Voor goede handel ging de Republiek geen zee te hoog

In de Gouden Eeuw was de Republiek der Verenigde Nederlanden een wereldmacht met handelsposten op tal van plaatsen. Vanaf 1602 behartigde de Vereenigde Oostindische Compagnie de belangen in het Oosten. De West-Indische Compagnie richtte zich vanaf 1621 op West-Afrika en Amerika. De VOC en de WIC voerden permanent strijd om te overleven: tropische ziekten teisterden het personeel, en politieke problemen en conflicten maakten de handel vaak onmogelijk. De oorspronkelijke bewoners verzetten zich soms hevig, maar de grootste dreiging kwam van andere Europeanen. Meer dan eens werden posten kort na hun oprichting alweer gesloten. Door Geertje Dekkers

Slavenkust

De westkust van Afrika, ter hoogte van Benin, noemden WIC'ers de 'Slavenkust'. Lokale handelaren, militairen en machthebbers verkochten er hun handelswaar, vaak buitgemaakt tijdens oorlogen en strooptochten. Dat gebeurde al voor de komst van de Europeanen, maar zij schroefden de vraag enorm op.


Handelaren van de WIC laadden de slaven met honderden in schepen, voor de zware reis naar West-Indië. Daar werden ze doorverkocht, met name aan plantagehouders.



Kaap de Goede Hoop

Reizen met de VOC en de WIC was erg ongezond. Voor de jaren 1770-1775 is berekend dat 23 procent van de opvarenden omkwam tijdens een reis naar Indië. Een van de grote gevaren was scheurbuik. In de VOC-tijd was al bekend dat die ziekte te maken had met een tekort aan groente en fruit. Dat was een van de redenen dat Jan van Riebeeck in 1652 de opdracht kreeg een verversingspost in te richten op Kaap de Goede Hoop. VOC-schepen moesten daar aanleggen voor vers voedsel en water. Ook was er een heel eenvoudig ziekenhuisje, voor wie te ziek was om de rest van de reis mee te maken.



Berbice

In Berbice (in het huidige Guyana) werkten in de 18de eeuw duizenden slaven op plantages. In februari 1763 kwamen ze in opstand tegen de wreedheden van hun bazen. De schaal van het verzet was ongekend en de slaven wisten hun blanke eigenaren te verjagen.


Het succes bleek tijdelijk. In de maanden die volgden, hergroepeerden de plantagehouders zich. Ze sloegen de opstand neer; daarbij doodden ze bijna tweeduizend slaven. Toch was de schok groot: de onderdanigheid van de slaven bleek niet zo vanzelfsprekend als hun eigenaren hadden gedacht.



Nederlands-Brazilië

In de 16de en 17de eeuw vervoerde een Spaanse zilvervloot jaarlijks schatten uit Zuid-Amerika naar het moederland. Allerlei partijen, waaronder de West-Indische Compagnie, aasden op die vloot. Onderlinge zeeroverij was in die tijd heel gewoon. Voor de WIC was het een van de redenen zich in Brazilië te vestigen: de noordkust was een goede uitvalsbasis. Zoals het bekende liedje vertelt, veroverde Piet Hein de zilvervloot in 1628. Hij kaapte voor miljoenen guldens aan onder meer zilver en parels.




Nieuw-Amsterdam

Op de zuidpunt van Manhattan zijn ze nog herkenbaar: de straten van Nieuw-Amsterdam, de voorloper van New York. De stad groeide rond Fort Amsterdam, dat in 1625 werd gebouwd, en werd het centrum van de kolonie Nieuw-Nederland.


Het leven was er hard de eerste jaren, vooral vanwege de koude winters. Die hadden ook een voordeel: bevers en andere dieren uit de omgeving hadden dikke wintervachten, die bij verkoop in Europa veel geld opleverden.




Atjeh

De VOC was uit op kostbare specerijen en in het sultanaat Atjeh (op Sumatra) werd peper verhandeld. Daarom had de Compagnie al in 1607 een handelspost in de hoofdstad, die ook Atjeh heette. Om zo veel mogelijk te verdienen, streefde de VOC naar monopolies. Op Atjeh had ze aan het einde van de 17de eeuw succes: de Compagnie kreeg de hele handel in peper in West-Sumatra in handen, daar verdiende ze goed aan.



Timor

In de 17de eeuw vochten de Nederlanders en de Portugezen decennialang om het eiland Timor. Uiteindelijk deelden ze het in tweeën. Het oostelijk deel werd Portugees en de rest Nederlands. Na de Tweede Wereldoorlog werd Indonesië onafhankelijk, inclusief West-Timor. Het oosten zou altijd anders blijven, ook al lijfde Indonesië het in 1975 in. Dat leidde tot bloedige conflicten in de jaren 1990 en uiteindelijk tot de onafhankelijkheid van Oost-Timor.



Ceylon

De Portugezen waren de eerste Europeanen die Azië over zee bereikten. Daardoor wisten ze veel strategische plaatsen te veroveren, waaronder Ceylon, het huidige Sri Lanka. Eind 16de eeuw hadden ze vrijwel het hele eiland in handen. Ceylon was het enige gebied waar kaneelbomen groeiden, en daarmee hadden de Portugezen het monopolie op de specerij in handen.


Uiteraard waren andere Europeanen ook geïnteresseerd. Dankzij hulp van het koninkrijk Kandy, in het oosten van Ceylon, wist de VOC halverwege de 17de eeuw de Portugezen te verjagen. Anderhalve eeuw later moest ze het eiland overdragen aan de Engelsen.



Ambon

Op de Molukken was het de VOC te doen om de kruidnagelen die er groeiden. Volgens afgedwongen verdragen mochten de bewoners de specerijen alleen aan de Compagnie leveren. Maar de Nederlanders betaalden zo slecht dat de Molukkers zich gedwongen voelden ook aan anderen te verkopen. Om deze 'smokkel' te voorkomen, vernietigden Nederlanders halverwege de 17de eeuw alle kruidnagelbomen buiten de Molukse eilandengroep Ambon. Voortaan mocht alleen daar de specerij nog worden verbouwd. Dat was een ramp voor de bewoners van de rest van de Molukken. Als ze het monopolie van de VOC schonden, werden ze streng gestraft.



Batavia

Het centrum van de VOC in Azië werd Batavia, een versterkte havenstad die op de plaats kwam van de islamitische stad Jayakarta of Jakatra. Vanaf 1619, toen Jan Pieterszoon Coen de stad veroverde, groeide Batavia uit tot de belangrijkste Europese post in Azië. Vanuit deze plaats werden de Indische gebieden van de VOC bestuurd. Hier ontstond een stapelmarkt met goederen uit heel Azië. Inwoners kwamen uit Europa en allerlei delen van Azië: sommigen vrijwillig, om geld te verdienen, maar ruim de helft gedwongen, als slaaf.



Mrohaung

Ook in de Oost werden slaven verhandeld. Arakan (in het huidige Birma) verkocht Bengaalse mannen en vrouwen die buitgemaakt waren in een oorlog of door Portugese piraten waren ontvoerd. Vanuit de hoofdstad Mrohaung werden deze slaven in groten getale verkocht, vooral aan de VOC. De Compagnie stelde hen tewerk op de Banda-eilanden, nadat Jan Pieterszoon Coen de bevolking daar in 1621 had uitgemoord.


Vanwege de slavenhandel en vanwege het grote aanbod aan rijst had de VOC tot in de jaren 1680 een factorij in Arakan. Maar de politieke problemen waren er zo groot dat de factorij een groot deel van de tijd gesloten was.



Deshima

Lange tijd was de VOC de enige Europese handelspartij die aanwezig mocht zijn in Japan. Veel zagen de handelaren niet van het land, want vanaf 1641 mochten ze zich alleen vestigen op het kunstmatige eilandje Deshima bij Nagasaki. Zo konden de Japanners goed controleren wat ze deden. Japan was aantrekkelijk vanwege het porselein en de kleding die er werden gemaakt, en vanwege het edelmetaal. De VOC leverde Japan in ruil kunst, boeken en muziekinstrumenten, maar ook technische zaken zoals verrekijkers en klokken.



Rio de la Goa

De kust van Mozambique leek zo'n mooie plek. De VOC hoopte er goud en ivoor te kunnen inslaan. Maar veel mannen die er in 1721 heen werden gestuurd om een handelspost te stichten, kwamen binnen de kortste keren om door malaria. Vijftig van hen stierven binnen een jaar. Daarop volgden een overval door zeerovers die plunderden waar ze konden, stammenoorlogen die het moeilijk maakten om te handelen, muiterij en nog meer ziekte. Uiteindelijk besloot de VOC in 1729 de post te sluiten.



Mocha

Mocha (of Mocca) was lange tijd het centrum van de wereldkoffiehandel. De havenstad in het huidige Jemen verdiende bergen zilver met de handel in bonen, die in de loop van de 17de eeuw steeds populairder werden in Europa. Vandaar dat de Arabieren export van onbehandelde koffiebessen verboden, zodat niemand anders de planten kon verbouwen.


De VOC stichtte in 1620 een factorij in Mocha, die drie jaar later alweer werd opgedoekt vanwege problemen met de Turkse machthebbers. De VOC zou af en aan blijven handelen met Mocha, totdat ze rond 1700 zelf koffieplanten wist te bemachtigen, gekweekt uit gesmokkelde bessen. De planten bleken ook prima te groeien op Java en Ceylon, en later ook in Zuid-Amerika.



Banda-eilanden

Harde eisen van de VOC leidden nogal eens tot verzet. Op de Molukse Banda-eilanden bijvoorbeeld, waar de inwoners niet zaten te wachten op een fort dat de Nederlanders er in 1609 wilden bouwen. Een groep Bandanezen overviel de nieuwkomers en doodde zo'n veertig man. 'Het verraad der Bandanezen' noemden Nederlanders dit incident lange tijd. Ruim twintig jaar later zou de VOC onder leiding van gouverneur Jan Pieterszoon Coen vrijwel de gehele mannelijke bevolking van de eilanden uitmoorden en alle overige bewoners verdrijven. Allemaal voor het monopolie op de handel in nootmuskaat en foelie.



Ayutthaya

De VOC vervoerde niet alleen goederen tussen de Oost en de Republiek, maar handelde ook binnen Azië. Vanuit Ayutthaya, bijvoorbeeld, verscheepte de Compagnie hertenvellen naar Japan en tin naar India. De banden met Siam waren goed en vanaf 1688 mochten de Nederlanders er als enige Europeanen handeldrijven. Maar Ayutthaya kreeg te lijden onder aanvallen van de Birmezen, die de stad in 1769 verwoestten. De VOC had al enkele jaren daarvoor besloten te vertrekken.






Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden