Voor het volk, zonder het volk

Wim Kok combineerde op een unieke manier het paternalisme van de Oudhollandse verzuiling met typisch Amerikaans politiek personalisme. Dat heeft hem succes opgeleverd, maar hij heeft er ook bijna de politiek mee om zeep geholpen....

'DE GROOTSTE verdienste van Kok is dat hij de politiek saai heeft gemaakt', concludeerde Ed van Thijn, fractievoorzitter van de PvdA in de jaren zeventig, nadat Kok woensdag zijn besluit tot opstappen bekend had gemaakt. De politiek wordt pas spannend als er ruzies zijn en de ondergang dreigt van een van de hoofdrolspelers. Voor een premier is het zaak zulke onrust te vermijden. Door tijdig te vertrekken, beperkt Kok wederom de opwinding tot het absolute minimum. Van Thijn lichtte niet toe hoe Kok erin slaagde deze superieure slaapverwekkendheid te organiseren. Toch is dat van essentieel belang om de betekenis van Wim Kok te kunnen beoordelen als premier en partijleider van de PvdA.

Kok is vaak verweten dat hij geen visie heeft. Daarmee wordt hij tekortgedaan. De afgelopen twintig jaar heeft hij in verschillende functies vormgegeven aan de hervorming van de verzorgingsstaat. De inzet van Kok is eigenlijk zeer consistent geweest. Hij is er al vroeg van overtuigd geraakt dat de positie van de zwakkeren in de samenleving het meest gebaat is bij economisch herstel. Daarom is hij ook bereid geweest verworven rechten aan te tasten om de economische groei te stumuleren.

Wat Kok wel kwalijk kan worden genomen, is de manier waarop hij deze maatregelen heeft verdedigd. Hij heeft steevast de noodzaak ervan benadrukt en het terugtreden van de overheid nooit gezien in het licht van de emancipatie van de burger. Het gevolg was dat hij geen richting meer kon geven aan de modernisering van de samenleving toen het economisch beter ging.

Het bijzondere aan Koks hervorming van de verzorgingsstaat was niet zozeer de inhoud - in andere landen hebben zich vergelijkbare veranderingen voorgedaan - maar de manier waarop hij ze heeft verdedigd en aanvaard gekregen. Koks stijl valt te omschrijven als verlicht paternalisme. Vader Kok zorgt voor de werknemers en de zwakken in de samenleving, maar zonder ze daarbij te betrekken.

Aan filosofische analyses en scherpe debatten heeft hij een hartgrondige hekel. Kok haalt de kastanjes uit het vuur, duwt de achterban de bittere pil door de strot, en identificeert zich met het gesloten compromis. Het is een stijl die perfect past in het door de politicoloog Lijphart beschreven verzuilde Nederlandse bestel van de 'pacificatiedemocratie'. Hij heeft er alleen een slim en modern toefje aan toegevoegd.

In deze pacificatiedemocratie, die vanwege de gescheiden levensbeschouwelijke subculturen van nature onstabiel is, waarborgen de als kartel opererende elites stabiliteit. Zij proberen het pleit niet te winnen door te debatteren, conflicten uit te vechten of andersdenkenden te overtuigen, maar door te depolitiseren en compromissen te sluiten. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat de toppen van de zuilen de handen vrijhouden. Zij moeten het gezag hebben de besluiten die zij nemen ook als faits accomplis te verkopen aan de achterban.

In de jaren zeventig leek de pacificatiedemocratie op zijn retour. De tegenstellingen tussen de partijen liepen hoog op. De PvdA hanteerde, onder Joop den Uyl en Ed van Thijn, zelfs een polarisatiestrategie. Het politieke leiderschap van Kok laat zich lezen als een herstel van de politieke psychologie van de pacficatiedemocratie. Hij besefte dat de maatschappelijk noodzakelijke maatregelen alleen konden worden genomen als de politieke elite en de leiding van de sociale partners bereid waren gezamenlijk verantwoordelijkheid te dragen voor onpopulaire beslissingen.

Het Akkoord van Wassenaar in 1982 is een mooi voorbeeld van de wedergeboorte van de pacificatielogica. Wim Kok was er toen als voorzitter van de FNV een van de architecten van. Na negen jaren van loonmaatregelen kon ingrijpen door de overheid in lonen en prijzen eindelijk achterwege blijven. Kok bleek namelijk bereid de prijscompensatie aan te wenden voor verkorting van de arbeidstijd. In de cao's deed de 38-urige werkweek zijn intrede en kwam deeltijdarbeid in zwang. Deze loonmatiging kwam neer op een daling van het reële loon en opende de weg voor bezuinigingen op uitkeringen en overheidssalarissen. Een groot deel van zijn eigen achterban was daarom niet enthousiast. Toch wist hij de naleving van het Akkoord af te dwingen en de morrende massa te bedaren.

Het Akkoord van Wassenaar was het begin van de sanering van de overheidsfinanciën, die Kok later als schatkistbewaarder in het derde kabinet-Lubbers zelf ter hand zou nemen. Gemakkelijk ging dat niet. Vooral de zomer van 1991 was pijnlijk. Kok had in het voorjaar al moeten slikken dat de lonen en de uitkeringen werden ontkoppeld. Vervolgens nam het kabinet in de zomer een draconisch WAO-besluit.

De manier waarop hij de WAO-ingreep verdedigde, vertoont gelijkenissen met zijn opstelling bij het Akkoord van Wassenaar. De achterban werd wederom niet voorbereid op wat komen ging, maar onverhoeds geconfronteerd met een koerswijzing waartoe de top in al haar wijsheid had besloten.

In 1991 bleek het sociaal-democratische voetvolk echter allerminst volgzaam. Ten tijde van de verzuiling was de loyaliteit van de achterban onvoorwaardelijk, omdat die geschraagd werd door een geloof of door een levensbeschouwing die in feite net zo religieus was. Kok had die luxe niet meer. Toch heeft hij een manier weten te vinden om de weerbarstige achterban aan zich te binden. Die binding had echter geen ideologische, maar een persoonlijke basis.

De hete WAO-zomer heeft Kok alleen overleefd doordat hij er op het haastig bijeengeroepen speciale partijcongres een vertrouwenskwestie van maakte. Wie de WAO-plannen niet wilde, wilde Wim Kok niet. Het was een strategie die hij ook als minister van Financiën heeft toegepast. Vakministers van sociaal-democratischen huize, zoals Jo Ritzen van Onderwijs, beseften maar al te goed dat als ze zich verzetten tegen de bezuinigingen, ze daarmee hun partijleider zouden afvallen en de partij schade zouden berokkenen. Kok wist hun loyaliteitsconflict optimaal uit te buiten ten gunste van de staatskas.

Deze personalistische aanpak werd vervolgens de basis van de verkiezingscampagnes van de PvdA. De campagne was volledig opgehangen aan de persoon van Wim Kok en zijn integere imago. In partijbladen en op de televisie verschenen interviews over de mens achter de politicus. De leuze van de campagne was ook 'Kies Kok'; dat hij van de Partij van de Arbeid was, leek er niet toe te doen.

Het was een gok die goed uitpakte. Koks imago bleek door het WAO-debacle niet al te zeer te zijn aangetast. Het electoraat bleef hem vertrouwenwekkend vinden, ook al had hij in de voorafgaande periode tot twee keer toe bewezen dat zijn beloftes niet veel waard waren. Stellig had hij verkondigd dat hij een ontkoppeling van lonen en uitkeringen niet zou meemaken, maar hij bleef rustig zitten toen het zover was. En ook tegen ingrepen in de WAO-uitkering heeft hij zich gekeerd, om vervolgens toch overstag te gaan.

Als premier is hij meer en meer gaan leunen op dit persoonlijke charisma. Na het afschudden van de ideologische veren was dat ook het enige dat overbleef. De manier waarop hij de kwestie-Máxima oploste, tekende zijn politieke stijl. Hij gebruikte zijn persoonlijke gezag om de Kamer te verbieden over de zaak te debatteren zolang de kwestie nog niet actueel was. En de kwestie werd pas actueel toen hij haar had opgelost.

Verantwoording afleggen werd tot een minimum beperkt. De wekelijkse gesprekken met de minister-president werden steeds ijler. De inhoud van wat hij zei, kon met het blote oor niet meer worden vastgesteld. Toch hadden de rustig geformuleerde nietszeggendheden een hypnotiserend effect en versterkten ze zijn populariteit en onaantastbaarheid. Kok wist vertrouwen te wekken zonder in te gaan op de inhoud van zijn beleid.

Dit leunen op persoonlijk charisma is een moderne vorm van politieke marketing. Toch is Kok nooit aangevallen op deze amerikanisering van de politiek, zoals dat bijvoorbeeld CDA-voorman Elco Brinkman wel kwalijk werd genomen. Dat kwam doordat Kok zichzelf met groot succes wist neer te zetten als een gewone, bescheiden man. Maar het veelvuldig gebruik van persoonlijk gezag om de eigen zin door te drukken getuigt natuurlijk allerminst van bescheidenheid.

Dat het succes van de partij zozeer aan zijn persoon werd opgehangen, versterkte ook een zekere arrogantie. Kritiek uit eigen gelederen op de koers van de partij werd al snel beschouwd als een aanval op zijn persoon en dus als hoogverraad. Illustratief is de kinderachtige manier waarop de premier reageerde op interventies van de Wiardi Beckman Stichting, het vrijpostige wetenschappelijke bureau van de PvdA.

Het ter discussie stellen van kwesties als de belastinghervorming of debatten over beginselen zag hij als irritante ballast. Hoe nietszeggender het ideologische profiel van de partij (denk bijvoorbeeld aan het vorig jaar gepubliceerde waterige concept-beginselprogramma van Willem Witteveen), hoe meer hij zijn handen vrij had. Kok hoefde nooit meer op beloften terug te komen, omdat hij nooit meer een belofte deed.

Paradoxaal genoeg gebruikt hij deze politieke overlevingsstrategie de laatste jaren steeds meer om een project te verdedigen dat er inhoudelijk haaks op staat. Onder Paars is de sanering van de overheidsfinanciën namelijk omgesmeed tot een rolwisseling van de staat. Steeds meer wordt geprobeerd de emancipatie van de burgerij niet van staatswege af te kondigen, maar burgers en maatschappelijke instellingen in de gelegenheid te stellen hun eigen zaken te regelen.

Zo is de verantwoordelijkheid van scholen - althans op papier - vergroot. In de sociale zekerheid wordt geprobeerd arbeidsongeschikten met persoonsgebonden budgetten meer zeggenschap te geven over de eigen reïntegratie. Het zijn pogingen de betutteling door de overheid te doorbreken. Het is ironisch dat deze onderneming onder leiding staat van zo'n ongekend paternalistische politicus.

Het staat buiten kijf dat Kok uiterst succesvol is geweest met zijn depolitisering. Hij heeft zo'n gezaghebbende en tegelijkertijd natuurlijke uitstraling dat de mensen denken dat er geen alternatief is voor het te voeren beleid en de dominante stijl. Velen denken dat we 'nu eenmaal' in een gedepolitiseerde tijd leven en dat het gemakkelijk is de politiek buiten de deur te houden als het goed gaat met de economie.

Deze analyse miskent het genie van Kok. Voorspoed leidt namelijk niet per definitie tot een kabbelend debat. In de geschiedenis is de grootste maatschappelijke onrust vaak ontstaan in tijden van economische expansie. Hoe beter het gaat met het land, hoe hoger de verwachtingen stijgen en hoe onacceptabeler het is onrecht te dulden. In tijden van crisis is het daarentegen tamelijk gemakkelijk het front gesloten te houden, door zich te beroepen op het TINA-argument: There Is No Alternative.

Het vanzelfsprekende van de strategie van Kok verdwijnt ook wanneer je hem vergelijkt met sociaal-democratische collega's als Tony Blair. De Britse partijleider heeft deels dezelfde weg afgelegd als Kok. Ook hij heeft afscheid genomen van het oud-linkse geloof dat via de staat de economie te organiseren viel. Maar in tegenstelling tot Kok heeft Blair wel degelijk uitgelegd dat zijn Third Way de erfgenaam was van de emancipatoire gedachte van het socialisme. Het ideaal bleef immers onveranderd: mensen meer greep te geven op hun eigen leven. Blair heeft een groot overtuigingsoffensief gevoerd voor zoals hij het noemde New Labour.

Het ouderwetse, paternalistische van Koks politieke stijl blijkt ook uit een vergelijking met het bedrijfsleven. Daar is het besef inmiddels doorgedrongen dat een strategie waarbij het publiek om algemeen vertrouwen wordt gevraagd zonder dat daar een eerlijke verantwoording tegenover staat, op termijn funest is. Bedrijven als Shell voeren daarom een permanente campagne om steun te organiseren voor hun bedrijf. Die campagne heeft natuurlijk vaak de vorm van een voorlichtingscircus. Maar het is allang geen eenrichtingsverkeer meer. Maatschappelijk verantwoorde bedrijven luisteren en komen tegemoet aan actiegroepen en hun klanten.

Het gevaar van Koks paternalistische, gedepolitiseerde politieke stijl is tweeledig. De omfloerste manier waarop de rol van de staat wordt omgebogen, maakt het onmogelijk de hervormingen te toetsen aan de oorspronkelijke bedoelingen. Die zijn immers nooit expliciet geformuleerd. In de praktijk is van de aanval op de betutteling door de overheid dan ook weinig terechtgekomen.

Het tweede gevaar van het paternalisme van Kok is dat zijn kabinet de burger niet probeert te overtuigen, maar al tevreden is als de burger niet protesteert. Dit minimalisme bevordert een wederzijdse onverschilligheid tussen burgers en de staat. Op de korte termijn is het prettig omdat politieke onrust uitblijft, maar op lange termijn ontstaat een gevaarlijk autisme, waarbij de politieke elite niet meer reageert op signalen uit de samenleving.

Het is daarom goed dat Kok is opgestapt. Maar het vertrek van de politieke leider betekent helaas niet het einde van de politieke cultuur die hij tot stand heeft gebracht. Van Thijn parafraserend, kan worden gezegd: 'Koks verdienste is dat hij de politiek saai heeft gemaakt. Koks makke is dat hij tal van mindere goden heeft doen geloven dat het ook zo hoort.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden