Voor burgerzin is eigenlijk geen alternatief voorhanden

Ergens tussen 1650 en nu moet er iets grondig zijn misgegaan met de Nederlandse samenleving. Buitenlandse bezoekers van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën verwezen in hun correspondentie met het thuisfront steevast naar de sociale discipline waarvan zij hier getuige waren, en naar de ongerepte staat van wat wij nu...

Dergelijke vermaningen waren overigens niet aan iedereen besteed. Voor René Descartes vormde de alomtegenwoordige burgerzin een smet op de vrijheden waarop de Republiek zich beroemde. Buitenlandse studenten beklaagden zich erover dat zij in Leiden niet gewapend over straat mochten gaan, en dat zij voor het overige waren onderworpen aan een puriteinse leefwijze.

Maar doorgaans had waardering voor de ordentelijkheid van het openbare leven de overhand. Neem alleen al de straatverlichting, waarmee het Amsterdamse stadsbestuur tot ver buiten de landsgrenzen furore maakte. In 1670 verschenen de eerste achttienhonderd gaslantaarns, naar een ingenieus ontwerp van Jan van der Heyden, in het straatbeeld. Tien jaar later stonden er al bijna drieduizend.

Sociaal ongewenst gedrag kon niet langer door de duisternis worden toegedekt. Illegale vuilstort werd in korte tijd vrijwel uitgebannen. De stedeling die op reis ging, kon zijn huis onbewaakt achterlaten, schreef een verbouwereerde Fransman. Sterker nog: hij hoefde zijn voordeur niet eens op slot te doen. En wie bij de schout aangifte deed van roof of aanranding, had de schijn op voorhand tegen zich. Een dergelijke wandaad kon immers niet onopgemerkt blijven.

Ruim drie eeuwen later gaat van straatverlichting geen enkele preventieve invloed meer uit. Op het Binnengasthuisterrein in Amsterdam drijven fietsenjunks hun handeltje in de gele gloed van de lantaarns. En op het Pauwenpad, bij het Amstelstation, houdt een bestelbus halt onder een fel schijnende armatuur. De drie inzittenden springen uit het voertuig, dekken de nummerplaten af, en dumpen geroutineerd een grote hoeveelheid bouwafval op straat. Van de passerende voetgangers verwachten zij geen commentaar. Als dat toch komt, blazen zij zich op, en uiten zij enige ernstig te nemen bedreigingen.

De volgende dag ligt het afval er nog. De week erna nog steeds. Een melding bij de gemeentereiniging wordt niet in dank aanvaard. 'Rotzooi op het Pauwenpad zegt u? Daar kunnen nooit veel mensen last van hebben, want daar staan geen huizen in de buurt. Onze prioriteiten liggen in zo'n geval ergens anders.' En inderdaad rukte de bezemploeg pas uit toen de gipsplaten onder invloed van de hevige regenval in een weke brij waren getransformeerd.

'Soms weten ze niet eens meer dat ze fout zitten', zegt A. van Scherpenzeel van de Utrechtse Reinigings- en Havendienst (RHD) over de producenten van zwerfvuil. 'Als je hen aanspreekt op het leegkloppen van de auto-asbak op de rand van de stoep, of het laten vallen van een prop papier, zijn ze zich dikwijls van geen kwaad bewust.' Net zo min als de modale burger zich geroepen voelt het sleetse begrip 'sociale controle' te reactiveren.

'Als hij überhaupt in het geweer komt, volstaat hij vaak met een telefonische melding van een of andere ongerechtigheid', zegt E. Leicher, 'wijkmanager' in de Utrechtse binnenstad. 'Het domein van de overheid begint aan de straatkant van de eigen voordeur. Laatst had een goede bekende van me de gemeente gebeld omdat zijn buurman, die met een verbouwing bezig was, al drie dagen een badkuip op de stoep had staan. ''Waarom ben je dan zelf niet op die buurman afgestapt?'', vroeg ik hem. Hij moest bekennen dat het niet eens in hem was opgekomen.'

'Een enkele keer heb je mensen die in hun buurt een zeker gezag hebben, en die niet te beroerd zijn om anderen op hun gedrag aan te spreken', zegt Van Scherpenzeel. 'Van hen wordt zo'n corrigerende rol nog wel geaccepteerd. Hoewel dat natuurlijk altijd van de situatie afhangt. Een individu is vaak best voor rede vatbaar. Maar met een groep krijg je meteen een heel andere discussie. Dan is het een hele toer om qua communicatie op hetzelfde niveau te komen.' Dat wil zeggen: de betrokkene mag blij zijn niet in elkaar te worden geslagen.

Dat is ook de ervaring van P. Peters, directeur van het gemeentelijk vervoerbedrijf in Utrecht (GVU). 'Als onze passagiers getuige zijn van wangedrag, zoals het bekladden van de stoelen of het afsteken van vuurwerk, gaat iedereen opeens driftig naar buiten zitten kijken, en stroomt de bus bij de eerstvolgende halte leeg. Je kunt het de mensen natuurlijk niet kwalijk nemen dat ze het eigenbelang op dat moment laten prevaleren. Maar het is wel heel erg ''ik'' allemaal.

'De basishouding van de burger is tegenwoordig: zolang ik niet in de vuurlinie lig, gaat het mij ook niets aan. Soms willen passagiers niet eens een verklaring bij de politie afleggen als ze getuige zijn geweest van een geweldsdelict. Dan heb je echt een kritische grens overschreden.'

In feite is er geen alternatief voor burgerzin, meent J. Servaas, politieman sinds 1970. 'Er bestaan zowel praktische als principiële bezwaren tegen het beroep dat verwende burgers voortdurend op de overheid doen. In de eerste plaats zijn we niet bij machte om datgene te doen wat de burgers kennelijk van ons verwachten. Maar er heerst, vermoedelijk als gevolg van de oorlog, ook een onuitroeibaar taboe op klikken. Als je je buurman een matras in het plantsoen ziet dumpen, bel je in de regel niet de politie. Je kunt aan dit dilemma ontkomen door zelf op de dader af te stappen. Maar zover zijn de meeste mensen nog niet.'

En dat is een understatement. De bereidheid om de eigen burgerzin aan te spreken, neemt af naarmate de brutaliteit van kwaadwillenden toeneemt. 'Met 90 of 95 procent van de mensen hebben we nooit last', bezweert Peters van het GVU.

'Maar de rest maakt het wel steeds bonter. Een paar jaar geleden deden onze chauffeurs nog wel aangifte als ze door een passagier waren uitgescholden. Tegenwoordig doen ze dat pas als ze daarnaast ook nog in het gezicht zijn gespuugd.

'Jongeren die vroeger volstonden met luidruchtige samenscholingen, bezondigen zich nu vaak aan vernieling en bedreiging. Het aantal mensen dat hierbij betrokken is, is tamelijk stabiel. Maar ze veroorzaken wel veel meer overlast.'

Hetzelfde geldt mogelijk voor de vervuilers, de producenten van het zwerfvuil. 'Je bent niet eens meer verbaasd als je midden in de stad op stapels autobanden stuit, of op afgedankte boekenkasten en bankstellen', zegt Van Scherpenzeel. 'Het pronkstuk van vandaag was het karkas van een caravan. Dat stond hier voor het hek. Eigenlijk was dat nog netjes van de eigenaar, want meestal nemen ze niet eens de moeite zo'n ding weg te brengen.'

En dan heeft Van Scherpenzeel het nog niet eens over de ondergrondse afvalstromen: de enorme hoeveelheden afgewerkte olie die in het riool verdwijnen, of de chemicaliën die door de gootsteem worden gespoeld.

Welk menselijk tekort zich hier manifesteert? Gemakzucht, denkt Van Scherpenzeel. Banale onwil om zich een beetje in te spannen voor het nut van het algemeen. Onverschilligheid, meent Servaas. Het idee dat de openbare ruimte een soort niemandsland is waarvoor alleen de overheid verantwoordelijk is. Eigenbelang, oppert Leicher. De begrenzing van de persoonlijke betrokkenheid.

De toegeeflijkheid van de moderne opvoeder, weet Peters. 'Vijfentwintig jaar geleden zat ik in het onderwijs. Als ik een leerling berispte omdat hij een papiertje op de grond gooide, was zijn reactie vaak: dat papiertje is niet van mij. Nu zijn die kinderen zelf vader of moeder. En hun ethiek heeft zich vermenigvuldigd.'

Toch is het dominante onfatsoen omkeerbaar, meent Peters - al vergt dat enig uithoudingsvermogen. 'Dat zie je in New York. Tot voor kort waren de metro-stations daar een soort no go area. Nu kun je er veilig reizen in schone treinen. De cyclus van verloedering en geweld is doorbroken.'

Waarom zou een dergelijke omslag in Nederland niet kunnen worden bewerkstelligd, vraagt Servaas zich af. 'Zodra de mensen weer in de gaten gaan krijgen dat eigenbelang en gezamenlijk belang in elkaars verlengde liggen, zal de moraal wel weer gaan kantelen.'

In sommige delen van Utrecht zijn al wat vleugjes burgerzin op te snuiven. Omwonenden van de Nieuwegracht vegen eens per maand met bezems die door de gemeente beschikbaar zijn gesteld de werven schoon. 'Dat is oergezellig', weet Leicher. 'Het is hun eigen dagje uit.'

En even verderop, aan de Van Hogendorpstraat, hebben de bewoners (overwegend tweeverdieners) een rosarium geadopteerd. Zij dragen overigens niet persoonlijk zorg voor het onderhoud van de rozen. Dat wordt uitbesteed aan een tuinman.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden