Voor één nacht veilig aan de berg vastgespijkerd

Bij de toekenning van de Frans Kellendonkprijs ziet Marjolijn Februari zichzelf het liefste als een halverwege in de onherbergzaamheid gearriveerde schrijver....

Van het gesprek over de Nederlander en zijn identiteit, dat vorig jaar door Nederland rumoerde, is me één bijdrage in het bijzonder bijgebleven. Dat was een ingezonden brief over een Engelsman die in de metro van Londen alle Nederlanders ogenblikkelijk herkende aan hun gewoonte op een bankje te gaan zitten onder de verzuchting ‘hèhè’.

Nu ik in grote dank de Frans Kellendonkprijs aanvaard, moet dat hèhè mij ook van het hart. Je zou dronken van vreugde kunnen worden bij de toekenning van zo’n oeuvreprijs, het woord arrivé dringt zich dadelijk op, maar het gaat in feite om een oeuvre dat nog lang niet af is en om een schrijver die nog lang niet daar is waar hij wezen moet. Het hèhè geldt dus tegelijk de weg die al is afgelegd en het stuk dat nog moet komen.

Ik kan dit ook heldhaftiger vertellen. Een oud-klasgenoot van me schopte het na afloop van het gymnasium tot bergbeklimmer in de Himalaya, en zij vertelde me dat ze daar de nacht vaak doorbracht op een smalle richel in het hooggebergte, liggend op haar zij, vastgesnoerd met touw. Zo wil ik mezelf bij deze gelegenheid eigenlijk nog het allerliefste zien: als een halverwege in de onherbergzaamheid gearriveerde schrijver, die niet meer goed begrijpt welke hoge doelen hij zich in het leven ooit heeft gesteld – en waarom in hemelsnaam? – maar die nu tenminste voor de duur van één nacht veilig aan de berg is vastgespijkerd. Hèhè. Laat mij vannacht maar even op deze richel liggen.

Er schuilt natuurlijk iets heel eenzaams aan zo’n bestaan van een schrijver op een berg; en toch rust op zijn schouders tegelijk een zware maatschappelijke taak. Camus schijnt daarover nog een grapje gemaakt te hebben, iets met ‘solitair’ en ‘solidair’. Maar vandaag verkies ik een uitspraak van Nadime Gordimer, die ik tegenkwam in een essay van Margaret Atwood – af en toe valt er in de vrouwelijke lijn ook wel iets te beërven. Gordimer schreef over de spanning tussen afzijdigheid en betrokkenheid in de literatuur, en dat is dezelfde spanning die de Stichting Frans Kellendonk Fonds zo graag tegenkomt in het werk van een schrijver. Aan de ene kant moet een schrijver zich excessief verdiepen in het leven van anderen en aan de andere kant heeft hij voor zijn werk ook een monsterlijke distantie nodig. Die spanning, zegt Gordimer, ‘the tension between standing apart and being fully involved’, maakt je tot schrijver.

Nou zou ik zelf eerder zeggen dat die spanning niet zozeer de basis is van het schrijverschap, maar van het leven in het algemeen. Het is voor iedereen goed intensieve aandacht te besteden aan anderen, maar toch het verstand daarbij niet te verliezen en de situatie van een zekere afstand te blijven bekijken. Dat geldt voor artsen, onderwijzers, huismoeders en sociale wetenschappers net zo goed als voor romanciers. Je kunt hooguit zeggen dat romanschrijvers meer dan gewone stervelingen die spanning tussen nabijheid en afstand begrijpen en ook serieus nemen.

Bij alle betrokkenheid hoeft de schrijver zijn aandacht intussen niet te beperken tot het intieme leven van anderen, hij kan ook schrijven over de inrichting van de wereld. De vuilnis moet opgehaald, de belasting geïnd, de boel moet geregeld, betaald en verdiend; daar mogen we allemaal niet te min over denken en vanuit literair oogpunt zijn die dingen ook veel interessanter dan je met een blik op de literatuurgeschiedenis zou vermoeden. Wat een roman of een essay vervolgens kan toevoegen aan al dat rennen en vliegen en produceren en reguleren en structureren in de wereld is een gevoeligheid voor het incident. Het incident heeft de laatste jaren een slechte naam gekregen in kringen van bestuur en politiek, maar het leven bestaat nu eenmaal uit incidenten, er is niets dan het incident, en daarvan heeft de literatuur bij uitstek verstand.

De toekenning van een literaire prijs is uiteindelijk ook zelf een teken van solidariteit in de wereld der solitairen. Denk aan de inzet van al die geletterde mensen die nodig zijn om zo’n prijs, en vooral ook een oeuvre, mogelijk te maken. Van alle collega’s die ik daarvoor dankbaar ben wil ik er een noemen, Gerda Meijerink, de collega met wie ik samenleef. Je hoort het argument niet vaak noemen, maar naast de vele andere extra’s die het huwelijk brengt, biedt het je ook volop toegang tot andermans brein en denkkracht. Van alles wat Gerda weet over de invloed van geopolitiek op de beurs en van de beurs op infrastructurele ontwikkelingen, over gasleidingen door Mongolië en bouwconsortia in Namibië, maak ik voor mijn werk dankbaar gebruik. En als ik tot slot de Stichting Frans Kellendonk Fonds, de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en vooral de Commissie van Aanbeveling diep dankbaar ben, en geloof me, dat ben ik, dan is het voor hun roerende literaire collegialiteit.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden