Voetangels en vampiers

De Midden-Sumatra-Expeditie was in 1877 het eerste multidisciplinaire onderzoeksteam dat in Nederlands-Indië aan het werk ging. Opzet was Midden-Sumatra in kaart te brengen, te speuren naar bodemschatten en kennis te vergaren over zeden en gewoonten van de bevolking....

Ze zien eruit als groot uitgevallen tandenstokers, die per ongeluk lijken te zijn achtergelaten in een vitrine van de tentoonstelling Indië ontdekt.

De houtjes zijn vlijmscherpe bamboespiesjes geweest; krengen van dingen die 120 jaar geleden dienst deden als voetangels. De sultan van Jambi strooide er kwistig mee om een Nederlandse expeditie, met name de ongeschoeide dragers, pijnlijke voeten te bezorgen.

De leden van de Midden-Sumatra-Expeditie (1877-1879) waren ervan doordrongen dat de tocht 'geenszins vrij van gevaren' zou zijn, maar zij hadden niet gerekend op valstrikken en andere vijandelijke acties van de sultan die in 1858 uit zijn paleis in Jambi was verdreven. Had het koloniaal bestuur niet de verzekering gegeven dat de Padangse Bovenlanden en de benedenloop van de Hari-rivier veilig genoeg waren om te gaan verkennen?

De voetangels liggen vlak bij een foto van het graf (in Jambi) van luitenant-ter-zee J. Schouw Santvoort, leider van de expeditie. De sultan heeft hem vermoedelijk laten vergiftigen.

De Midden-Sumatra-Expeditie was het eerste grote, multidisciplinaire onderzoeksteam dat in Nederlands-Indië aan het werk ging. Schouw Santvoort was kartograaf, A. L. van Hasselt etnograaf en taalkundige (tevens controleur bij het Binnenlandse Bestuur), D. D. Veth, geograaf en fotograaf, en J. F. Snelleman, zoöloog.

Ook zonder de onverwachte tegenstand van de sultan vergde de tocht enorme inspanningen. Volgens het expeditieverslag moesten de deelnemers gezond zijn en over een opgeruimd humeur beschikken. Een goede uitrusting was van eminent belang: katoenen, makkelijk te wassen bovenkleding, flanellen onderkleding, vetleren waterlaarzen en zwaarlinnen slobkousen tegen bloedzuigers. Onontbeerlijk waren ook verrekijker, geologisch zakkompas, potlood (Faber HB) met houder, deugdelijk zakmes, loep, waskaars en een metalen kokertje met fosforlucifers.

'Zeer veel nut' hadden de wetenschappers 'van de etui's met vork, lepel en mes, drinkglas, kurketrekker en peperbusje, door wijlen Z. K. H. prins Hendrik (de in 1879 overleden Hendrik de Zeevaarder, red.) aan de expeditieleden ten geschenke gegeven. (. . .) Zij hebben ons dikwijls uit den nood geholpen, wanneer ons bij bezoeken aan inlanders minder proper gereedschap werd voorgelegd.'

Het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap had de expeditie uitgerust. Midden-Sumatra moest in kaart worden gebracht. Maar dat was niet het enige doel. Een speurtocht naar bodemschatten, althans de aanzet ertoe, en het vergaren van kennis van zeden en gewoonten van de lokale bevolking, waarvan het bestuursapparaat kon profiteren, stonden eveneens op het verlanglijstje.

Het KNAG kon tevreden zijn. Ondanks tegenslagen leverde de expeditie, een verzamelnaam voor kortere en langere tochten, een schat aan materiaal op: kaarten, etnografica, bodemmonsters, handschriften in verschillende talen, glasplaten van driehonderd foto's, zoogdieren, insecten en planten.

Je kunt het zo gek niet bedenken of de expositie laat wel iets zien van de verzamelwoede van de expeditieleden: van een opgezette Sumatraanse haas (uiterst zeldzaam) en modellen van tijger- en olifantvallen tot een schaamplaatje voor een meisje en voorbeelden van het Rencong alfabet. En dat is nog maar een miniem deel van de opbrengst van de Midden-Sumatra-Expeditie. De resultaten van tochten naar Borneo, Nieuw-Guinea en Suriname - niet voor niets luidt de ondertitel van de tentoonstelling Expedities en onderzoek in de Oost en de West - worden eveneens getoond.

Een aparte vitrine is gewijd aan F. W. Junghuhn en C. B. H. von Rosenberg, twee Duitsers in koloniale dienst, aanvankelijk als militair, die als voorlopers - letterlijk en figuurlijk - fungeerden van de betrekkelijk goed uitgeruste expedities naar de Buitengewesten waarvoor in de tweede helft van de negentiende eeuw de financiering rond kwam.

Junghuhn en Von Rosenberg waren generalisten, natuurvorsers in de breedste zin van het woord en in wetenschappelijk opzicht twee van de belangrijkste Duitsers die een toonaangevende rol speelden bij het in kaart brengen van de talrijke 'witte plekken' van het Nederlands-Indië in de negentiende eeuw.

Junghuhn doorkruiste Java, vergezelde Von Rosenberg op diens tocht door de nog onbekende Bataklanden op Sumatra en was als een van de weinige individuele onderzoekers in staat zijn naar Leiden opgestuurde materiaal te bewerken en te publiceren. Nogal wat lotgenoten stierven in het veld, doordat zij onvoldoende waren geacclimatiseerd of 'in knellende Europese kledij gestoken', vermeldt de prachtige catalogus bij de tentoonstelling.

Het merendeel van de slachtoffers was lid van de Natuurkundige Commissie voor Nederlandsch-Indië die Wilhelm I in 1920 had ingesteld. De koning had drommels goed in de gaten dat hij het eilandenrijk beter kon exploiteren naarmate de (wetenschappelijke) kennis van Oost-Indië zou toenemen. Het in 1851 opgerichte Koninklijk Instituut voor Taal, Land- en Volkenkunde zou zich tot het belangrijkste kenniscentrum ontwikkelen (Indië ontdekt is een jubileumtentoonstelling ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van het KITLV).

Een deel van de individuele onderzoekers en van de groots opgezette expedities had economische en politieke bijbedoelingen. Befaamd dan wel berucht was de derde en laatste expeditie van A. W. Nieuwenhuis, arts en etnograaf en vanaf 1904 dertig jaar hoogleraar land- en volkenkunde in Leiden. Nieuwenhuis doorkruiste als eerste Borneo van West naar Oost en slaagde erin de koppensnellende Dayaks aan de bovenloop van de Mahakam-rivier onder Nederlands gezag te brengen.

Nieuwenhuis verzamelde een indrukwekkende hoeveelheid etnografische en biologische informatie die hij evenals andere ontdekkingsreizigers en natuurvorsers in de negentiende en begin twintigste eeuw zeer nauwkeurig en leesbaar opschreef, of het nu ging over tatoeagetechnieken of over Hudocq-feesten om een goede rijstoogst af te smeken. Aan de hand van Quer durch Borneo kon ik in 1993 in het gebied van de Boven-Mahakam vaststellen dat de uitdossing voor en het Hudocq-ritueel zelf in niets verschilden van wat Nieuwenhuis had beschreven.

De reisverslagen vormen een van de fraaiste onderdelen van de expositie; vooral de collectie antiquarische reisboeken en verhandelingen over Suriname en de slavernij in dat land doet menig (beginnend) verzamelaar naar adem happen. De West krijgt ruime aandacht op de tentoonstelling, en terecht. Honderd jaar geleden was 90 procent van Suriname nog onbekend terrein, waar leden van de acht expedities tussen 1901 en 1907 niet werden geplaagd door voetangels maar door vampiers, bloedzuigende vleermuizen.

Indië ontdekt. Expedities en onderzoek in de Oost en de West t/m 31 dec. in Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden. Catalogus fl 19,50. Inl: 071-516.88.00. Internet: www.rmv.nl

Onderdeel van de expositie is de film Dead Birds over het Danivolk in de Baliemvallei. De boeiende film uit 1961 maakte deel uit van een project om de Amerikaanse publieke opinie te winnen voor het Nederlandse standpunt tav Nieuw Guinea.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden