Voor eerst in eeuwen heeft waterkering vorm gekregen

Stormvloedkering Nieuwe Waterweg, Hoek van Holland. Architect: W.G. Quist. Gereed: 1997...

Architectuur en literatuur: ze zijn door een melkwegstelsel van elkaar gescheiden. Vergeleken met de teksten van Nescio of Elsschot (om maar eens twee veel gelezen Nederlandstalige schrijvers te noemen) die als het ware één worden met het landschap en zijn bewoners, lijken de bouwwerken van de meeste Nederlandse architecten op een scheurende Harley Davidson over een rivierdijk.

Al zijn er uitzonderingen. Niet toevallig tref je die vooral aan op de grens van water en land. Niets mooier dan dijkwoningen, de uitwateringssluizen op de Afsluitdijk van Dirk Roosenburg uit 1932 of de sluiswachtershuisjes van J. Emmen bij de Noordersluis in IJmuiden uit 1930.

Terwijl alle uitingen van de mens vroeg of laat ten prooi zijn gevallen aan zijn versieringsdrift, bleven de Nederlandse dijken immer en altijd kale, ongenaakbare lichamen zonder een verhullend tooi. Dit land leeft nu eenmaal al eeuwen met een diep ontzag voor het water, het is dat ontzag dat zelfs de lawaaierigste herrieschopper timide maakt.

Tot vandaag aan toe. De strijd tegen het water is nog altijd niet gestreden. Zelfs dat gigantische karwei van de Deltawerken is niet af. Bij Hoek van Holland wordt nog driftig gewerkt aan een reuzenproject om het water te keren, maar het werk is al zover gevorderd dat sinds enige tijd bezoekers er welkom zijn in een expositiegebouwtje.

Toen na de stormvloedramp van 1953 het Deltaplan werd ontworpen, ging men er nog vanuit dat de dijken langs de Nieuwe Waterweg en langs de Nieuwe Maas bij Rotterdam ooit verhoogd zouden worden om het achterland bij een nieuwe stormvloed droge voeten te laten houden. Een strategisch deel van de dijken is ook daadwerkelijk verhoogd, maar het grootste deel zou pas rond de eeuwwisseling worden aangepakt. Tot men in de jaren '80 becijferde dat een beweegbare stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg niet alleen goedkoper, maar ook sneller te realiseren was.

Dus wordt er nu al jaren gewerkt aan een stormvloedkering in het druk bevaren toegangskanaal van Rotterdam. Het principe oogt simpel: aan weerszijden van het kanaal wordt een reusachtige, beweegbare stalen constructie gebouwd als een horizontale hoogspanningsmast waaraan een even gigantische bolle stalen wand is bevestigd. Bij dreigend onheil schuiven deze masten met hun wand van het land naar het midden van het water waar de wand gevuld wordt met water en naar de bodem zakt waarmee de waterweg is afgesloten. Is het hoge water verdwenen, dan pompt men de wanden leeg zodat ze gaan drijven en weer naar het land gedraaid kunnen worden. Simpel, ware het niet dat een enkele mast de grootte en het aanzien heeft van een halve Eiffeltoren.

Zo'n waterbouwwerk spreekt op zichzelf al tot de verbeelding. Vandaar dat er een expositiegebouw is gekomen, het Keringhuis, waarin alle achtergronden met veel beweegbare modellen en een overvloed aan video's worden getoond. Het gebouw zelf is een doos in de vorm van een Wybertje, helemaal bekleed met golfplaat en opgetrokken met houten spanten. Er zijn veel donkere ruimtes (voor de video's natuurlijk) en een grote partij ramen die in de zijwanden schuin omhooglopen maar niettemin een prachtig uitzicht geven op de kering zelf. Dat is eigenlijk alles wat er van dit tijdelijke gebouwtje valt te vertellen, of het moest nog zijn dat het van architect Wim Quist is.

Dat laatste heeft een reden. Want deze waterkering is nu eens wél verfraaid. Al in het beginstadium hebben de ontwerpers er een architect bijgehaald. Rijkswaterstaat en de samenwerkende aannemers Bouwkombinatie Maeslant Kering wendden zich tot Wim Quist om de bedieningsgebouwtjes te ontwerpen. Nu wordt de hele waterkering in dit land weliswaar door computers geregeld, maar het is wel zo'n veilig gevoel dat er een gebouwtje is waar mensen eventueel kunnen inspringen. De keuze voor Quist lag voor de hand. Hij ontwierp in 1980/85 het dienstgebouw voor de Oosterscheldedam, een bouwwerk dat moeiteloos past in de opsomming van ingetogen gebouwen op de grens van land en water.

Quist ging dit keer evenwel verder. Hij paste het ontwerp van de immense vakwerkconstructie die de draagarmen vormen aan: niet langer een lomp, vierkant stuk ijzer, maar ronde buizen met een elegante knik die ook nog eens in een speciaal voorgeschreven tint witte verf moesten worden gestoken. Het valt nauwelijks te beschrijven wat voor een omwenteling dit is. Voor het eerst in eeuwen heeft een waterkering een architectonische vorm gekregen.

Maar vlak de bedieningshuisjes niet uit. Het zijn er twee geworden, op elke oever een, al staat die op de zuidelijke oever er eigenlijk alleen maar voor de symmetrie. Het waterkeren zelf gebeurt op de noordelijke oever. Ogenschijnlijk is zo'n huisje niks. Vanaf de zeekant zie je alleen een groot rond dijklichaam waarboven aarzelend een ronde boog ramen uitsteekt voorzien van een ronde, betonnen klep. Onopvallend, maar toch solide. Het heeft veel weg van de sluishuisjes in IJmuiden, al liggen de scheppingen van Quist er veel vanzelfsprekender, veel natuurlijker bij.

De verrassing is aan de achterkant. Daar heeft het bedieningshuisje de vorm van een halve maan, alsof Quist het personeel met zijn gebouw wil beschutten tegen de zuidwesterstormen. Een onopgesmukte, nauwelijks gedetailleerde achterkant. Simpel, te simpel eigenlijk, maar in combinatie met de enorme staalconstructie van de kering zelf, ontroerend. Al weet je niet waar die emotie vandaan komt. Het is als een verhaal van Elsschot waar in klare, sobere woorden de onuitgesproken gewaarwordingen van het leven zijn vervat.

Hilde de Haan/Ids Haagsma

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden