Voetknechten, paladijnen, vazallen

Generaties krantenlezers zijn met zijn tekeningen opgegroeid. Door hem leerden we het wereldtoneel kennen en het 'achterstraatjesgemummel' van het Binnenhof....

OPLAND was meer dan een halve eeuw de politiek tekenaar van de Volkskrant en De Groene, en stond daarin heel lang op eenzame hoogte - in die unieke mengeling van een krachtige, heldere lijn en groteske, bizarre en barokke taferelen.

Bij zijn vijftigjarig jubileum in 1998, toen hij werd bezongen als 'de Michelangelo van de Viltstift', had Koos van Weringh, de historicus van de politieke prent, al uitgerekend dat Opland een record had gebroken. Geen tekenaar, ook voor de oorlog niet, heeft zo lang aan het front van het nieuws gestaan en daar zo uitgebreid en in detail verslag van gedaan. Hij moet in die 55 jaar zo'n tienduizend tekeningen hebben gemaakt.

En hoe vaak zijn, in die periode, de frontlijnen van de wereldgeschiedenis niet veranderd. Opland zag het oude Europa opkrabbelen uit de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog en Nederland zich direct weer in een nieuwe, koloniale oorlog storten. Zijn wereld werd, met een IJzeren Gordijn en een Berlijnse Muur, verdeeld in de machtsblokken en de wapenwedloop van de Koude Oorlog.

Hij zag de Cuba-crisis ontstaan en dat IJzeren Gordijn weer vallen, het communisme verdwijnen, de Sovjet-Unie ineenstorten en op de Balkan en in Afrika nieuwe oorlogen uitbreken. Hij zag de Europese gedachte zich ontwikkelen van iets nietigs als een Gemeenschap voor Kolen en Staal tot een uitdijende unie met een eenheidsmunt en gesloten grenzen, waar dagelijks vluchtelingen en asielzoekers tegenaan beuken.

Oplands wereld was die van Mao, Chroesjtsjov, Kennedy en Nixon, van Brezjnev, Gorbatsjov en Reagan, van Adenauer en De Gaulle, Pinochet en Thatcher, Kohl en Mitterrand. Hij ontleedde het gedrag van zijn wereldleiders zorgvuldig, ontdeed ze van hun ijdelheid en maakte ze tot de doorzichtige, niets verhullende, eeuwig struikelende karakters van zijn wereldtheater.

Generaties krantenlezers zijn met hem opgegroeid. Door hem leerden we die wereld kennen, door hem kregen we inzicht in de bewegingen in de coulissen en zagen we de geschiedenis zich voltrekken.

Hij volgde het proces op de voet en, vooral en bij voorkeur, dicht bij huis in dit kleine achter de dijken verscholen land, dat zo graag in alles een voortrekkersrol vervult en gidsland wil zijn. Hij fileerde ze allemaal en genadeloos, al die kabinetten en coalities van na de oorlog - van rooms-rood tot paars, verzuild of in het poldermodel aaneengesmeed, van de Nacht van Schmelzer tot die van de dolkstoot van Wiegel.

Hij trok in zijn marionettentheater aan de touwtjes van Beel, Drees, Luns en Romme, Mansholt en Zijlstra, Bruins Slot en De Quay, Toxopeus en Vondeling, Biesheuvel en Aantjes, Den Uyl, Van Agt en Wiegel, Lubbers en Brinkman, Van Mierlo, Bolkestein en Kok en al hun voetknechten, paladijnen en vazallen en liet in de schaduwbeelden die zijn manipulaties opleverden, zien wat de politiek altijd het liefst wil verhullen.

Het bijzondere van Oplands karikatuurportretten was altijd dat ze niet zozeer leken, maar dat zijn slachtoffers steeds meer op zijn tekeningen gingen lijken. Of misschien kwam het doordat wij hen zo goed door Opland leerden kennen. Zo leek Luns op het laatst steeds meer op het paasei dat Opland in diens trekken en postuur vond; zoals Den Uyl zich onvermijdelijk ging voegen naar het gedeukte bintje dat Opland in diens schedellijnen zag.

Opland bracht het beeld van de wereld terug tot dat van een overzichtelijk dorpstoneel, en het Binnenhof tot wat hij zelf zo mooi 'achterstraatjesgemummel' noemde. Hij maakte de wereld en de politiek overzichtelijk, tot een houvast. Maar zijn verkleining ervan was geen versimpeling - daar was zijn pen, hoe barok ook, te scherp geslepen voor. Wat hij ons voorhield, was een wereld die even overzichtelijk was als geschift. Hij hield de grote en kleine gebeurtenissen van de dag tegen het licht, in een wereldbeschouwing en analyse die aan de absurditeit van Laurel & Hardy deden denken. Alles werd even op zijn kop gezet en door elkaar geschud, ter lering en vermaak. Door Opland leerden we ook onszelf beter kennen.

In zichzelf, in zijn kijk op de tragedies van het wereldtoneel, zag hij een combinatie van de karakters van Cyrano, Don Quichot en Job. In Cyrano vond hij het theatrale, het beeldende, het eeuwig zoeken naar het mooie. In Don Quichot herkende hij het vechten tegen de windmolens. In Job vond hij de tragiek van het leven.

Zijn tekeningen getuigden altijd van een onhollands joie de vivre, van een bourgondisch genieten van het schouwtoneel van het leven, vol hoofdpersonen die opgewekt een levenspad kiezen dat vol valkuilen en voetangels is gelegd door tegenstrevers, achter wie weer andere, kleinere bananenschillenleggers zich verschuilen - een eeuwige cyclus van macht, machtsbesef, machtswellust en machtsstrijd.

Opland, in 1928 in Amsterdam voor de burgerlijke stand geboren als Rob Wout, was een kind van de crisistijd en van de oorlog. In de levenservaringen van zijn jeugd lagen zijn wortels. Zijn vader werd werkloos in die jaren dertig. 'Als je zelf een crisiskindje bent geweest en al lang voor de oorlog blikken niet te vreten tomatensoep bij de bedeling moest halen', zei hij later, 'dan is het toch logisch dat je je speciaal met sociale zaken bezighoudt.' Hij was puber in de bezettingsjaren. 'Het Volledige Niets', noemde hij die periode. 'Er kon niets, mocht niets, er gebeurde niets. Juist in die Sturm- und Drangperiode daalde er een stolp over mij heen.' Hij had bij de bevrijding wat in te halen en deed dat met volle teugen - in zijn werk en in zijn leven.

Hij begon bij De Groene in 1947, een jaar later volgde de Volkskrant. Nederland was streng verzuild. Het leek een onmogelijkheid om tegelijk voor een links weekblad en een (toen) katholieke krant te werken. Toch lukte het hem, en hij wist ook zijn vrijheid nog eens te behouden. Hij was amper twintig, onervaren en ongeschoold, en werd in één klap de grote vernieuwer van het genre. Zijn verschijning kwam op het Binnenhof aan als een donderslag. Niemand tekende zoals hij de menselijke soort.

AL HEEL snel had hij zich aan elke traditie en elk voorbeeld ontworsteld en ontwikkelde die karakteristieke pennenstreek van groot gebaar en rijk detail. Hij leefde zich uit in een tekenstijl die stoelde op een traditie van de schuttersstukken, landschappen, stadsgezichten, wintertaferelen en zeegezichten van de zeventiende eeuw en het liefst nog in strijdtaferelen die doen herinneren aan het wapengekletter van de Tachtigjarige Oorlog.

Opland sprak een andere taal en brak in één keer met de vooroorlogse traditie van de politieke prent. Hij was niet aan een partij of overtuiging gebonden. Zijn voorgangers wortelden nog in de negentiende eeuw, dachten volstrekt rechtlijnig vanuit de achtergrond waaruit zij waren opgekomen - rooms, rood, liberaal, marxistisch, sociaal-democratisch, hervormd of gereformeerd.

Misschien lag de kracht van zijn werk toen niet alleen in die eigen stuurkracht van zijn pen en spotzucht, maar ook in de positie die hij had bevochten. Opland was de eerste ontzuilde in verzuild Nederland, voorloper en vernieuwer. Hij vond in het tegengestelde wereldbeeld en de wereldbeschouwing van De Groene en de Volkskrant zijn vrijheid. Van twee kanten kon hij tegen verschillende heilige huisjes schoppen. Hij koos of marchandeerde niet, hij trok zich nergens iets van aan en vond zijn eigen weg.

Er was ook een ander, persoonlijk leven. Hij was een bon vivant, als hij binnenkwam was het met de stilte en rust gedaan en knalden de flessen open. Jarenlang was hij, in die roerige sixties, de Koning van het Leidseplein, gangmaker van feesten en partijen; liefst geschminkt nog en verkleed, met een steek op en de frak versierd met carnavalsdecoraties. Hij trok in die jaren elk seizoen als de lentekriebels kwamen voor maanden naar het Spaanse preteiland Ibiza. 'Ik moet in dok', riep hij dan, 'de roest moet eraf.' Zijn eerste hoofdredacteur bij de Volkskrant, J.M. Lücker, noemde hem toen 'een kind van zijn tijd, een jongen in schillerhemd, met een veroverende frankheid, een vrolijke branieschopper, met een existentialistisch air'.

Er is weleens geprobeerd Opland internationaal als commentator van het wereldnieuws te lanceren, maar dat is nooit wat geworden. De Nederlandse politiek, dat 'achterstraatjesgemummel', trok hem het meest. In het buitenland werd hij bekend met een andere kant van zijn werk. Zijn tekenaarsleven lang heeft hij zich vaak ingezet voor actiegroepen en bewegingen die hij van beeldmateriaal en logo's voorzag. Het vrouwtje dat kordaat de kruisraket de wereld uit schopt, werd het beeldmerk van de vredesbeweging in Europa, Australië en Japan - symbool van de hollanditis, die toen gevreesde en besmettelijke ziekte.

Geen cynicus, maar een 'observateur' vond hij zichzelf. 'Ik tuchtig me met het volgen van politici, als een monnik die zijn rug geselt met een zweepje.' Hij kon zich in prachtige volzinnen, gevlijd in een gedragen opgevoerde spreektaal uitdrukken, om die, als iemand hem te nabij kwam, onmiddellijk weer te ontkrachten door er vele 'hallekidees, O moedertje, pomperdepom of papperdepap' doorheen te vlechten.

'Van aard ben ik een optimist, geloof ik', zei hij eens, 'een vrolijk baasje.' Opland stond waar hij voor stond, maar hij hield zichzelf, achter al zijn bourgondische levenslawaai, welbewust op de achtergrond en gaf slechts af en toe een glimp van zijn idealen en motieven prijs. En dan nog, hoe kan het anders, gedrenkt in spot. 'In mijn vooronder ben ik een hypochonder.'

Hij was ook een hartstochtelijk liefhebber van het light verse, een zondagsdichter die zijn werk in eigen beheer uitgaf, zoals dit hartverscheurend poëem: Lisdodders/ verpluizen/ tussen afstervend riet./ Meer biedt/ het leven/ lisdodders/ niet.

Opland was de meester van het tableau vivant in de politieke prent. Elk decennium verscheen er wel een bundel van zijn tekeningen, even geregeld werd hij ervoor bekroond. Hij heeft met zijn werk nooit willen stoppen. Pensionering vond hij een hinderlijk en laakbaar verschijnsel.

Terugblikkend zei hij bij zijn laatste jubileum in 1998: 'In die vijftig jaar is het idealisme op de klippen gelopen, de bevlogenheid is vervlogen. Je bent gek als je nog over ideeën begint.' Zichzelf vond hij toen 'misschien iets beschouwender geworden' en dat was, zei hij, 'eigenlijk meer een euvel dan een pluspunt.'

Zijn rapier moest scherp geslepen blijven, daar ging het om. En het blikveld moest vrij zijn. Want 'de essentie van het leven is, en dat geldt voor iedere sterveling die een beetje kiel en kielgang heeft, stabiel is, dat een mens in wezen niet verandert, nog steeds het jongetje van zeventien is dat de wereld met grote belangstelling en nieuwsgierigheid gadeslaat.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden