Voor de mobilisatie van nieuwsgierig Brabant

De Technische Universiteit Eindhoven moest vooral nuttig zijn. En is dat de afgelopen vijftig jaar geweest. ‘Brabant is niet toevallig de werkplaats van Nederland geworden.’ Tekst Martijn van Calmthout..

In de jaren zeventig was prof.dr.ir. L.H.Th. Rietjens van de Technische Hogeschool Eindhoven een wereldberoemd man. Een celebrity. Tot de BBC aan toe wisten filmploegen de weg te vinden naar zijn laboratorium van de faculteit Elektrotechniek in Eindhoven.

Daar legde Rietjens, of zijn projectleider Blom, te midden van indrukwekkende installaties uit hoe veel efficiënter stroom kon worden opgewekt dan in conventionele centrales.

Het toverwoord, aldus Rietjens, is MHD, magnetohydrodynamische energieconversie. Dat is een techniek waarbij een gas zo ver wordt verhit dat het in ionen uit elkaar valt, waarna deze geladen deeltjes met een sterk magneetveld uit elkaar worden getrokken, zodat er rechtstreeks een enorm elektrisch vermogen ontstaat. Daarna is er genoeg warmte over om ook nog een gewone stroomcentrale mee aan te drijven.

Meer stroom uit dezelfde hitte. Per saldo wordt het rendement van de opwekking met wel een kwart verbeterd, zo was becijferd.

Rietjens wist Amerikaanse én Russische belangstelling te wekken, opmerkelijk in de Koude Oorlog. Het ministerie van Economische Zaken, lees Ruud Lubbers, zag brood in een proefproject, samen met industrie als Hoogovens, Stork en Holec. Het ECN in Petten wilde ook meedoen.

Te laat

Te laat
MHD leek een gouden vondst. Totdat bleek dat het wel tot de eeuwwisseling zou kunnen duren voor er een commerciële versie was. En dat terwijl op dat moment al moderne gasturbines op de markt waren die vergelijkbare rendementen haalden. MHD was mooi, maar kwam te laat.

Te laat
In 1986, liep Rietjens’ MHD-droom definitief op de klippen. Een plan voor een demonstratiecentrale in IJmuiden van 160 miljoen gulden kreeg geen steun meer van de overheid.

Te laat
Het lijkt kortom een droeve geschiedenis. Maar alleen droef als je succes op korte termijn verwacht, zegt techniekhistoricus Harry Lintsen van de TU Eindhoven (TU/e). En dat is een kenmerkend verhaal voor de universiteit die dit jaar haar vijftigste verjaardag viert. ‘Het universitaire onderzoek is altijd omgeven geweest met veel ambities, beloftes en verwachtingen’, schrijft hij in het jubileumboek Gedreven door Nieuwsgierigheid dat afgelopen maand verscheen. ‘Maar zij komen zelden uit.’

Te laat
Het boek, dat Lintsen samen met collega-historicus Hans Schippers samenstelde, beschrijft de lotgevallen van 28 spraakmakende projecten aan de universiteit. Het merendeel kende een enthousiast begin, een stormachtige ontwikkeling en daarna een einde dat slechts in een enkel geval een echt succes – industrieel gezien – zou kunnen heten.

Te laat
Eindhoven begon een onderzoek naar een kunststof hartklep, maar richtte zich op fundamentele vragen over vloeistofstroming en kwam uiteindelijk uit in de tissue engineering. Eindhoven ontwierp prachtige basisverbindingen van bamboe. Maar stuitte op het slechte imago van bamboe in de Derde Wereld.

Brevet van onvermogen

Brevet van onvermogen
Dat alles zou kunnen worden opgevat als een stevig brevet van onvermogen aan het adres van de jubilaris: de TU/e, als universiteit die veel wil en per saldo weinig klaarmaakt. Maar het tegendeel is waar. Volgens Lintsen is ze in een halve eeuw tijd wel degelijk uitgegroeid tot een toonaangevende onderzoeksinstelling in Europa.

Brevet van onvermogen
Het onderzoek staat op basis van aantallen geciteerde publicaties kwalitatief op de derde plaats, direct na Oxford en Cambridge. En ook studenten tonen zich onder de indruk: in 1998 was de TU/e eerste in een internationale enquête over opleidingen; in 2004 tweede. Er zijn twee technologische topinstituten gevestigd, negen onderzoeksscholen, twee top-onderzoeksscholen en er wordt meer dan vijftig miljoen per jaar binnengehaald van NWO, uit de industrie en uit Brussel. Jaarlijks worden er nu zo’n zevenhonderd ingenieurs klaargestoomd (in een halve eeuw waren dat er 25 duizend).

Contractonderzoek

Contractonderzoek
Een bloeiende academische onderneming dus, maar in de epiloog van het jubileumboek kan Lintsen het niet laten zich af te vragen wat het nut van dit alles nu is. Zo lijkt het mooi om met contractonderzoek voor bedrijven bijna 15 miljoen euro binnen te halen, maar op de keper beschouwd dekt dat slechts 50 tot 70 procent van de werkelijke kosten van het onderzoek dat ermee wordt gedaan.

Contractonderzoek
Wat heeft Nederland / Brabant / Eindhoven aan de TU/e, nu en vroeger? Lintsen, zelf als technisch natuurkundige opgeleid in Eindhoven en er nu hoogleraar geschiedenis van de techniek: ‘Het komt erop aan de vraag naar dat nut in de goeie taal te beantwoorden. Simplisme ligt op de loer. De laatste jaren is in de politiek kennis-valorisatie het modewoord: waarde creëren door stukjes kennis om te zetten in producten, diensten en processen. De universiteit als letterlijke goudmijn, die je leeg kunt halen. Ik vind dat korte-termijndenken, het miskent een aanzienlijk deel van de waarde van een universiteit.’

Contractonderzoek
Nut speelde bij de oprichting van de TH in de jaren vijftig al meteen een belangrijke rol. De eerste rector, prof. dr. H. Dorgelo, sprak bij de opening van de ‘grote technische inspanningen’ die nodig zullen zijn om ‘de Nederlanders te kleden, voeden en huisvesten’. Techniek en vernuft moesten de Nederlander vrijwaren van schaarste en gebrek.

Contractonderzoek
Maar niet rechtstreeks. De universiteit moest een echte onderwijsinstelling zijn, was de gedachte. Een opleiding die voorzag in een ‘groot leger van technisch-wetenschappelijk geschoolde ingenieurs’. En gegadigden stroomden toe. In 1957 meldden zich 245 studenten, vrijwel allemaal uit de regio en ruim tweemaal meer dan de honderd die waren verwacht. Lintsen: ‘Het gaf een mobilisatie van de intelligentsia waar het zuiden nog van profiteert. Brabant is niet toevallig de werkplaats van Nederland geworden.’

Bezuinigingen

Bezuinigingen
In de jaren zeventig explodeerde, net als elders in het land, het aantal studenten dat zich meldde. Het werden roerige tijden, waarin maatschappelijke relevantie van de universiteit een leidend beginsel leek te worden. Maar daarna keerde de wal het schip. De studieduur werd steeds verder beperkt, de economische crisis sloeg toe. Een lange cyclus van bezuinigingen begon. De jaren 1970-1990, zegt Lintsen, zijn een keerpunt in de Nederlandse universitaire geschiedenis. En omdat de Eindhovense universiteit nog zo jong was, zijn die daar een nog extra bepalende periode.

Bezuinigingen
Volgens Lintsen is de universiteit in Eindhoven in een halve eeuw tijd veranderd van een onderwijsinstelling in een moderne onderzoeksuniversiteit. De TU/e is weliswaar geen kei in het rechtstreeks verzilveren van haar kennis. Maar dat moet volgens Lintsen ook de ambitie niet zijn. Goede ingenieurs, daar draait het net als vijftig jaar geleden om. ‘Het maatschappelijk nut van de universiteit zit in goede afgestudeerden. Hier wordt studenten geleerd wat het betekent om echt te zoeken in het labyrint van de technisch opties.’

Bezuinigingen
Deze zelfverzekerdheid komt tot uitdrukking in de nieuwe slogan van de universiteit: TU/e: Where Innovation Starts. Dat klinkt wat zelfgenoegzaam, erkent Lintsen. Maar het is juist bescheiden bedoeld. ‘De nadruk ligt echt op starts.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden