Interview

'Voor de Duitsers waren wij ongedierte'

Hij overleefde Auschwitz maar sloeg het aanbod om naar Groot-Brittannië of Amerika te emigreren af. In plaats daarvan keerde hij terug naar Polen. Hij zette een museum op en is positief over de belangstelling van jonge Polen voor het Joodse verleden.

Marian Turski met Angela Merkel. Beeld EPA
Marian Turski met Angela Merkel.Beeld EPA

De verjaardag van de bevrijding van Auschwitz komt er aan en dus heeft Marian Turski het drukker dan anders. Zoveel zijn er niet meer die kunnen vertellen over de hel op aarde, zelfs niet in Polen, een land dat ooit drie miljoen Joden telde. Van diegenen die zoals Turski het geluk hadden Auschwitz te overleven, vertrokken de meesten na de oorlog naar het buitenland.

Amper enkele dagen geleden mocht hij in het Vaticaan zijn verhaal doen. Op zijn iPad laat hij zien hoe hij samen met enkele andere overlevenden door paus Franciscus wordt ontvangen. Ze zijn te herkennen aan hun blauw-wit gestreepte sjaaltjes, een symbolische verwijzing naar het kampuniform.

Het is niet de eerste keer dat Turski (88) die eer te beurt valt. Ook bij de vorige pausen, onder wie zijn landgenoot Johannes Paulus II, ging hij op audiëntie. Maar met Franciscus was het toch anders. 'Van Johannes Paulus had ik altijd de indruk dat hij vier verdiepingen hoger stond, maar met hem sprak ik als een vriend.'

Bijna zijn hele leven is Turski bezig met de verwerking van de holocaust, eerst als historicus en journalist, daarna als een van de initiatiefnemers van Polin, het langverwachte museum voor de geschiedenis van de Poolse Joden. De opening daarvan, in oktober vorig jaar, was voor Turski een droom die in vervulling ging.

Als voorzitter van de raad van bestuur heeft hij een klein kamertje op de bovenste verdieping van het museum. 'Meer heb ik niet nodig', zegt hij. Onder zijn grijze vest draagt hij een blauw-wit gestreept hemd. Een bewuste keuze? Nee, het blijkt puur toeval. Turski moet er om lachen. Het is hem niet aan te zien dat hij op weg is naar de negentig. Zoals zoveel holocaustoverlevenden straalt hij positieve energie uit.

'Soms vragen ze: hoe overleef je zoiets? Sommigen trokken zich op aan hun geloof, al waren er nog veel meer die hun geloof verloren, en, om het in het kampjargon te zeggen, een muzelman werden. Een muzelman was iemand die zowel psychisch als fysiek ten dode was opgeschreven. Hij kon zich ieder ogenblik tegen het prikkeldraad gooien of naar de gaskamers gestuurd worden.'

null Beeld epa
Beeld epa

Zelf heeft hij zijn leven aan de solidariteit te danken, iets wat niet vanzelfsprekend was in een vernietigingskamp als Auschwitz-Birkenau. 'Er golden andere regels dan in het normale leven. Lees er het boek van Primo Levi Is dit een mens maar op na. Je moet bijna een held zijn om fatsoenlijk te zijn in de hel.'

Gelukkkig kon Turski, nummer B-9408, buigen op de steun van zijn communistische vrienden. 'We beurden elkaar op. Wanneer we 's morgens om vier uur nog even wilden blijven liggen, dwongen we elkaar ons te wassen. En 's avonds, na een lange dag werken en een uitputtende mars erbovenop, volgde nog een half uur les. We leerden een vreemde taal, somden titels op van boeken die we hadden gelezen of hadden het over de internationale toestand, wat natuurlijk grappig was. We hadden geen flauw benul van wat er zich buiten het kamp afspeelde.'

Maar daar ging het natuurlijk niet om. 'We wilden ons mens voelen.' Niet de bijtende honger of de bittere kou waren het ergste, herinnert hij zich, maar de vernedering. 'Voor de Duitsers waren we ongedierte.'

Turski kwam in Auschwitz-Birkenau terecht in augustus 1944, na de liquidatie van het getto van Lodz. Van verzet was geen sprake, kon ook geen sprake zijn. Nog meer dan hun lotgenoten in Warschau waren de Joden van Lodz afgesneden van de buitenwereld. Wapens hadden ze niet, ook niet de linkse verzetsgroep waarvan Turski deel uitmaakte.

Tot op het laatste moment hadden de joden van Lodz gehoopt het onheil af te wenden door een voorbeeldige samenwerking met de Duitsers, met als dramatisch hoogtepunt de toespraak van hun leider Chaim Rumkowski: 'Vaders en moeders, geef me uw kinderen!' Om de rest van het getto te sparen, werden in september 1942 ouderen, zieken en kinderen tot de leeftijd van tien jaar aan de Duitsers uitgeleverd.

Niemand kon toen het bestaan van de holocaust nog ontkennen.

Maar zelfs toen was er nog hoop, vertelt Turski. 'Van joden die uit Auschwitz gevlucht waren hadden we gehoord dat niet iedereen onmiddellijk vergast werd.'

null Beeld epa
Beeld epa

Blijven leven

Turski zet zich aan het tekenen. 'Ik zie ze nog zo voor mij, de slagboom, de toegangspoort, de stenen en houten barakken. We komen naar buiten en ik zie dat ik tussen een minderheid terechtkom van jonge en gezonde mannen. Vrouwen en ouderen, de meerderheid, gingen die kant op, wij deze kant.'

De achttienjarige Turski dacht dat hij gered was, tot ze bij een gebouw aankwamen waarop zur Sauna geschreven stond. Hij versteende. Van de uitzendingen van de BBC wist hij dat met de douche de gaskamer bedoeld was. Een van zijn vrienden had een flesje wodka meegesmokkeld. Hij vroeg of hij een slokje mocht nemen. Voor de eerste keer in zijn leven zou hij wodka drinken.

Ze moesten zich uitkleren en laten scheren. De kappers waren Nederlandse Joden. 'Ik hou van Holland', zongen ze. Nadat ze met botte messen geschoren waren werd een desinfectiemiddel over hun bebloede hoofd gegoten. Ze huilden van de pijn, maar voor Turski was het een van de gelukkigste momenten van zijn leven. Hij voelde dat hij zou blijven leven.

De bevrijding, vijf maanden later door het Rode Leger, maakte hij niet mee. Een week eerder was het kamp ontruimd. Samen met de meeste andere gevangenen nam hij deel aan de beruchte dodenmars naar Buchenwald. Vandaar ging het enkele maanden later naar het Tsjechische Theresienstadt. Onderweg werd hun trein gebombardeerd door de geallieerden. Ze moesten te voet verder, zigzaggend tussen de oprukkende Amerikanen en Russen.

Pas in Theresienstadt kregen ze rust. 'Gelukkig maar, want ik was aan het sterven. Ik had scheurbuik en kon niet meer eten. Ik woog nog 32 kilogram.'

Marian Turski (R)in Auschwitz in 2013. Beeld epa
Marian Turski (R)in Auschwitz in 2013.Beeld epa

Tyfus

Vieren was er voor Turski dan ook niet bij, toen de Duitsers op 8 mei 1945 het kamp verlieten. 'Iedereen stortte zich op de winkels, maar ik kon zelfs geen lepel jam naar binnen krijgen.' Enkele dagen later brak de tyfus uit. Maar in plaats van hem te doden, zoals verwacht, zou ze zijn leven redden. De hoge koorts maakte alle andere ziektes in zijn lichaam kapot.

Turski kreeg de kans om naar Groot-Brittannië of Amerika te emigreren, maar als communist koos hij ervoor naar Polen terug te keren. Hij was een uitzondering. Van de driehonderdduizend Poolse Joden die de oorlog overleefden vertrok de overgrote meerderheid uit vrees voor pogroms naar het buitenland. Turski maakte er zich weinig zorgen om. Hij geloofde dat het antisemitisme met de komst van het communisme zou verdwijnen. 'Achteraf gezien bleek het toch niet zo eenvoudig.'

Pas nu, zeventig jaar na het einde van de oorlog, is het antisemitisme duidelijk op de terugweg. Van terroristische aanslagen heeft Polen geen last en vooral bij de jongere generatie is er grote belangstelling voor het Joodse verleden. Turski: 'Als een mens zich alleen voelt, houdt hij zijn identiteit verborgen of vlucht. Maar als je de steun van anderen voelt, durf je naar buiten te komen. En dat doen ze. Er is hier een groot proces van 'coming out' aan de gang en dat stemt mij optimistisch.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden