Vogelvrije interieurs

In het calvinistische Nederland is het niet de gewoonte huizen tot kunstwerk te verheffen. Mensen volgen de mode en schakelen zonder moeite over van Oisterwijk-eiken naar een Mephis-ameublement....

IN HET BEGIN van de jaren twintig werd beeldend kunstenaar en godfather van De Stijl, Theo van Doesburg, gevraagd kleurvoorstellen te doen voor een rijtje middenstandswoningen in Drachten. Die moesten leiden tot de driedimensionale verwerking van een kleurencompositie, dé integratie van schilderkunst en architectuur die De Stijl-beweging voor ogen stond. Het resultaat was overrompelend en voor die tijd zeer ongebruikelijk. Van Doesburg schilderde het houtwerk buiten wit, zwart, grijs, rood, geel en blauw, en ging op dat kleurengamma verder in het interieur door plafonds, wanden en vloeren tot kleurvlakken om te toveren.

En dat in Drachten.

Architect Oud voorspelde Van Doesburg dat de bewoners de kleuren toch wel zouden wijzigen, hij had dat zelf in Spangen en Rotterdam ondervonden. En ja hoor. Na een jaar was het kleurexperiment in Drachten al weer ondergesausd.

Is het Nederlandse huisje wel heilig? Je zou zeggen van niet. 125 jaar interieurgeschiedenis, nu samengebald in een vorstelijk boekwerk, bevestigt vooral het vermoeden dat Nederlanders een heimelijke liefde voor het grofvuil belijden en eerder een abonnement op de sloper dan op de aannemer bezitten.

Twee pregnante voorbeelden. In de tijd dat alles nog moest kunnen en bij voorkeur onder één dak, realiseerde architect Frans van Klingeren in Eindhoven het multifunctioneel centrum 't Karregat. Van Klingeren, dat was toch de man van het superbuurthuis De Meerpaal in Dronten? Juist. In Eindhoven borduurde hij voort op zijn agora-filosofie. Een piramidevormige lichtkap steunde op een woud van kolommen en daaromheen was een vrije ruimte waar Eindhoven ludiek kon doen. Er was een uitvoerig en langdurig proces van inspraak aan voorafgegaan, meldt auteur Evert Rodrigo ten overvloede. Nog geen tien jaar later vonden diezelfde gebruikers de openheid te veel van het goede en plaatsten scheidingswanden tussen de kolommen. Ooit nog van 't Karregat gehoord?

Maar wispelturigheid is van alle tijden. Toen Willem Kromhout in 1902 het American Hotel in Amsterdam voltooide, viel hem ongezouten kritiek ten deel. 'Wel gezellige en intieme zitjes voor grootere en kleinere gezelschappen', oordeelde een criticus mild, terwijl de architect M. Lauweriks fijntjes vaststelde 'dat wij de ruwe, natuurlijke materialen, gemetselde bogen enz. niet in overeenstemming achten met het gezellige dat eene cafézaal moet hebben.' Geen restaurant/cafézaal waaraan zoveel geprutst is als Americain, en hoewel de zaal recentelijk in oude glorie is gerestaureerd, staat daar nog steeds een monsterlijk ruimteschip in het midden - een foodcounter - dat het zicht op de versierde muren en de glas-in-lood-ramen bijkans ontneemt.

Drachten is trouwens ook weer in ere hersteld.

Waarom springt de Nederlander zo achteloos om met zijn culturele verleden, samengebald in zijn binnenhuis? In het voorwoord van het standaardwerk Van neorenaissance tot postmodernisme doen kunsthistorici Frans van Burkom en Ellinoor Bergvelt een poging. Het interieur is te persoonlijk, het komt te dichtbij en wat dichtbij staat, boezemt zowel vertrouwen als angst in. Mensen zijn geneigd 'iets wat af' is, snel in de steek te laten.

Het wemelt in het boek van prachtig geconcipieerde woonhuizen die na enkele jaren bewoning weer aan een volgende gebruiker zijn overgedragen. Zelfs ontwerper Martin Visser besloot in de jaren tachtig het dominante Rietveld-interieur in zijn huis te vervangen door het dienende van Aldo van Eyck. Om de kunstcollectie een betere plaats te bezorgen. Zo is er altijd wel wat. Kind of collectie.

Bovendien, schrijven Van Burkom en Bergvelt, interieur is synoniem met vrouwelijk. Interieurarchitectuur was en is een vak voor vrouwen en heeft misschien daarom in de geschiedenis in lager aanzien gestaan dan 'de mannelijke architectuur'. Waarom is er van alles gepubliceerd over de gebouwen van Berlage, maar nog niets over zijn meubels?

Interieurs zijn vogelvrij, het aantal beschermde binnenhuizen is gering; ze volgen net als de mode de polsslag van de tijd. In de 19de eeuw verdwijnt zelfs het geschilderde binnenhuis. Als het onverwoestbare eiken uit Oisterwijk uit de mode is, schakelt de bewoner zonder moeite over op grenen of een postmodern Memphis-ameublement.

In de jaren twintig verklaarde Van Doesburg dat grillige gedrag van architect en gebruiker als volgt: 'Omdat het interieur meer dan de architectuur verweven is met het leven zelf, diende het de veranderingen die zich in het gemeenschappelijke en individuele leven voltrokken te reflecteren.' Hij beschouwde zelf het interieur als een 'praktisch apparaat'. De architect gaf de ruimte vorm, waarna diezelfde ruimte moest worden gecompleteerd met een zekere esthetiek: de beelding. Daaronder verstond Van Doesburg het samenbrengen van voorwerpen en materialen 'die de geest verruimen en de mens boven het materiële verheffen'.

Het calvinistische Nederland heeft altijd een broertje dood gehad aan stoffelijke zaken. Anders dan in Frankrijk, Engeland of België was het ongebruikelijk te geuren met je rijkdom. Een Victor Horta (Brussel), een Edward Lutyens (Engeland) of een Joseph Hoffmann (Wenen) die in staat waren het huis tot een Gesamtkunstwerk te verheffen, ze zijn in Nederland hoegenaamd niet aanwezig.

Hoewel?

In de tweede gouden eeuw die Nederland gekend heeft, en die grofweg de periode omvat tussen 1870 en 1940, blijkt een bovenlaag in de samenleving toch te vallen voor het Gouden Kalf. Het is de bloeitijd van Cuypers, Berlage, Oud, Rietveld en De Klerk. Zij krijgen opdrachten van een nieuwe klasse van bankiers, planters en handelaren. Het is de tijd van retro-stijlen zoals de neorenaissance, die ongegeneerd teruggrijpt op Hollands eerste Gouden Eeuw, maar ook de tijd waarin nieuwe technieken en uitvindingen doorsijpelen in het binnenhuis. Hoe verschillend ook, de nostalgische en de functionalistische stroming, ze steunen beide op een doordachte compositie waarin onbekende en soms kostbare materialen gekoppeld worden aan een sprekende architectuur.

F

FABRIKANT C. van der Leeuw laat in 1932 door Leen van der Lugt een villa bouwen aan de Kralingse Plaslaan in Rotterdam. Van der Lugt had met C. Brinkman voor Van der Leeuw ook al de Van Nellefabriek ontworpen. Een luxueuze toepassing van het Nieuwe Bouwen, schrijft Petra Timmer. Wat heet. De wanden waren weliswaar kaal, kasten vormden onversierde witgelakte blokken of glazen vitrines, maar de buismeubels waren van coryfeeën als Le Corbusier, Mies van der Rohe en Breuer, toen en nu top of the bill.

Maar de finesse school vooral in de techniek. Het huis had veel knoppen en bedieningspanelen, voor het licht, de per kamer reguleerbare centrale verwarming, de muziekinstallatie met geluidsversterking in elke kamer, elektrisch verschuifbare ramen en ook nog een ingenieus weksysteem voor bewoner, gasten en personeel. En dan bevond zich nog een sportruimte op het dak, waarvan het glazen dak kon worden weggeschoven zodat de Van der Leeuws, Körperkultur-adepten, privé konden zonnebaden.

De fabrikant verliet het pand na drie jaar voor een nieuw ideaal: psychiater worden in Wenen.

Zoals gezegd, het verschil met de interieurarchitecten rond de eeuwwisseling was niet zo groot. De Bazel, Kromhout en Lion Cachet: ze grossierden in villa's met lambrizeringen vol ingelegde, kostbare houtsoorten, gebatikte textielbespanning, sgraffito-muren en rijkbewerkte plafonds. Wat techniek was in 1930, was ambacht rond 1900. Het budget was vaak onbeperkt, de opdracht navenant. Berlage bouwde aan de Amsterdamse Van Eeghenstraat in 1902 voor de familie Simons de villa Park-Wyck die in de volksmond de naam kreeg van 'het huis met het handvat', vanwege de gekromde schoorsteen.

Binnen was de villa zo mogelijk nog ongewoner. In plaats van de gebruikelijke kamers en suite met een lange gang ernaast had Berlage de vertrekken rondom een centrale hal geschikt, de keuken aan de straatkant en de voorkamer aan de achterkant, met uitzicht op het Vondelpark. Nog meer omstreden waren de wanden: baksteen, zowel geglazuurd als 'naturel'. In zijn volgende proect, villa Henny in Den Haag, ging Berlage nog een stap verder: daar paste hij zelfs schoonmetselwerk in de woonkamer toe, ondanks alle akoestische bezwaren.

De architect die wilde vlammen ten koste van de bewoners. De familie Henny, zo wil de overlevering, kon niet aarden in de ascetische woonomgeving en villa Park-Wyck bleek in 1912 onverkoopbaar toen het echtpaar Simons er van af wilde.

De elite zet de trend, zij is financieel in staat om door toparchitecten een droomkasteel te laten bouwen. De doorsnee doorzonwoning of volkswoning komt niet aan bod in het overzicht, omdat de samenstellers zeggen 'het interieur vooral als artistiek gegeven' te willen beschouwen en niet zozeer als sociaal fenomeen. Het is een jammerlijke omissie. Het zou interessant zijn geweest minstens een hoofdstuk te wijden aan diezelfde architecten-elite die bij de sociale woningbouw juist moest woekeren met het budget en daarom wel keuzes diende te maken. Als ze in de overdaad meester zijn, zijn ze dat dan ook in de beperking? Dat is de - onbeantwoorde - vraag.

Niet alleen de binnenkant van de sociale woningbouw is stiefmoederlijk bedeeld, ook de publieke en de werkruimte komt mondjesmaat aan bod. En ook die publieke ruimte staat onder druk. De vertrekhal van het oorspronkelijke Centraal Station van Amsterdam is onherkenbaar veranderd van een bakstenen spelonk van tongewelven, bogen, fresco's en gietijzeren hekjes in een diarree van kiosken; het Schiphol uit 1967 met zijn eilandenrijk van bankbedden is al weer opgeruimd ten behoeve van de uitdijende passagiersstromen. En Centraal Beheer in Apeldoorn? Toen de open kantoortuin uit 1971 met zijn werknissen en ontspanningsplekken ontaardde in een jungle, werden ijlings schotten aangebracht en kantoren afgesloten. Omdat de directeur ook wel eens onbespied wilde werken.

Het overzicht eindigt bij het Groninger Museum, als symbool van het hyperindividuele, sensitieve design-object dat met zijn sprankelende enscenering van kunstwerken 'een lichamelijke, geestelijke vermoeidheid en dwangmatige herhaling wil voorkomen'. Het interieur, zo wordt vastgesteld, is in de jaren tachtig een verzameling objecten geworden, die inwisselbaar zijn zoals je ook per seizoen van jurk of pak wisselt. Modieus ja, grillig ook. Nederland wil zich klaarblijkelijk amuseren in en vergapen aan theatrale ambiances zoals het Amsterdamse casino, zoals het dat een eeuw geleden ook in American deed.

Ondertussen is de hoofdstroom nog steeds modernistisch, dat wil zeggen functioneel. De vooruitgang heeft zich ontwikkeld van ongebreidelde ornamentiek naar 'minder is meer'. Het is de vraag of dat echt vooruitgang is. Rijkdom heeft plaatsgemaakt voor kaalheid.

Ondertussen heeft die kaalheid het interieur óók blootgelegd. Of zoals Cees Dam het bij zijn inaugurale rede als hoogleraar interieurarchitectuur aan de TU Delft verwoordde: 'De architect is verantwoordelijk voor de relatie tussen interieur en exterieur. Hij kan niet volstaan met een behandeling van de ruimten afzonderlijk. De rijkdom ligt juist in de samenhang van ruimten en een contrast van belevingswerelden. De afzonderlijke ruimten van een gebouw moeten weer in hun samenhang en in samenhang van de straat en het geheel van de stad benaderd worden.'

En zo vervagen de grenzen van het interieur, het begrip binnenruimte wordt vervangen door de relatie van mens met zijn omgeving. Van de gestoffeerde cosycorners, waarin Nederland zich eind vorige eeuw koesterde, is het binnenhuis nu op straat beland.

Van neorenaissance tot postmodernisme, 125 jaar Nederlandse interieurs

Uitgeverij 010; ¿ 115

ISBN 90 64502498

In de Balkonzaal in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam zijn tot 8 september tekeningen, plattegronden en meubels te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden