Voor het eerst valt er echt wat te kiezen in Europa

De grootste partij in mei bepaalt sterk de wetgeving en levert de voorzitter van de Europese Commissie.

Het Europees Parlement is geen echt parlement, betoogt Adriaan Schout (O&D, 8 febru- ari). Dat ben ik niet met hem eens. Het is een ander parlement.


Vooropgesteld: het Europees Parlement heeft een fors probleem. De opkomst bij Europese verkiezingen vertoont al jaren een dalende lijn. Veel mensen kennen het EP alleen van het maandelijkse reiscircus tussen Brussel en Straatsburg. Nog steeds worden we met enige regelmaat opgeschrikt door lobbyschandalen en bonnetjesaffaires.


Maar het EP heeft ook een andere kant. Sinds 1979, toen het voor het eerst rechtstreeks gekozen werd, zijn de bevoegdheden van het EP fors toegenomen. Tegenwoordig staat het op vrijwel gelijke voet met de Europese Raad van Ministers, waarin de lidstaten vertegenwoordigd zijn. Dat betekent niet per definitie 'meer Europa'. Als de PVV en haar Europese bondgenoten in mei een meerderheid halen, kunnen ze alle wetsvoorstellen van de Europese Commissie met een eenvoudige druk op de knop blokkeren.


Als Schout stelt dat het EP geen echt parlement is, dan bedoelt hij eigenlijk: het lijkt niet op de Tweede Kamer. Daarin heeft hij gelijk. Het EP is net als de Tweede Kamer verdeeld in fracties, maar er is geen regeringscoalitie en dus ook geen oppositie. In de Tweede Kamer ligt de uitkomst van de meeste stemmingen bij voorbaat vast; in het EP moet voor elke wet een meerderheid worden gevonden. In de Tweede Kamer stemt een woordvoerder namens een hele fractie; in het EP moet ieder lid zelf aan elke stemming deelnemen. In de Tweede Kamer heerst een ijzeren fractiediscipline; EP-leden gaan in 1 op de 10 gevallen tegen het standpunt van de eigen fractie in. Dit alles maakt het EP een stuk interessanter en minder voorspelbaar dan de Tweede Kamer.


Schout hekelt 'de bureaucratische manier van opereren' van het EP. Het EP kent inderdaad soms taaie procedures, die overigens vaak zijn afgekeken van nationale parlementen. Die taaie procedures zorgen ervoor dat ook volksvertegenwoordigers uit kleine landen en uit kleine fracties een bijdrage kunnen leveren aan het debat, en dat 'Europa' niet te hard van stapel loopt bij het goedkeuren van nieuwe wetgeving. Feitelijk maken alleen wetsvoorstellen die de steun genieten van een ruime meerderheid van het EP kans aangenomen te worden, waarna er ook nog eens met de Raad (de lidstaten) over een compromis moet worden onderhandeld.


Schout verwijt het EP een 'grijze pro-Europese houding', waar in nationale parlementen de links-rechts-tegenstelling overheerst. Dat de meeste EP-leden het nut inzien van Europese samenwerking is logisch; de Tweede Kamer twijfelt ook niet voortdurend aan het nut van Nederland. Maar de hoogtijdagen van het integratie-federalisme zijn allang voorbij. EP-voorzitter Schulz verkondigt aan wie het maar horen wil dat de EU alleen toekomst heeft als verbond van natiestaten. Met zijn pleidooi voor een Verenigde Staten van Europa is de liberale voorman Verhofstadt steeds meer een roepende in de woestijn.


Tegenwoordig gaan veruit de mees-te discussies in het EP niet over meer of minder Europa, maar over concrete wetsvoorstellen waarover links en rechts zeer verschillend denken. Moet de uitstoot van broeikasgassen zwaarder belast? Moet de Europese begroting omhoog? Moeten de landbouwsubsidies worden herzien? Moet er een vrijhandelsverdrag komen met de VS? Moet het recht op zwangerschapsverlof worden verruimd? Stemmingen op sociaal-economisch vlak worden vaak door centrum-rechts gewonnen; centrum-links wint juist bij consumentenvraagstukken of burgerrechten.


Anders dan Schout suggereert, zijn de Europese fracties zeker niet 'amorf'; in 90 procent van de stemmingen volgen EP-leden de ideologische koers van hun fractie. Minder dan in de Tweede Kamer, maar meer dan in het Amerikaanse Congres.


De Europese partij die in mei de grootste wordt zal de komende vijf jaar een zwaar stempel drukken op nieuwe wetgeving. Bovendien kan de verkiezingswinnaar voor het eerst officieel aanspraak maken op het voorzitterschap van de Europese Commissie. Daarom schuiven alle Europese partijen nu 'premier-kandidaten' naar voren. Schout stelt terecht dat kiezers niet rechtstreeks op deze kandidaten kunnen stemmen; wie de Luxemburger Juncker als Commissievoorzitter wil moet in Nederland stemmen op CDA-lijsttrekker De Lange. Bovendien vreest hij dat het hierdoor meer over de poppetjes dan over de inhoud zal gaan. Is het in de nationale politiek zo veel anders?


Veel belangrijker is dat de campagne nu eindelijk smoel krijgt. Of de kandidaten van de Europese partijen tot ieders verbeelding zullen spreken, is de vraag. Maar de kiezer krijgt wel voor het eerst wat te zeggen over wie in Brussel de scepter mag zwaaien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden