Voor een stuiver ruiken aan de kurk van de jeneverfles

HET AARDIGE bij historisch onderzoek zijn de onverwachte vondsten. Zo troffen de Parool-journalist Paul Arnoldussen en de historica Jolande Otten tijdens hun grondige spitwerk in de archieven van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een brief aan van de secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten, dr Tobie Goedewaagen, aan de...

Goedewaagen had in 1943 Amsterdam onder druk gezet om negers te verbieden nog langer op te treden in horeca-gelegenheden. Deze filosoof, die met Seyss-Inquart zijn liefde voor muziek deelde, spreekt in zijn brief van 'oerwoudinstincten' en wijst erop dat 'Surinamenegers' nog gevaarlijker zijn dan gewone negers, want zij weten met hun zinnelijke muziek de grote afkeer die blanke vrouwen van negers in het algemeen hebben, te doorbreken.

Arnoldussen en Otten, die de brief citeren in De borrel is schaarsch en kaal geworden - Amsterdamse horeca 1940-1945, schrijven overigens ook dat Goedewaagen's gedachten niet ongewoon waren. Al voor de oorlog, toen de eerste zogenoemde negerclubs in Amsterdam werden gevestigd, vergeleek een politierapport deze clubs met Artis en werden de muzikanten 'mensapen' genoemd. Burgemeester De Vlugt liet de gelegenheden dan ook al voor de oorlog sluiten, zoals hij evenmin op de Duitse bezetter wachtte om het dansen te verbieden.

Zoveel veranderde er dus eigenlijk niet na mei 1940. Ondanks de hardnekkige legende over een systematische homo-vervolging door de nazi's in Nederland trad de Amsterdamse politie niet strenger op tegen de homo-cafés dan voor de oorlog. De oproep van het SS-blad Storm om 'deze verderfelijke holen van ontucht uit te zwavelen' bleef zonder gevolg.

Tijdens de bezettingsjaren vond wel een verschuiving plaats in de smaak van het publiek; ook na mei 1945 bleef de toen 'ontdekte' mossel populair. En wat milieubewust gedrag betreft kunnen deze jaren zelfs als model voor het heden dienen. Lege flessen en blikken moesten worden ingeleverd voor hergebruik. Kurken mochten niet zomaar worden weggegooid, maar dienden opnieuw te worden verwerkt in isolatiemateriaal of linoleum. Deze uit nood geboren staaltjes van inventiviteit doen denken aan de schaarste-economieën in de Derde Wereld. Met dit verschil dat hier de autoriteiten zo fijngevoelig waren te verbieden maaltijden aan het raam te serveren als de klant zichtbaar was voor het publiek.

Een gevoel van herkenning bevangt de lezer wederom als hij leest dat vanwege de rantsoenering in veel cafés 'zwarte' borrels werden geschonken, een praktijk die nu blijkbaar weer in zwang is bij de grote hoofdstedelijke discotheken. En ook toen al was het ontvreemden van bestek of toiletrollen een geliefde bezigheid.

Toch was mei 1940 tegelijkertijd een uitzonderlijke maand in onze beschavingsgeschiedenis. Dit keer werden niet beelden stukgeslagen, maar flessen wijn en jenever, op grond van een uit februari 1940 stammende aanbeveling van het ministerie van Defensie aan de burgemeesters. Deze oproep was vlak voor de Duitse inval weer ingetrokken, maar dat was in de paniek van de eerste oorlogsdagen lang niet tot alle goede vaderlanders doorgedrongen. Helaas kunnen ook Arnoldussen en Otten geen cijfers geven over de zo weggespoelde flessen bordeaux en bourgogne.

In de eerste jaren van de bezetting, toen het buitenland als vakantiedoel was weggevallen, ging het de Amsterdamse horeca nog niet zo slecht. De achthonderd gelegenheden waar toen sterke drank mocht worden geserveerd (tegenwoordig zijn dat er bijna drieduizend), behoorden tot de weinig overgebleven plaatsen waar men de dagelijkse zorgen even van zich af kon zetten. Maar toen na zeven uur geen sterke drank meer mocht worden verkocht, liepen de verdiensten terug.

De obers moesten het hebben van fooien en hun positie was al niet sterk. Toch werd in 1942 de eerste cao in de horeca afgesloten. De jaren na de oorlog brachten een verslechtering en pas in 1957 kwam weer een cao tot stand. 'Opmerkelijk is dat van vakbondszijde niet meer verwezen werd naar het akkoord uit de oorlog', merken de auteurs op. Het taboe op de vernieuwende invloed van de bezettingsjaren bestaat trouwens in meer sectoren van het maatschappelijk leven, hadden ze eraan kunnen toevoegen.

Arnoldussen en Otten beschrijven in een apart hoofdstuk hoe de horeca zich aanpaste en zonder veel protest bordjes ophing met 'Voor joden verboden' of 'Joodsche gasten niet gewenscht'. In 1941 begon de bezetter met de verwijdering van joden uit het bedrijfsleven. Begin 1942 waren er officieel nog maar 22 joodse horecazaken overgebleven, en dat terwijl er toen zo'n tachtigduizend joden in Amsterdam waren.

Cafés waren plaatsen voor de zwarte handel, voor verzet of juist voor collaboratie, zoals De Dietsche op het Spui ('een gezellige sfeer? De Dietsche meneer'). Arnoldussen en Otten geven een levendig beeld van het dagelijks leven met een goede neus voor saillante citaten en anekdotes. Zoals het verhaal dat drie Duitse matrozen in een bekend kunstenaarscafé bij het Leidseplein een paar dubbeltjes te kort kwamen, waarop Jacques Gans, toen nog een links schrijver, de drie dubbeltjes overhandigde met de opmerking: 'Von dem internationalen Judenkapital.' De Duitsers moeten daarop in de houding zijn gesprongen met de woorden: 'Die Firma Hitler dankt dem internationalen Judenkapital. Heil Hitler'

Maar meestal hield men zich aan de vermaning die toen in menige kroeg boven de tap hing: 'De stemming is hier magnifiek, spreek a.u.b. niet over politiek', een regel die trouwens nog tot lang na de oorlog op campings en in jeugdherbergen gold.

Wegens de rantsoenering gingen veel kasteleins ertoe over de borrel te verdunnen. De jenever werd 'gewassen', zoals dat toen heette. Steeds meer kasteleins moesten wegens knoeierijen - er werd zelfs brandspiritus verwerkt - hun zaak tijdelijk sluiten. De borrel werd zelfs zo schaars dat een cafébaas op het Rembrandtplein voor een stuiver de klant liet ruiken aan de kurk van een jeneverfles. Bovendien verdween de gezelligheid rond de borrel, er waren bijvoorbeeld geen bitterballen meer: de borrel was 'schaarsch en kaal geworden'.

Ook in de restaurants was schraalhans keukenmeester. Niet alleen de Indische restaurants kwamen al in 1941 in de problemen. Versobering, vleesloze dagen, vervangingsmiddelen ('surrogaat' klonk zo 'onnederlands') gingen de menukaarten bepalen - al bestonden in sommige gelegenheden 'fluisterkaarten' met gerechten die 'onder tafel' werden geleverd. Menukaarten die overigens niet meer in het Frans gesteld mochten worden, maar dat viel gezien het schriele schotelrepertoire nauwelijks meer op. In de hongerwinter waren nog zo'n 25 restaurants open.

In het laatste oorlogsjaar was er gebrek aan alles en was de borrel zo duur geworden dat een caféganger in de ogen van de doorsnee burger eigenlijk niet meer kon deugen.

Na de bevrijding ontkwam ook de horeca niet aan de zuivering. Aan de hand van enkele spraakmakende voorbeelden laten Arnoldussen en Otten zien dat er een breed grijs veld tussen goed en fout bestond. De straffen waren laag, maar de schade die aan een reputatie was toegebracht, achtervolgt menig café nog tot de dag van vandaag, merken zij in hun voorwoord op. Dat is opmerkelijk, want deze zaken zijn vaak al lang van eigenaar veranderd.

Historici doen al jaren hun best de bezettingsgeschiedenis uit de tweedeling goed en fout te bevrijden. Toch zijn er vijftig jaar na dato nog steeds winkels en cafés die vanwege het oorlogsverleden worden gemeden. Het ziet ernaar uit dat die fixatie, aangewakkerd door de herinneringsmanie, het herdenkingsjaar 1995 nog wel zal overleven. Daaraan zal ook dit alleraardigste boek weinig kunnen veranderen.

Dick van Galen Last

Paul Arnoldussen & Jolande Otten: De borrel is schaarsch en kaal geworden - Amsterdamse horeca 1940-1945.

Bas Lubberhuizen, Amsterdam; ¿ 34,50.

ISBN 90 73978 27 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden