Voetstuk voor de wereld De beelden van Carl Andre weerspiegelen kracht en sterkte

In 1965, tijdens een kanotocht in New Hampshire, besloot de de Amerikaanse beeldhouwer Carl Andre dat een beeld 'zo plat moet zijn als het wateroppervlak'....

BIJ HET bouwvallige station van het ingesneeuwde Wolfsburg staan vier hoge fabrieksschoorstenen. Het zijn gigantische bakstenen minimal objecten, net opgerolde wafeltjes in een glanzende ijstaart, vier op een rij in een smetteloos wit landschap. Wolfsburg, dat in 1938 door de nazi's is gebouwd, is een stad met een monocultuur, een minimalistische stad: elke dag rollen er vierduizend Volkswagens van de band.

Langs de spoorbaan naar Hannover en Stendal, die in hoog tempo wordt geëlektrificeerd, zie je honderden karmijnrode palen, mooi in het gelid, en liggen nog eens honderden betonnen elementen. Op weg naar de expositie van Carl Andre, de tovenaar van de minimal art, kijk je op een andere manier naar die sneeuwvlakte. Het landschap is wit en kaal, net zo neutraal als het high tech-museum van Wolfsburg. Een onzichtbare hand heeft het beschreven. Het landschap tussen Gifhorn en Stendal is een gigantische minimalistische compositie, John Cage in de sneeuw. Er is ritme: de palen op gelijke afstanden van elkaar, de betonnen blokken keurig opgestapeld.

In het Kunstmuseum Wolfsburg en in de Krefelder Kunstmuseen, waar een tweede tentoonstelling is te zien, leer je hoe dat klinkt. Het museum is een leerschool. Toen het Wolfsburger museum openging, in mei 1994, hingen in de stad affiches met daarop een walvis, het symbool van het Kunstmuseum, een vertolking van het motto Kunst für alle, een slogan die herinnert aan het totalitaire Volkswagen-idee: een betaalbare auto voor iedereen.

De walvis is een metafoor voor die gedachte. De vis, zeg maar de kunst, zit opgesloten in een labyrint, het museum. Je kan hem vangen. Een indrukwekkende educatieve staf helpt de bezoekers bij de vangst. Het volk, zei directeur Gijs van Tuyl bij de opening, 'moet leren wat kunst is'. Door het kijken naar het minimal werk van Andre, leert het volk beter en kritischer kijken.

Ofwel verwerp je de minimal art, ofwel noem je het kunst. Er zijn fanatieke aanhangers van het minimalisme, de zuiverste kunst, maar er zijn ook fervente tegenstanders die het 'kokette kunst' noemen, waardeloos gefröbel met blokjes en vlakjes of lege vormen. Je ziet bij Andre wat je ziet, meer niet: honderden blokken hout, honderden zinken of koperen platen, een metalen lus, gerangschikte vormpjes en robuuste kolossen. De educatieve ploeg echter bedacht een hulpstuk 'Materialien für Lehrer und Schüler', een box basics. Het is echt minimalistisch: een doosje met vijfentwintig kaarten met informatie over het werk van Andre. 'Je kan er eindeloos mee spelen', zeggen de makers. Het is, zoals het minimalisme, maniëristisch speelgoed.

Carl Andre Sculptor 1996 is de eerste omvangrijke presentatie van zijn werk in Duitsland. Het is geen retrospectief. De titel wijst op wat Andre 'het hier en het nu van het beeld' noemt: het is telkens weer een andere plek, een andere situatie en een andere atmosfeer. Een beeld in een museum is een ander beeld wanneer het in de gang van een karmelietenklooster staat of in een fabriekshal. Het is site specific. Elk beeld heeft een biografie. In de catalogus staan de plekken afgedrukt waar het beeld ooit stond, maar ook de 'related works'. Daardoor krijgt zo'n beeld een geschiedenis. Het is de zoveelste welklinkende of dissonante variatie op een schijnbaar onuitputtelijk thema.

De beelden van Andre zijn geen massieve stukken hout of marmer, maar beeldhouwen als het ware de ruimte. Het zijn materialen. Het beeld is werktuig, 'the cut in space'. Zijn beelden ontkennen de traditionele principes van soliditeit en massiviteit. Andre parafraseerde in de jaren zestig het werk van Constantin Brancusi. In Krefeld zijn zowel zijn Convex Ash Pyramid, een houten Brancusi-achtige piramide, als het bekende Lever te zien, de horizontale variatie op de 'eindeloze zuil', Brancusi's beeld in het Roemeense Tîrgu-Jiu, een ononderbroken ritme van piramidale vormen. In het werk van Brancusi maakt de sokkel deel uit van het beeld. Soms laat hij die ook weg en is de ruimte waarin het beeld staat als het ware een sokkel. Sculptuur, zegt Andre, is 'a pedestal for the rest of the world'. Het maakt mogelijk de wereld op een andere en kritischer manier te bekijken.

Het lijkt op het eerste gezicht allemaal nuchter en glad, geen sensorisch bombardement van kleur en vormen, maar 'cool, understated, sophisticated'. En toch zijn er de anekdoten. In de zomer van 1965, tijdens het kanoën in New Hampshire, besloot Andre naar eigen zeggen dat een beeld 'zo plat moet zijn als het wateroppervlak'. Zulke vloersculpturen slorpen de ruimte op. Je kunt er ook op lopen, wat geen mens durft. Zijn beslissing was voor de beeldhouwkunst misschien wel even ingrijpend als het besluit van Auguste Rodin dat zijn burgers van Calais niet op een sokkel moeten staan maar op de grond, oog in oog met de toeschouwer.

In Wolfsburg, anders dan in Krefeld, toont het museum de anekdote, subtiel en gereserveerd. Bij de ingang zijn foto's te zien van Andre's geboorteplaats Quincy (Massachusetts), foto's van de scheepswerf en van de granietgroeve. Andre werkte vier jaar bij de Pennsylvania Railroad. Hij rangeerde treinen, misschien wel op dezelfde manier als nu zijn houten blokken en koperen of zinken platen. Hij leerde er werken met minimal materiaal, containers, en het heeft - vertelde hij in een interview - 'hem genezen van die typische Amerikaanse zucht naar gigantisme'. Het werk van Andre is, anders dan dat van Richard Serra, licht en gemakkelijk verplaatsbaar. Het kan in een koffer. En toch lijkt het megalomaan en rigoureus. Minimal art is streng.

De directeuren van de Krefelder Kunstmuseen en het Kunstmuseum Wolfsburg, Julian Heynen en Van Tuyl, beginnen hun inleidingen in de catalogus met het jaartal 1968. In dat jaar maakte Andre voor het buitenterras van Haus Lange een vloersculptuur en in datzelfde jaar zag Van Tuyl voor het eerst minimal op een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. 1968 is ook het jaar van Stanley Kubricks 2001: A Space Odyssey, een spektakelfilm waarin buitenaardse wezens niet als monsters of robotten op het scherm verschenen maar als 'black monoliths ten feet tall', geen antropomorfe wezentjes maar minimal art.

De vloersculpturen van Andre, de neonlichten van Dan Flavin, de schuttingen van Serra en de dozen van Donald Judd bevielen niet iedereen. Wat men minimal noemt, is in feite episch. Het kende geen grenzen, niet in formaat, niet in variatie en niet in luidruchtigheid. In een bekend artikel van critica Anna Chave over 'minimalisme en de retoriek van de macht' worden minimalistische werken van Andre of Serra vergeleken met fascistische of nazistische bouwwerken. De beelden van Andre, zegt Chave, zijn veel massiever dan ze lijken. Ze weerspiegelen kracht, sterkte, ze zijn autoritair en dwingend. Het is heroïsche Wille zur Macht.

De 137 - sommige critici zeggen 139 - stenen, een vlekkeloze en vlotte lijn op de vloer, zijn in de ogen van Chave een penis. De titel van het werk, Lever, dat nu in een van de vertrekken van de Krefelder Kunstmuseen is te zien, verwijst overduidelijk naar een erectie. Dat zie je zo. Daar bestaat geen twijfel over. Het woordje 'lever' betekent 'hefboom', en in het Frans is 'lever' ook al een erotische woordspeling.

Volgens Chave is Lever, die 137 stenen, een fallus, het mannelijk lid in optima forma, 'a 341/2-foot erection'. Het is een coïtus waarbij de vloer 'het niet-gearticuleerde vrouwelijk element' is. Andre zelf zinspeelde ooit in een interview op de priapische betekenis van Lever. Hij wilde naar eigen zeggen Brancusi's eindeloze zuil horizontaal schikken. 'De meeste sculpturen zijn priapisch, waarbij de penis zich haast hinderlijk opricht. In mijn werk rust Priapus op de bodem.' Het is, zegt Chave, 'de retoriek van de macht': despotisch, arrogant en mannelijk.

Alle minimal heeft fascitoïde trekjes. Het is autoritaire kunst. Minimalisten hebben geen oog voor details, want dat verstoort de homogeniteit van een werk. Details zijn intiem. Het is mannen-kunst. Zo'n diagonaal geplaatst neonlicht van Flavin is 'de diagonaal van de extase', het is een opgerichte penis. Serra's monumentale, stalen platen, die elk moment kunnen omvallen - er viel al eens een dode te betreuren - zijn protserige mannenfantasieën.

Een beeld, waarbij alle metaforen zijn vermeden, leent zich voor fantasieën. Zo'n beeld smeekt naar betekenis. Het is meer dan wat je ziet. De beelden zijn, en misschien wijzen de suggestieve titels daarop, niet louter vorm. Andre is ook schrijver. Hij maakt 'concrete poëzie'. Hij houdt van Pound en Eliot. Toch springt niet zozeer wat hij schrijft in het oog, als wel de manier waarop hij de woorden ordent. Hij is ook een groot liefhebber van de gedichten van Emily Dickinson, omwille van de interpunctie. Andre koestert de slashes in de tekst. De titels van zijn werken lezen als zo'n gedicht over groot/klein, open/gesloten, binnen/buiten. Het zijn toespelingen op het vormelijke spel, het beeldhouwen.

Misschien is Andre in wezen nog steeds een remmer van de Railroad Company, gefascineerd door het beeld van de goederentreinen. Hij zeult met houtblokken of stenen. Het is tastbaar plezier. Tentoonstellen is een lichamelijk proces. Het vraagt fysieke inspanning. Andre zoekt waar hij zijn blokken het best kan neerzetten. Het is materiaal. Wellicht ook daarom loopt hij altijd gekleed in een overall. Zulke anekdoten echter worden door de fanatieke aanhangers van de minimal art van tafel geveegd. Minimalistische kunst is koud. Dat verdraagt geen ruis.

'Mijn opvatting van beeldhouwkunst is als die van een weg', heeft Andre ooit gezegd. Het is de spoorbaan van Hannover naar Stendal, het minimal orkestwerk van buizen, palen, betonblokken en baksteen. 'Mijn meeste werk is in zekere zin een weg die afgelegd moet worden, het geeft aan hoe erlangs of omheen gelopen moet worden of erover heen, naar de toeschouwer toe. Een weg zonder vaste uitkijkpunten.'

Een beeldhouwwerk van Andre kan op oneindig veel manieren bekeken worden, vanuit een of meerdere specifieke invalshoeken. Basics is daarbij het hulpmiddel. Het credo van Andre is helder, de canon duidelijk: The course of development: sculpture as form, sculpture as structure, sculpture as place.

In Krefeld, in het Haus Lange en Haus Esters, twee in de jaren twintig door Mies van der Rohe voor privé-verzamelaars gebouwde villa's, toont Andre het werk dat hij 'at home' heeft betiteld. De sculpturen staan er in kleine vertrekken, de vroegere woonkamer en slaapkamers. Het is, ook al lijken het soms obstakels, huiselijke en intieme kunst. In dat deel van de expositie gaat het over begrenzingen. Het is echter gezichtsbedrog. Door het neerzetten van een kleine sculptuur, het dertig centimeter hoge 2Cu7Pb None (een woordspeling: the sculpture is very small, almost like 'none' at all), lijkt de ruimte groter. Een kolos verkleint de ruimte. Een gang is, door het neerleggen van een koperen tapijt dat een perspectivische vertekening suggereert, langer. Het zijn oogspelletjes, variaties.

Andre's beelden zijn configuraties van beeldhouwkundige elementen. Daar heb je zo'n speeltje voor: de kaartenbak van basics over vorm, structuur, plaats en materiaal, over getallen en ordeningen. In het Kunstmuseum Wolfsburg, een indrukwekkend gebouw met een groot glazen dak, een torenhoge rotonde en een al even gigantische expositiehal, werken die vertekeningen weer helemaal anders. Wolfsburg - at Large toont hoe de beelden zich tot zo'n grote ruimte verhouden: het Flanders Field, een monumentaal beeldenpark dat herinneringen oproept aan een soldatenkerkhof, onder een koepel van stalen buizen, een koperen vloersculptuur op de galerijen, pompeuze beelden, soms gestapeld en soms uitgelegd op de grond, die je vanaf het balkon kunt bekijken.

De tentoonstelling is een soort 'typologie van plekken', waarin Andre 'het geluid van zijn beelden' uittest. De ene keer dwingt het beeld de toeschouwer afstand te nemen, een andere keer is de kijker gedwongen over het beeld heen te lopen, soms is het groot, soms is het klein, verticaal of horizontaal. Andre's vloerbewuste kunst is geen vloerkunst. Het is gericht op de totale ruimte. Andre speelt, om Jean-Paul Sartre te parafraseren, 'met stof'. In modieus taalgebruik heet dat 'aura'. Sartre schreef in een essay over het werk van Alberto Giacometti, die zijn gehele leven heeft geworsteld met de vraag 'toon ik wat ik zie, zie ik wat er is', over 'het ontvetten van de ruimte'.

Beeldhouwen is ontvetten, want il y a trop, er is te veel, en dat moet worden weggesneden, of verpulverd. Ruimte, zegt Sartre, schep je met het stof in het atelier. Misschien is ook dat de les in minimal die in Wolfsburg en Krefeld wordt getoond.

Carl Andre Sculptor 1996. Tot en met 21 april in de Krefelder Kunstmuseen (Museum Haus Lange en Museum Haus Esters) en in het Kunstmuseum Wolfsburg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden