis was een event. Tot op de dag van vandaag wordt dit tentoonstellingsmodel nagevolgd.


Hoet slechtte grenzen, ook 1992 in Kassel, bij de door hem samengestelde negende Documenta, een van de belangrijkste mammoettentoonstellingen ter wereld. Hij diende de kunst niet op in hoogdravende concepten, maar als ontdekkingstocht en als unieke ervaring. Hij nam een groot risico door kunstenaars, van Ilya Kabakov, Louise Bourgeois, Marina Abramovic en Bruce Nauman tot Anish Kapoor, uit te dagen nieuw werk te maken.


De magie van Hoet leek ruim tien jaar geleden uitgewerkt. Het door hem samengestelde Sonsbeek 9 in Arnhem bijvoorbeeld, kampte met tegenvallende bezoekersaantallen. De formule van kunst op alledaagse plekken, tot en met de supermarkt aan toe, was gemeengoed geworden. Zijn liefdesverklaring aan toegankelijke ervaringskunst was ingehaald door een behoefte aan inhoud en engagement.


Maar Hoet vocht terug. Met zijn bevlogen anti-establishmenthouding zette hij na zijn pensioen als museumdirecteur het Marta Herford Museum op de kaart, in het tot die tijd wat duffe Duitse provinciestadje Herford. In Gent bleef hij tentoonstellingen organiseren.


De voorbereidingen van een van zijn laatste projecten, de biënnale in China, in 2012, werden hem bijna fataal. Op het vliegveld van Hamburg stortte hij in. Er volgden opnames in ziekenhuizen in Duitsland en België. Wekenlange coma. Virale longontsteking. Maar Hoet krabbelde weer op en ging door met wat hij al vijftig jaar deed: kunstprojecten organiseren. Als een zendeling (Hoet volgde zijn opleiding bij de jezuïeten) en schutspatroon voor jonge én gearriveerde kunstenaars.


Dus volgde er vorig jaar nog een tentoonstelling over de geschiedenis van het stripverhaal. Exposities van Jan Van Imschoot en Raoul De Keyser. En een project over outsider art op vier locaties in Geel, waaronder zijn geboortehuis - zodat 'de cirkel rond is', zoals hij vorig jaar zei.


'Knok out'

Boksen. Het was Jan Hoets tweede passie, na de kunst. Hij had het van zijn vader meegekregen: ga boksen om mensen uit een andere wereld te ontmoeten. Vader Hoet was ringdokter bij bokswedstrijden. Hoet junior leerde de sport na de Tweede Wereldoorlog. Hij was mager, maar had goede reflexen, vertelde hij graag, waardoor hij meestal op punten won of verloor. Toen Hoet een keer 'knok out' werd geslagen en tijdelijk blind was, beval zijn vader hem ermee op te houden. Hoets laatste wedstrijd was in 1999 bij de opening van zijn museum in Gent. Tegenstander: kunstenaar Dennis Bellone. Uitslag: onbeslist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden