Voor het eerst zonder charme

Hij heeft getwijfeld of hij er wel geschikt voor is. Joost Prinsen speelt Dreverhaven, de alom gevreesde deurwaarder uit Bordewijks Karakter....

Dreverhaven? Deurwaarder te Rotterdam, bloedhond, beul, stugge natuur – de man over wie Bordewijk in zijn roman Karakter schreef: ‘De grond zou dreunen waar hij viel’?

Dreverhaven? Vader van Jacob Willem Katadreuffe, voor altijd vastgelegd in die zin: ‘Bij god, ik zal hem wurgen, ik wurg hem voor negen/tiende en dat ene tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken’?

Dreverhaven? Hij?

Joost Prinsen (68) drinkt zijn eerste biertje van de dag, na de repetitie van Karakter, vanaf september onder regie van Ger Thijs in de theaters, en hij zegt maar meteen: toen hij werd gevraagd door Thijs, aan het eind van 2009, was zijn eerste reactie: ‘Ik ben een nogal goedmoedig iemand, die Dreverhaven is niks voor mij.’

Daar kwam bij, en ook dat zei hij tegen Thijs: ‘Iedereen herinnert zich Jan Decleir, groot en woest, in de film van Mike van Diem, ik ben maar een mager, gebocheld ventje.’

Antwoordde de regisseur: ‘Uiterlijk interesseert me niet.’

Ook goede vriend Geert Lageveen vroeg Prinsen om advies. Lageveen, acteur en regisseur bij Orkater zei: ‘Moet je doen, die rol, waar wil je nou eigenlijk advies over?’

Ja, waar wilde u advies over?

‘Op de toneelschool zei Ank van der Moer al tegen me: als iets jou bedreigt als acteur, is het je goedmoedigheid. Dat kan niet iedere rol hebben.’

Deze zeker niet.

‘Dus daar was ik bang voor.’

Ger Thijs zei: ‘Joost goedmoedig? Hij heeft een iets ander beeld van zichzelf dan de helft van Nederland van hem heeft.’

Lacht, een beetje betrapt: ‘Mijn vrouw zei ook al niet ongeestig toen ik thuis ergens woedend op had gereageerd: ‘En jij denkt dat je Dreverhaven niet kunt spelen?’

Hij las Karakter toen hij zestien was; de leeftijd waarop je boeken begint te lezen die ‘over jezelf gaan’: Kees de Jongen, Titaantjes, De Uitvreter, Lijmen/Het been. Niet dat hij nog precies weet wat hem raakte in het beroemde boek over de alomgevreesde deurwaarder Dreverhaven en zijn onechte zoon Katadreuffe, die zich met blinde ambitie en ijzeren discipline omhoogwerkt tot advocaat – hoe vaak zijn vader hem ook de voet dwars zet.

Hij heeft de roman onlangs herlezen. Wat iedereen ook zegt, voor hem is Karakter niet het verhaal van een vader en een zoon. ‘Eerder van mensen die de predestinatie hebben om het geluk van zich weg te duwen.’

Hij citeert uit Schuberts Der Wanderer: Dort wo du nicht bist, dort ist das Gluck. Zegt: ‘Als je tegen die mensen – Dreverhaven, Joba en Katadreuffe – zegt: daar is het geluk, rennen ze alledrie de andere kant op. Dát is het thema van het boek.’

Identificeerde u zich als zestienjarige met iemand uit Karakter?

‘Nee. Ik identificeerde me met iedereen waarvoor een mooie monoloog was geschreven. Die manier van lezen heeft me nooit verlaten. Dat je denkt: hoe zou het eruit zien als ik het speel?’

Welke beschrijvingen uit de roman neemt u mee als u de rol van Dreverhaven gaat inkleuren?

‘Het interesseert me in eerste instantie geen biet wie Dreverhaven is. Ik heb geleerd, van Leen Jongewaard al: je speelt geen rol, je speelt een scène. Die rol komt dan vanzelf.

‘Je hebt acteurs die al op de eerste repetitie een idee hebben van een rol. Ze denken, ik noem maar iets, aan een aarzelend, stotterend iemand. Vanaf dag een zitten die hun tekst stotterend te lezen, en dan denk ik: man, waar ben je nou toch mee bezig, speel gewoon even wat er staat! Op die manier sluit je je namelijk af van alles wat de scène je cadeau geeft.

‘Als je blanco begint, en dat is moeilijk genoeg hoor, kom je eerder op een vondst zoals ik die gisteren had, in de scène waar Dreverhaven voor het eerst bezoek krijgt van zijn zoon Jacob Willem, en hem een lening aanbiedt, een wurgcontract eigenlijk.

‘Als ik het beeld in mijn hoofd had van een norse man die zijn zoon vervelend behandelt, zou ik in die scène zeggen: ‘Je tekent een schuldbekentenis van achthonderd gulden, de rente is twaalf procent, hoor je me, twaalf procent,’ – slaat zijn hand op tafel – ‘en je betaalt me af met vierhonderd gulden per jaar, hoor je goed, vierhonderd gulden per jaar’.

‘Maar ik kan ook spelen, met veel pauzes: ‘De rente is ... – hij denkt hardop, en meteen sluipt er venijn in zijn stem – : ‘Wat zal ik die jongen eens voor rente rekenen – twaalf procent ... en je lost mij af met ... vierhonderd gulden per jaar ...’. Dat geeft zo’n scène zoveel meer lading dan dat je overduidelijk ‘nors’ zit te acteren. Dan denkt de zaal toch: hou maar op, zo kan ik het ook?’

Joost Prinsen is een duizendpoot. Acteur, televisiepresentator, zanger, quizmaster, docent op de Amsterdamse toneelschool. Voor iedereen boven de veertig zal hij voor altijd Erik Engerd blijven, de lange pier met zijn gebreide das uit De Stratenmakeropzeeshow.

Het moet een jaar of twaalf geleden zijn geweest dat actrice Liesbeth Coops, de vrouw van acteur Kees Hulst, tegen hem zei: ‘Als jij minder charme had, was je een beter acteur’. Die opmerking kwam, zegt Prinsen, keihard aan. ‘Omdat het waar was.’

Naar aanleiding van welke rol zei ze het?

‘Van alle rollen die ik speelde, denk ik.’

Een jaar later zag hij Paul Newman – ook een acteur met pretlichtjes in de ogen – een volstrekt humorloze advocaat spelen. ‘Ik wil mezelf niet met Newman vergelijken, maar op dat moment dacht ik: dat moet ik op mijn niveau ook doen. Ik móet vroeg of laat een rol spelen waaruit alle humor verdwenen is, een rol waar alles wat een beetje leuke jongen aan mij is, weg is. Nu, Dreverhaven is mijn kans.’

De eerste?

‘Eigenlijk wel.’

Sinds uw voornemen?

‘Sterker: sinds ik van de toneelschool af ben. Natuurlijk zijn er rollen geweest waarvan jij denkt: dat was er toch ook een? De opvoeder in Elektra van Koos Terpstra was een serieuze rol, maar op de een of andere manier deed ik hem toch nog humorvol. Bij deze rol ga ik dat niet doen. We zijn nu drie weken aan het repeteren, en er is nog niet één keer om mij gelachen. Dat is veelbelovend.’

U zei eens in een interview: ‘Je moet een keer of drie in je carrière een regisseur tegenkomen die iets nieuws in je losmaakt.’ Wie zijn dat voor u geweest?

‘Ton Lutz. Johan Remmelts. Gerardjan Rijnders, Koos Terpstra; de regisseurs met wie ik het meest heb gewerkt.’

Van Lutz leerde hij al op de toneelschool: toneelspelen is denken.

‘Lees wat er staat, en speel dat. We moesten een keer een tekst van hem lezen: Het daget in het Oosten. Dat deden we heel gedragen, tot we erachter kwamen dat de man over wie het gaat net een moord heeft gepleegd, bang is dat het licht wordt omdat dan het lijk wordt ontdekt, dus dat je dan eigenlijk zo moeten spelen, en ik doe het nu even op zijn slechtst: jezus christus, het daget in het oosten, godverdomme, wat moet ik doen? Het was een enorme openbaring voor me dat je al toneelspeelt als je speelt wat er staat.’

En Rijnders?

‘Bij Rijnders speelde ik een Franse edelman in De misantroop. ‘Wat loop je toch raar recht’, zei Rijnders op een gegeven moment tegen me. ‘Nou ja’, zei ik, ‘een Franse edelman loopt toch recht?’ Waarop hij antwoordde: ‘Deze edelman loopt krom’. Er zat een hele wereld achter die zin: dat je als acteur de neiging moet onderdrukken mooi te willen spelen.’

En dat, zegt Prinsen, vereist moed. ‘Het meest wezenlijke voor een acteur, wezenlijker dan talent, ambitie, vlijt of doorzettingsvermogen, is moed. Welke vorm van kunst je ook beoefent, als je dat niet hebt, wordt het nooit wat.

‘Als er iets is wat ik van deze regisseurs heb geleerd, is het moedig zijn. Ik ben een paar keer echt bang voor een rol geweest, maar als ik erop terugkijk, zijn dat de rollen die ik goed heb gespeeld, en niet de rollen waarvan ik dacht dat ik die wel even uit de mouw schudde.’

Hij kán het ook: niet charmant zijn. Zijn Oberon in Midzomernachtsdroom, in de regie van Mark Rietman: ‘Daar zat iets engs in, iets weirds, iets seksueel engs.’

Baron de Charlus, in A la recherche du temps perdus: ‘Homoseksueel, sadistisch, misschien wel pedofiel. Allemaal dingen die ver van mijn bed liggen, maar wel een rol waaraan ik het liefst terugdenk.’

Dan snap ik al helemaal niet waarom u twijfelde over Dreverhaven. U hebt het soort rollen al gespeeld, dan bent u er toch zeker van dat u het kunt?

Met die heel nadrukkelijke stem van hem: ‘Zeker van? Zeker van? Hallo? Zeker ben je nooit.’

Hij slaat met een klap zijn hand op tafel, onderbreekt een volgende vraag, zegt: ‘Blijft er genoeg over? Dát is de wezenlijke angst. Als er geen charme en geen lach zit, blijft er dan van Joost Prinsen genoeg over, in de rol van Dreverhaven?’

Zes scènes heeft hij om het te bewijzen. ‘Zes scènes van één A4-tje, met ook nog veel wit erbij. Dan moet ik er dus wel stáán.’

Ger Thijs zegt: ‘De Dreverhaven van Joost moet verwondbaar zijn.’

‘Die mogelijkheden zijn er, in de laatste twee scènes. Als Dreverhaven Joba, de moeder van Katadreuffe, nog één keer ten huwelijk vraagt en zij hem opnieuw afwijst. En als Katadreuffe hem voor de laatste keer bezoekt, hem vraagt: ‘Waarom hebt u mij toch altijd zo tegengewerkt?’ en hij, bijna onhoorbaar, zegt: ‘Of meegewerkt’. In die twee scènes blijft hij eigenlijk volstrekt eenzaam achter.’

Is Ger Thijs in deze fase van uw acteren de juiste regisseur om u te helpen met uw opdracht: een hele rol zonder lach?

‘Dat kan ik van niemand eisen. Dat moet ik zelf doen. Maar Ger heeft me de afgelopen weken erg op weg geholpen.’

Als het lukt met deze rol, kunt u dan ophouden met acteren?

‘Dat zie ik mezelf niet doen.’

Of andersom: stopt u dan met al het andere – de quizzen, de liedjes, het lesgeven – om u als acteur te vervolmaken?

Prinsen, even charmant als ongrijpbaar: ‘Jaaa, dat is ook een interessante optie.’

Liever nog zet hij er een derde optie naast: doen wat op je pad komt. Zo heeft hij het zijn hele leven gedaan, zo wil hij het blijven doen. Vraag hem dus niet te schetsen hoe de komende tien jaar eruit zullen zien – kan hij niet. Is afhankelijk van het aanbod.

Wijsvinger in de lucht: ‘Maar! Als iemand me bij leven en welzijn over tien jaar vraagt terug te kijken, hoop ik dat ik in het rijtje van mijn beste rollen ook die van de vader in Karakter kan noemen. Dat hoop ik eigenlijk heel erg.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden