Column

Vogelen voor een kleur- en luisterrijk landschap

Het is Nationale Vogelweek, tijd dus om de prangende vraag te beantwoorden: waarom vogelen wij? Vorige week, toen het even zomer leek, beleefde ik alvast mijn eigen vogeldagen en 's avonds, op de veranda van het vakantiehuisje met uitzicht op het Dwingelderveld in Drenthe, dacht ik diep na over genoemde vraag.

Een Hop. Beeld William Kreijkes

Net toen ik mijn overpeinzingen wilde staken - de bodem van de fles wijn was in zicht en het werd wat fris - klonk er een donderend geraas voor me in de duisternis. Dat kon nooit een ree zijn, wist ik direct, eerder een beer. Maar het was een natuurfotograaf die vanuit het natuurgebied met statief en al de hindernis van het hek naar het vakantiepark had genomen. De man keek - eenmaal zichtbaar en weer op de been - betrapt, en liep snel door.

Die had dus illegaal door het gebied lopen banjeren, al grondbroeders verstorende, in de jacht op een mooi plaatje. Ik dacht: je hebt vogelaars in alle soorten en maten.

Die ochtend had ik met twee vogelkenners in het gebied gelopen. Zij hadden op gehoor tientallen soorten vogels herkend. Als zij ergens liepen, ontstond in hun hoofd een plattegrond waarin ze invulden wat er in hun omgeving gebeurde; bonte vliegenvanger rechts, zwartkop links, staartmeesjes boven. Zoals ik in een vreemde stad de terrasjes en cafés inteken, zo tekenen zij vogels in. Dat vond ik mooi.

Ik had die ochtend ook de geelgors van dichtbij gezien. De geelgors is mooi, maar het is vooral de allereerste, enigszins bijzondere soort die ik, jaren geleden, eigenhandig wist te determineren. In een struikje in Limburg zag ik opeens een vogeltje dat duidelijk afweek van de vinken en mezen die ik wel herkende. Na een uitgebreide vergelijking met de afbeeldingen in een vogelgidsje stond het onomstotelijk vast: geel, opvallende bruine stuit: geelgors. Het eerste bijzondere vogelplaatje in mijn collectie.

Toch is het niet alleen verzamelwoede. Ik sprak Boena van Noorden, over de inmiddels in Nederland uitgestorven ortolaan, een prachtvogeltje. Van Noorden had dat uitsterven op de voet gevolgd. Hij vertelde hoe hij vroeger maar zijn dorp in Limburg hoefde uit te fietsen om ortolanen te zien. Hij sprak van mooie zomeravonden in een landschap van roggeveldjes en eikensingels. Dat landschap bestond niet meer. Weemoed aan de andere kant van de lijn.

Komt een bijzondere vogel nog wel voor, dan is er een landschap nog enigszins intact. Vogels kijken heeft daarmee iets behoudzuchtigs. Kijken tegen het verdwijnen. Je kunt het ook offensiever formuleren: tegen de monocultuur waarin alleen ganzen gedijen, voor afwisseling, voor een kleur- en luisterrijk landschap.

In het vakantiehuisje werd ik de volgende ochtend om vijf uur wakker van het reguliere vogelconcert in het bos. Ik hoorde niets onregelmatigs en sliep weer in.

Om acht uur werd ik opnieuw wakker, nu van wonderschone, heldere, melancholieke vogelzang. Leer je buurt kennen, dan weet je wat afwijkt, en dit was echt volledig nieuw. Ik haastte me naar buiten. Het zou toch niet...?

De geluidenapp bood uitkomst. Verdomd: de wielewaal. Wakker worden met de wielewaal: mijn weekend kon niet meer stuk.

Na Drenthe ging het door naar 'vogeleiland' Texel. Daar was zojuist het vogelfestival afgelopen. Het eiland was volgestroomd met soortenjagers en natuurfotografen. Er waren zwarte wouwen gezien, en bijeneters. De hop zat er nog.

Ook veel vogelaars waren blijven hangen, merkten we. Op een uitkijkpunt aan de noord-oostkant van het eiland stond een groepje mannen met telescopen. Ze keken naar een visarend. We liepen de duinen in, op zoek naar de hop. We waren niet de enigen. Twee Duitsers trokken twee grote karren vol fotoapparatuur door het zand, her en der stonden mannen met statieven.

We tuurden naar een vermeende grauwe kiekendief en spraken met een vogelaar die afdaalde van een duintop. De hop vloog net achter jullie langs, zei hij. We bleven nog een tijdje vergeefs wachten op de hop. Ik zag twee tapuiten en een kneu. Ik zei tegen mijn ervaren vriend dat het voor mij niet zo hoefde, dat wachten op zeldzaamheden. Wacht maar, zei hij, tot je alles al een keer gezien hebt.

We liepen langzaam terug. Een man in een camouflagepak en telelens lag achter een haag. Ik vroeg waar hij op wachtte. Op een roodborsttapuit, loog hij. Hij wachtte duidelijk op de hop. Maar de hop liet zich niet meer zien. De hop had het helemaal gehad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden