ACHTERGRONDCrisisgeneraties

Volwassen worden in crisistijd: hoe ging dat in de jaren tachtig? En wat moeten jongeren nu?

In 1984 nam Mac van Dinther deel aan de kraak van de Grote Broek. In het pand zit nu onder meer een eetcafé, waar deze oude foto aan de muur hangt. Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Klaar om de wereld te veroveren, maar helaas: het is crisis. Wie afstudeerde in de jaren tachtig, weet er alles van. Hoe ging dat toen? En wat moeten de jongeren nu?

Lijdzaam in een hoekje zitten, dat nooit 

Mac van Dinther (1958) werd volwassen in de jaren tachtig

In 1981 kwam ik met een half afgemaakte opleiding van de universiteit. Ik had best kunnen afstuderen, dat was ook wel de bedoeling, maar waarom zou ik? We werden immers opgeleid voor de werkloosheid.

Het waren de jaren van economische recessie en de bezuinigingskabinetten-Lubbers. De economie kromp, de werkloosheid groeide, vooral onder jongeren. Niemand zat op ons te wachten. Met mijn bijstandsbriefje in de hand sloot ik aan in de lange rij voor de sociale dienst.

Wij waren de ‘verloren generatie’, gevangen in het niemandsland tussen de babyboomers en de generatie na ons die opgroeide in de vette jaren negentig. Wat dat betreft verschilde onze situatie toen niet zoveel met die van de jongeren van nu: daar sta je dan, klaar om de wereld te veroveren. Maar helaas: alle plaatsen zijn bezet, probeert u het later nog eens.

Wat konden we doen? Wat deden we? We kalkten ‘no future’ op de muren. Ook ik verfde mijn haar zwart, droeg een (tweedehands) zwarte leren jas en draaide punkmuziek op mijn pick-up: Never Mind the Bollocks. Dat is het beeld over ons dat is blijven hangen. Maar we deden zoveel meer.

We kraakten huizen die leegstonden, terwijl er woningnood heerste. We bezetten leegstaande fabrieken en kantoren waarmee werd gespeculeerd om er woon-werkgemeenschappen in te beginnen. We richtten woongroepenverenigingen op waarmee mensen met weinig geld samen een huis konden kopen.

Ik was actief in wat wij in Nijmegen ‘de Beweging’ noemden: ik weigerde dienst, zat in de blokkades van de Piersonstraat en de kerncentrale van Dodewaard, deed mee aan de kraak van de Grote Broek en de Pontanus, twee roemruchte Nijmeegse kraakpanden. Vanuit het ‘antimilitaristisch bureau’ organiseerden we acties tegen wapenbeurzen, atoomschuilkelders en de plaatsing van kruisraketten in Woensdrecht.

Ik was medeoprichter van Asfalt, de Nijmeegse tegenhanger van het Amsterdamse krakersblad Bluf! waarin we naar hartelust discussieerden over een betere wereld: zonder kernwapens, zonder legers, zonder armoede en honger, zonder koning, zonder multinationals, wapenhandel, uitbuiting en geweld, maar met gelijkheid voor iedereen ongeacht alles – afkomst, sekse, kleur. We mochten dan geen illusies hebben, idealen hadden we des te meer.

Wat we niet deden, was lijdzaam in een hoekje zitten. Integendeel: we gingen de straat en de barricades op om luidkeels onze rechten op te eisen en te protesteren tegen alles wat ons niet zinde: kruisraketten, voordeurdelerskorting, kernenergie. We leefden van actie naar actie.

In de tussentijd bouwden we aan een eigen subcultuur van (illegale) cafés, radiozenders, voedselcoöperaties, kappers, fietsenmakers en poppodia. De bijstand was genoeg om van te eten (en drinken). Kleren kocht ik bij de kringloop, huisraad en meubilair haalden we van straat. Als we reisden, deden we dat met de duim omhoog: liftend. Tijd hadden we genoeg, geld niet. Carrière maken was een vies woord.

We hadden geen lobby, geen belangenvereniging of vertegenwoordigers in het parlement. Maar we hadden de straat. En de nacht, als alle brave burgers sliepen, was van ons. We waren een factor om rekening mee te houden.

Perspectief was er niet. Ik herinner me dat ik op een avond in een café zat te filosoferen met een vriend dat wij weleens de eerste generatie konden worden die van de bijstand naadloos zou doorrollen in de AOW.

Zover is het niet gekomen. Gaandeweg zijn de meeste van mijn generatiegenoten en ik sluipenderwijs opgenomen in het systeem. Met een achterstand van een jaar of zes die, zo heb ik ook gemerkt, nooit meer in te halen is. Toen ik eind jaren tachtig besloot journalist te worden, zat ik als bijna-dertiger in een klas met net-twintigers.

Of ons verzet iets heeft uitgemaakt? Dat is moeilijk te zeggen. Hier en daar is er een prestigeproject gesneuveld, zoals een Nijmeegse parkeergarage. Kernenergie is er niet gekomen, kernraketten evenmin. Maar dat kun je niet (alleen) onze verdienste noemen.

Woonverenigingen bestaan nog steeds en sommige woon-werkpanden zijn inmiddels gelegaliseerd, als tastbare erfenissen van de jaren tachtig. Maar de ideale wereld die ons voor ogen stond, is er niet gekomen. De welvaart is toegenomen, maar de ongelijkheid is alleen maar vergroot.

Achteraf kun je stellen dat onze protesten zijn gesmoord in de voorspoed van de jaren negentig. Misschien waren wij niet vasthoudend genoeg en kozen we uiteindelijk toch voor ons eigen hachje. Maar niemand kan zeggen dat we het niet hebben geprobeerd.

Ik zeg niet dat de huidige jongeren een voorbeeld moeten nemen aan ons: elke tijd heeft genoeg aan zichzelf. Maar er is voor jongeren van nu genoeg om tegen in verzet te komen. Wat de kernraketten waren in de jaren tachtig is nu de klimaatcrisis, de uitputting van de aarde, de opkomst van een profiteursklasse van superrijken, de ongelijkheid in de wereld (nog steeds) en het onvermogen (of de onwil) van de boven ons gestelden om daar iets tegen te doen.

Voor wie niet wordt gehoord, is opstand een bestaansrecht. ‘Je me révolte, donc je suis’, schreef Camus (met dat opschrift zijn nu T-shirts te koop). Alles beter dan je als sappelende zzp’ers of flexwerkers tegen elkaar uit te laten spelen. Dat gebeurt overigens ook al: de klimaatactivisten van nu tonen duidelijk verwantschap met de actiebeweging van de jaren tachtig.

Er is geen garantie op succes: zie de resultaten uit het verleden. Maar het gevoel van saamhorigheid, de vrijheid, het idee te vechten voor een goede zaak: dat is onvervangbaar. Alleen al daarom had ik de jaren tachtig voor geen goud willen missen.

Engagement ­genoeg, maar waar blijft de actie?

Nick de Jager (1998) vindt het tijd dat zijn generatie in ­beweging komt

Jongeren komen buiten samen in coronatijd. Nick de Jager: ‘Weinigen lijken überhaupt benul te hebben van de roerige tijden die eraan komen.’ Beeld Aurélie Geurts

Sympathiek hoor, van Mark Rutte, dat hij zich in een persconferentie met ferme taal tot jong Nederland richtte. Start ‘een beetje zelf de revolutie’, riep de premier ons op. Ik ben benieuwd hoe hij dat concreet voor zich ziet. Krijgen we toestemming voor de bestorming van het Binnenhof? Nee, we moesten ons van Rutte met ‘lokaal’ beleid gaan bemoeien, meedenken met het gemeenteraadslid en de schooldirecteur.

Maar als de coronacrisis voor ons iets blootlegt, zijn het wel de zwakke plekken van het nationale jongerenbeleid van de laatste kabinetten. Jongeren met tijdelijke, oproep- of uitzendcontracten: zij zijn de eersten die tijdens deze crisis het pand via de achterdeur mogen verlaten. En dat terwijl de Sociaal-Economische Raad al eerder constateerde dat al dat geflex een rampzalige invloed heeft op de start van ons professionele leven: we kunnen later een eigen huis kopen, beginnen later met pensioenopbouw en stichten later een gezin. Onze studieschulden en het tekort aan starterswoningen helpen ook niet mee.

Reden genoeg dus om verhaal te halen bij de politiek. Althans, dat zou je denken. Maar in een doorsneestudentenhuis of -appgroep van jongeren hoef je niet aan te komen met termen als ‘steunpakketten’ of ‘economische krimp’, dat leidt maar af van de betere gespreksonderwerpen: Call of Duty: Warzone, de finale van Temptation Island of de dag dat we met zijn allen weer kneiterlam kunnen gaan op het terras.

Weinigen lijken überhaupt benul te hebben van de roerige tijden die eraan komen. Opmerkelijk, omdat ook jong Nederland trouw naar de persconferenties van Rutte keek. Maar waar ik na afloop met mijn vader verviel in discussies over het nut van de maatregelen, maakten we in het studentenhuis grappen over de hamsterende handjes van Irma Sluis of de uren durende uiteenzettingen van Hugo de Jonge. Zou hij echt blijven praten tot 28 april, zoals de satirische nieuwssite De Speld op 31 maart had gesuggereerd?

Aan het maatschappelijk engagement van mijn generatie lijkt het niet te liggen. De klimaatmarsen en antiracismedemonstraties van de afgelopen jaren trokken vooral jongeren, zoals we op Tweede Pinksterdag nog zagen op de Dam. De laatste Tweede Kamerverkiezingen brachten het hoogste aantal mensen onder de 25 op de been sinds 1981. En procentueel doen net zo veel Nederlandse jongeren aan vrijwilligerswerk als ouderen.

Waarom horen we ze nu dan zo weinig? Politiek socioloog Menno Hurenkamp denkt dat jongeren moeite hebben om in te schatten wat deze crisis voor hen kan betekenen. ‘Als jongeren over een economische crisis horen, denken ze: die dans zullen wij vast ontspringen. Ondertussen maken de ouderen kabaal over hoe slecht zij het gaan hebben.’

Na de laatste Tweede Kamerverkiezingen sprak ik met allerlei leeftijdsgenoten over stemgedrag. Ze begonnen dan vaak over het klimaat, abortus, Polen die onze banen innemen. Maar flexwerk, de huizenmarkt, pensioenopbouw? Laat gaan, joh.

Uit het Nationaal Kiezersonderzoek 2017 komt een vergelijkbaar beeld naar voren: jongeren van nu vormen hun mening op basis van culturele thema’s, omdat het daar de laatste jaren veel over is gegaan in de politiek. Mijn eerste politieke herinnering? ‘Minder, minder, minder!’, en een zelfvoldaan lachje op het gezicht van de blonde politicus die zojuist een vraag over Marokkanen had gesteld. ‘Economische verdelingsvraagstukken stonden na de eeuwwisseling juist minder centraal, waardoor deze waarschijnlijk ook een minder grote rol hebben gespeeld in de politieke socialisatie van millennials’, vermeldt het Nationaal Kiezersonderzoek .

Ondertussen vallen jongeren massaal buiten de boot. Want welk bedrijf investeert in crisistijd nou in jonge mensen?

Daarbij staan jongeren voor een andere opgave, die niet los kan worden gezien van deze crisis: de strijd tegen klimaatopwarming. Zeker als de recessie ertoe leidt dat alle groene voornemens van de afgelopen jaren weer onder in de la verdwijnen, wordt dat een enorm gevecht. Kortom: de politieke keuzes die nu worden gemaakt, gaan de rest van ons leven bepalen.

Mark Rutte en zijn collega’s zullen dus met meer moeten komen dan een vrijblijvend complimentje, maar jongeren zullen zelf ook in beweging moeten komen. We moeten ons durven verenigen en uitspreken. Niet alleen over het klimaat en racisme, maar ook als het gaat over iets dufs en droogs als de economie. We moeten aan het nadenken slaan, en onze gedachten organiseren en mobiliseren. Naar de krant mailen, petities in het leven roepen, actievoeren op sociale media en daarbuiten. Alles doen wat binnen de kaders van de wet past en recht doet aan het feit dat wij hier nog het langst rondlopen.

De Canadese tekenaar Graeme MacKay wist ons voorland onlangs krachtig te verbeelden in The Hamilton Spectator. Hij tekende een vloedgolf (covid-19), die direct werd gevolgd door een grotere (recessie) en een nog grotere (klimaatverandering). Voor jongeren is de vraag die voorligt simpel: wachten we tot we kopje onder gaan of gaan we op de surfplank staan?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden