Vluchten kan niet in Saigon

Vijfentwintig jaar geleden eindigde de oorlog in Vietnam. Van het dak van de Amerikaanse ambassade vertrok 30 april 1975 elk kwartier een helikopter met de laatste evacués....

Een man klampt zich met één hand vast aan de open deur van een helikopter. Hij wil naar binnen. Vanuit het toestel probeert een andere man zijn hand los te wrikken, terwijl een derde man de blijkbaar afgewezen passagier in het gezicht slaat. Zo eindigt op 30 april 1975 de Vietnamese oorlog. Met een handgemeen op het dak van de Ame rikaanse ambassade in Saigon.

Bijna een kwart eeuw later loop ik in Ho Chi Minhstad een hotel uit om te gaan kijken naar de plek waar die historische foto van de laatste helikopter gemaakt is. Voor het hotel wil een éénbenige bedelaar onmiddellijk een bijdrage van me, vindt een jongetje dat mijn schoenen toe zijn aan een poetsbeurt en probeert een meisje een pakje ansichten aan me te slijten. Ik word ontzet door een Vietnamees die vraagt waar ik heen wil. Op mijn compliment over zijn goede Engels zegt hij dat hij in de oorlogsjaren als tolk heeft gewerkt voor de Amerikaanse mariniers. In een café om de hoek vertelt hij me hoe het hem op die 30ste april 1975 is vergaan.

'Duizenden en duizenden mensen stonden voor de Amerikaanse ambassade. Ik stond daar met mijn vrouw en onze dochter van twee maanden. Van het dak van de ambassade vertrok elk kwartier een helikopter en iedereen probeerde binnen te komen om weg te vliegen. Dat lukte bijna niemand, maar toen ik bij de mariniers werkte, hadden ze me een identiteitskaart gegeven en daarmee kwam ik het terrein op. Ik ben tot de eerste verdieping gekomen, maar om hoger te komen, had je een vergunning nodig en die had ik niet.'

Trai heet hij. Een stoere man met een zwart snorretje, een zwarte honkbalpet en een rode Honda waarmee hij toeristen oppikt. Het gaat hem goed, want vroeger deed hij dat met een driewielige fiets. Zo'n fiets die in andere delen van Azië bekend stond als rikshaw en die in Saigon een cyclo wordt genoemd: voorop een stoel voor een of twee passagiers. Na de val van Saigon vervoerde Trai zo de Russen, die het nieuwe regime kwamen helpen om nu ook van Zuid-Vietnam een communistisch land te maken. Die Russen waren tuk op de Westerse spullen die uit Thailand, via Cambodja, naar Vietnam werden gesmokkeld. Trai wijst door het raam van het café naar een groot gebouw, waar veel Russen woonden en dat de Russische markt werd genoemd. Trai, met zijn cyclo, scharrelde dankzij die markt zijn kostje bij elkaar en slaagde er in om zo te ontsnappen aan het lot van veel van zijn stadgenoten, die zich van het nieuwe regime als boer moesten vestigen in de van muskieten vergeven jungle.

'We hebben drie keer geprobeerd met een boot weg te komen uit Vietnam. De eerste keer hebben we met 36 mensen een boot gekocht. Van de rivier naar de oceaan ging alles goed, maar op de oceaan ging de motor kapot. Een groot schip heeft ons opgepikt en teruggebracht. Ik ging de gevangenis in en werd geslagen. De tweede keer probeerden we het via de Mekong Delta. We betaalden tweeduizend dollar voor een boot. Maar de politie had ons in de gaten, volgde ons en pakte ons op. De derde keer probeerde ik het op een kleine boot, voor vijfduizend dollar. Er gingen dertien mensen mee en dat is een ongeluksgetal, dat leek me niks en ik ben niet meegegaan. De andere twaalf werden na drie uur opgepikt door een Panamese tanker. Ze hadden geluk.'

Het land was onleefbaar geworden. Dat vonden niet alleen Trai en zijn pro-Amerikaanse vrienden, maar ook de Vietnamezen die ooit de communistische zaak toegedaan waren. Een van hen, een vriend van Trai, had er een roman over geschreven die ook in het Engels vertaald is, The Sorrow of War, een boek dat in Vietnam is verboden. Na het vertrek van de Russen ging het land open voor westerse toeristen, aanvankelijk argwanend gadeslagen door het regime dat de toeristen verplichtte om voor elk uitstapje buiten de stad een vergunning aan te vragen.

'Dit café was toen mijn kantoor', vertelt Trai. 's Ochtends vertelden de toeristen me waar ze heen wilden en 's middags hadden ze hun reisvergunning. Voor twintig dollar. Vijftien dollar was voor de politie, want ik kende daar iemand die de nodige stempels had en onder tafel wel wat geld wilde aannemen voor een snelle afhandeling.'

De winst stelde hem in staat zich de Honda aan te schaffen waarmee hij mij graag van dienst wil zijn. Waar wil ik heen? Naar de vroegere Amerikaanse ambassade dus, maar dat zeg ik hem niet. Ik wil liever lopen, want dan maak je meer mee onderweg, zoals Trai meteen al heeft aangetoond. O, maar als ik niet weet waar ik heen wil, dan weet hij wel wat meisjes te zitten in een niet te dure club.

'Daar ben ik te oud voor', zeg ik.

'Je bent niet oud, man, je zou jou hoogstens zevenenveertig geven.'

'Hou een ander voor de mal', zeg ik.

'Ik ben ook oud', zegt hij, 'maar ik heb mijn haar, mijn snor en mijn wenkbrauwen geverfd. Anders denken ze dat je gek bent, dat je niet meer mee kunt.'

Hij trekt zijn portefeuille en laat me een wit papiertje zien.

'Weet je wat dit is?'

'Nee.'

'Viagra! Het is echt fantastisch. Ik kan het zes keer per dag, een uur lang.'

'Ik ook. Maar nu moet ik weg. Hier heb je vijftien dollar voor dit gesprek.'

'Twintig dollar is het tarief.'

'Vijftien voor jou en vijf voor de kelner, ja?'

Grijnzend accepteert hij de deal. Trai verdwijnt op zijn Honda, op zoek naar een volgende hustle, en ik ontwijk honderden toeterende Honda's als ik de straat oversteek.

Auto's rijden er niet veel in Ho Chi Minhstad, maar het krioelt van de Honda-motoren en de Honda-scooters. Allemaal voorzien van een toetertje dat veel wordt gebruikt: opzij, opzij, hier kom ik aan! Maar ik kom er ook aan en ik wil naar de overkant. Hoe moet dat? Langzaam oversteken, dat is de truc, zodat ze kunnen besluiten om links of rechts langs je te rijden. Maar dan ben je aan de overkant, wil je over het trottoir je weg vervolgen, en wordt je weer gehinderd door Honda's die dwars op de stoep geparkeerd staan. Ho Chi Minhstad is, kortom, niet berekend op wandelaars. Zeker niet als die er uit zien als een westerse toerist.

Een Honda-man stopt, wijst uitnodigend op zijn buddyseat, maar komt in de conversatie niet verder dan een paar Engelse woorden. Nee, dank je, laat ik hem weten. Maar hij gaat er van uit dat ik binnenkort toch wel zal afzien van dat dwaze wandelen in deze klamme hitte en hij tuft langzaam met me op. Een cyclo-man rijdt me klem op het trottoir en laat me een lijst zien van alle toeristische plekken waar hij me heen kan brengen: het oorlogsmuseum, het museum van de revolutie, het paleis van de hereniging, het kunstmuseum, het Ho Chi Minhmuseum - kan hij me allemaal zo naar toe brengen en bovendien heeft hij twee kinderen en die moeten toch ook eten?

Maar ik wil wandelen en de Honda-man en de cyclo-man houden me nu eendrachtig gezelschap, in afwachting van het moment dat ik tot inkeer zal komen. Geïrriteerd door hun opdringerige gezelschap loop ik door, zonder nog veel anders te zien dan die twee klevers. Hoe los ik dit op? Bij een kruispunt duik ik een telefooncel in, waar ik aan mijn blocnote uitvoerig toevertrouw wat me overkomt. De Honda-man beseft na een paar minuten dat ik een uitzichtloos geval ben en verdwijnt, maar de cyclo-man houdt vol en als ik weer verder loop verwijt hij me dat ik hem zo lang heb laten wachten en nu toch wel verplicht ben in te stappen. In mij staat even een man op die hem wil slaan, maar de uiterlijke man houdt gelukkig zijn fatsoen en duikt het eerste het beste café in.

Daar drink ik, met de rug naar de straat, een blikje Orangina en zo nu en dan kijk ik over mijn schouder om te zien of de cyclo-man nog voor de deur staat. Als hij eindelijk weg is reken ik af, vervolg mijn wandeling en beland in plaats van bij de vroegere Amerikaanse ambassade bij het voormalige paleis van de president van Zuid-Vietnam. Ik herken het hek van een foto, die op 30 april 1975 werd gemaakt toen dat door een Noord-Vietnamese tank werd geramd. Sindsdien heet het gebouw het 'paleis van de hereniging'. Toeristen zijn welkom en ik zie in de kelder de war room met batterijen zwijgende telefoons en bekijk op één hoog de bibliotheek. De helft van de planken is leeg.

'Veel boeken', zegt de dame die me rondleidt, 'waren tegen de tegenwoordige regering. Die zijn dus verbrand.'

Ik noteer een paar titels van boeken die niet op de brandstapel hoefden.

Monuments de France.

Awards and decorations of Vietnam.

Planning and operating motels and motor hotels.

Een Honda-man komt me gezelschap houden als ik even in het parkje voor het paleis ga zitten. Trang heet hij. Trang spreekt goed Engels en berispt me als ik geld geef aan een meisje dat zich met haar ansichtkaarten aan me opdringt.

'Ik zie graag dat mensen royaal zijn', zegt Trang. 'Maar dat meisje hoort op school te zitten. Die moet niet worden aangemoedigd om hier te bedelen. Zie je dat jongetje daar? Dat hoort bij dat meisje. Ze werken samen. Zij probeert de aandacht met haar ansichtkaart af te leiden van toeristen, terwijl hij hun zakken rolt. Nu lukt dat ze niet omdat ik bij je ben, maar die kinderen horen natuurlijk op school en niet hier. Ze moeten dit waarschijnlijk doen van hun ouders, die van het platteland zijn gekomen omdat daar niets te verdienen is. Al die bedelaars komen van het platteland en ze wonen nu ergens aan de rand van de stad. Ik kom ook van het platteland. Er zijn geen banen bij ons, de regering investeert alleen in de steden.'

Trang werd geboren in de Central Highlands, in 1965, toen de oorlog begon. Die oorlog zit in zijn kop en wil er niet meer uit. De oorlog die hij als kind heeft meegemaakt. Maar ook de oorlog tegen Cambodja waaraan hij als soldaat heeft deelgenomen.

'Die schram onder mijn rechteroog is van een kogel. Dat litteken op mijn pols kreeg ik toen we in een hinderlaag vielen en moesten vechten met grote messen die voorop geweren zitten, hoe heten ze ook alweer in het Engels? Bajonetten, ja, die schram is van een bajonet. En al die littekens op mijn benen zijn van een landmijn. Ik weet precies hoe ik aan al die littekens ben gekomen. Ik probeer het wel te vergeten, maar het gaat niet weg. Het zit in mijn hoofd, het is altijd bij me. 's Nachts, als het stil is, komt het altijd weer terug. Maar ik ben een club begonnen van mensen die Engels willen spreken en dat helpt me om te vergeten. We hebben het over het milieu, over economie - elke zaterdagmorgen. Ik heb het mezelf geleerd en mijn clubmakkers studeren hard, ze kunnen het Engels goed schrijven en lezen, maar ze kunnen het niet spreken. Ze kunnen niet luisteren. Ze begrijpen niet wat je zegt.'

Troost vindt Trang vooral bij zijn vriendin die uit Mekong-delta komt. Hij is graag bij haar familie in de Delta, daar is het rustig en zijn de mensen zo vriendelijk. Maar wonen wil hij er niet. Hij gaat terug, wanneer weet hij nog niet, naar de Central Highlands. Naar zijn vader, die daar rotstuinen aanlegt. Maar eerst wil hij nog beter Engels leren, door te praten met mensen als ik. Hij rekent me voor hoeveel Honda's er zijn in Ho Chi Minhstad. Er wonen vijf en een half miljoen mensen en elk gezin heeft er één. Een gezin bestaat uit gemiddeld vier mensen en dat kom dus neer op zo'n een en een kwart miljoen Honda's, die ik moet ontwijken als ik niet achter op zijn Honda stap.

Maar ik kies voor het ontwijken, daarvoor ben ik volgens mij hier. Een paar straten verder heeft een cyclo-man het weer op me voorzien en ik huiver bij deze dreigende herneming van oude vijandelijkheden, maar deze cyclo-man wil me alleen vertellen dat het oorlogsmuseum aan de overkant is.

Een man zonder handen duikt op uit de schaduw. Hij strompelt naar me toe, want met zijn rechterbeen is ook iets niet in orde. Als hij voor me staat, kijkt hij me aan met één bruin oog en één oog dat er uitziet als een gekookt ei dat gepeld is door iemand die zijn nagels niet had geknipt. Hij wil me een plattegrond verkopen van Ho Chi Minhstad, een mapje kleurenfotos van Vietnamese landschappen, of een boek over de oorlog. Dat zit allemaal in een tas die om zijn nek hangt en waar hij nu met zijn stompjes een plattegrond uit optilt.

'Mijn God', zeg ik, 'wat is er met jou gebeurd?'

'Een Amerikaanse bom, meneer, in de oorlog. Toen ik een kind was. Ik was zeven jaar.'

Ik vraag of hij wat met me wil drinken op het terras, dat zich vlak achter de ingang van het oorlogsmuseum bevindt. Nee, dat wil hij niet. Hij wil me alleen maar wat verkopen.

'Later misschien', zeg ik, 'maar laten we eerst wat drinken. Het is zo heet en jij hebt vast net zo'n dorst als ik.'

Hij laat zich overhalen om tegenover me te komen zitten onder een parasol.

'Hoe heet je?' vraag ik.

'Wien', zegt hij.

'Hoe oud ben je, Wien?'

'Vijfendertig jaar, meneer.'

'Waar is dat gebeurd met die bom?'

'Een Amerikaanse bom. In Da Nang. Toen ik een kind was. Ik was zeven jaar.'

Meer wil hij er niet over kwijt. Meer kan hij er ook niet over kwijt, dringt tot me door als ik door vraag. Zijn kennis van het Engels reikt niet verder dan zo'n vijf korte zinnetjes. Over de bom, die een Amerikaanse bom was en die hem verminkte toen hij een kind was. Wien wordt wat knorrig als ik meer wil weten. Is de smartlap die hij heeft ingestudeerd en hier ongetwijfeld dagelijks afdraait, soms niet genoeg om mij tot kopen te bewegen? Ik stop, om het goed te maken, een Vietnamees bankbiljet met veel nullen in zijn tas. Maar d t wil hij niet! Hij is geen bedelaar!

'Overal is politie!' zegt hij angstig.

'Waar dan?' vraag ik.

Hij probeert het bankbiljet uit de tas te halen, maar dat lukt hem niet met zijn stompjes. Ik pak het voor hem en wil het hem geven. Maar hij houdt The Sorrow of War omhoog tussen zijn stompjes, die aan de uiteinden met grove steken zijn dichtgenaaid.

'Je hebt het beloofd', zegt hij.

Onder de tafel schopt hij me met zijn goede voet, als een kind dat zijn zin niet krijgt. Ik pel nog wat bankbiljetten van mijn bundeltje geld en aanvaard The Sorrow of War.

Ik loop naar de tanks en de vliegtuigen die in de museumtuin staan en bekijk binnen de foto's van de moordpartij van 16 maart 1968 in het dorpje My Lai, waar 504 mannen, vrouwen en kinderen door de Amerikanen werden afgemaakt. Ik vraag een paar Amerikaanse bezoekers om commentaar.

'Dit maakt ons tot monsters', zegt de eerste Amerikaan. Dat zijn dingen die wij hebben gedaan en daar voelen we ons schuldig over. Ik was vanaf het begin tegen de oorlog. Ik heb me er niet actief tegen verzet omdat ik studentendecaan was. Veel van mijn studenten hebben eraan deelgenomen. Maar het was ook zo dat je niet wist wie de vijand was. Vrouwen en kinderen hadden granaten. We hebben volgens de statistieken 58 duizend man verloren, en 62 duizend hebben er later zelfmoord gepleegd omdat ze zich schuldig voelden. Een van mijn vroegere studenten is alcoholist geworden. Hij is getrouwd en ik heb met zijn vrouw gepraat. Het is treurig en het was stom. Maar ik hoop dat er binnenkort een zaal bij zal komen waarin verteld wordt wat Amerikanen en anderen doen om te helpen. Want dit is vernietigend en ik maak me zorgen over wat de mensen die hier komen, niet alleen Amerikanen, wel van ons moeten denken.'

Een jongere Amerikaan: 'Mijn oom zat in de oorlog. Hij is gedeserteerd en we hebben nooit meer wat van hem gehoord, maar hij schijnt hier nog ergens te zijn. Hij was een soort hippie. Waarschijnlijk heeft hij een overdosis gehad van de een of andere drug.'

Een derde Amerikaan: 'Als Ho Chi Minh het zuiden van Vietnam met rust had gelaten, was dat nu een soort Californië geweest. We hebben verschrikkelijke dingen gedaan, maar oorlog is ook iets verschrikkelijks. Je maag draait er van om en je maag draait er ook van om als je ziet dat ze hier nu identiteitsplaatjes verkopen van Amerikaan se soldaten. Ze zullen hier echt van af moeten als ze Amerikaanse dollars willen, en dat willen ze nu.'

Ze. Het Vietnamese regime dus. Dat is al aan het bijdraaien. Zie de naamsveranderingen van het museum sinds toeristen welkom werden.

American War Crimes Museum.

War Crimes Museum.

War Museum.

Bij een tank van het type m-41 tref ik een man met grijs stekeltjeshaar. Monsieur Jacques is, als kapitein in het Zuid-Vietnamese leger commandant geweest op zo'n tank. 'Edel en enthousiast hebben we gevochten tegen de communisten die ons land wilden verwoesten. We hadden een goed moreel en onze soldaten waren trots en moedig. We hebben nooit een veldslag verloren. We hebben natuurlijk verliezen geleden, dat spreekt vanzelf. Men heeft ons gedood, we hadden gewonden, maar we hebben nooit verloren. De Amerikaanse militaire adviseurs hebben ons uitgenodigd om de avonden door te brengen met de Ameri kaanse officieren. We waren in de jungle, ver van de stad. Een grote helikopter heeft ons met water besproeid bij wijze van bad. Een tweede helikopter heeft ons zeep bezorgd. Een derde kwam met water om ons af te spoelen. Een vierde kwam met schone uniformen. Daarna brachten helikopters ons biefstuk, rijst, aardappels, sla en ijs. Maar we hadden een verplichting. Elke dag gaven ze ons tweehonderd kogels om af te schieten en als je dat niet deed, kreeg je verwijten, maar er werden ook meisjes aangevoerd per helikopter. Dat was het soldatenleven. Angst hadden we nooit. Als je samen bent en een goed moreel hebt... Maar aan het eind werd ons gezegd de wapens neer te leggen en naar huis te gaan. Dat was een politieke beslissing, maar wij hebben de oorlog niet verloren. Die 30ste april 1975 was een dag van grote droefheid en verveeldheid.'

Monsieur Jacques verdween daarna voor drie jaar in een concentratiekamp om politiek te worden heropgevoed. Hongerlijden en bomen kappen, daar kwam de heropvoeding vooral op neer. Na die drie jaar concentratiekamp werd hij met zijn gezin de jungle in gestuurd.'Om bomen te kappen en rijst te verbouwen. Maar zonder gereedschap. Zo nu en dan ging ik naar Saigon om wat rijst te halen, want we hadden niet te eten, en dan moest je die rijst verbergen op je lichaam, anders werd het in beslag genomen.'

In 1981 mocht hij met zijn gezin terug naar Saigon omdat ze hem niet vertrouwden, daar in de jungle. Hij wakkerde de ontevredenheid aan in zijn dorp en 's nachts werd zijn huis door de politie bewaakt. In Saigon kwam hij aan de kost als verkoper van houtskool. Om drie uur 's nachts stond hij op en dan fietste hij naar de houtskoolfabriek buiten de stad, waar hij om zes uur moest zijn, en dan terug met zo'n honderd kilo op de fiets.

Dat heeft zo'n drie, vier jaar geduurd, toen werd hij boswachter. In 1990, nadat de Russen vertrokken, kwam hij te werken op het Vietnamese kantoor van een Zwitserse farmaceutische industrie en nu is hij toeristengids en komt hij bijna elke dag in het oorlogsmuseum, waar hij een laconieke kijk op heeft. 'In een oorlog worden altijd fouten gemaakt. Je kameraad is gedood en je wilt hem wreken. My Lai is normaal. Het is niets. Ze overdrijven dat. De Fransen hebben in de koloniale tijd fouten gemaakt, maar ze hebben ook goede dingen gedaan. De Amerikanen hebben fouten gemaakt, maar ze hebben ook goede dingen voor ons gedaan. Maar van de communisten hebben we weinig goede dingen gezien.'

Dan moet Monsieur Jacques weer met een groep Japanners op de foto voor zijn m-41.

Voor het Amerikaanse consulaat, een paar straten verder, staan mensen in de rij voor een visum. Het consulaat staat ongeveer op de plek waar in 1975 de Amerikaanse ambassade stond, maar dat gebouw zie ik niet.

'Bonjour monsieur', zegt een dame.

'Bonjour madame, ik zoek de oude Amerikaanse ambassade.'

'Die is twee jaar geleden afgebroken, maar ik heb er nog foto's van.'

Ze laat een mapje met amateurkiekjes zien van het gebouw dat er niet meer is. Dat is de handel van madame, kijk, daar staat ze op een van die foto's. Ik koop haar mapje en vraag naar haar herinneringen aan de 30ste april 1975.

'Ik was thuis. Onze president zei op de radio dat de Zuid-Vietnamese troepen paraat moesten staan. Vanaf elf uur was hij steeds op de radio en soms was er muziek. We begrepen dat Saigon al verloren was. De Zuid-Vietnamese troepen moesten paraat staan om een ander leger te verwelkomen. Dat zei hij. Iedereen ging toen naar buiten, we zagen de Noord-Vietnamezen de stad in komen en we zwaaiden ze toe.' Ze pakt mijn blocnote en zwaait er mee. Zo verwelkomden de bewoners van Saigon toen de communistische troepen. Met zulke papiertjes.

'Een verschrikkelijk dag. En ze zagen er zo armoedig uit! Maar als u dat interesseert moet u naar mijn vriend Cuong, die heeft daar toen foto's van gemaakt.' Ik kijk nog even naar het sjieke appartementengebouw dat nu op de plek van de ambassade staat en probeer me daar helikopters bij voor te stellen. Op de stoep landt intussen een mus.

Huan Van Cuong woont in een met antiek afgeladen pand in de binnenstad. Op tweehoog, in zijn slaapkamer, hangen ingelijste foto's. Met bruine vlekken van het vocht, krom getrokken achter het glas.

De beroemde helikopterfoto is er ook bij. In de boeken over de Vietnamese oorlog, waarin hij nooit ontbreekt, staat er meestal bij dat hij afkomstig is uit het archief van upi - United Press International - en niet dat hij gemaakt werd door Huan Van Cuong, die als freelancer werkte voor upi. Bij de foto is het strookje afgedrukt waarmee hij toen de wereld in ging. Het is, blijkt uit dat bijschrift, geen foto die op 30 april 1975 werd gemaakt op het dak van de Amerikaanse ambassade. Het is een foto van de laatste helikopter die vertrok van het vliegveld van Tra Nhang. Maakt het wat uit? Ik heb de feiten nu eenmaal graag goed.

Op 30 april 1975 moest Cuong voor upi op reportage naar Highway 1 en toen hij daar met zijn auto reed zag hij de tanks aan komen rollen. Russische tanks, voorzien van een rode vlag met een gele ster. Hij stopte voor de tanks en moest uitstappen. In het Engels zei Cuong dat hij een Japanse fotograaf was, anders hadden ze hem misschien meteen dood gemaakt. De Noord-Vietnamezen vroegen hem de weg naar het presidentiële paleis in Saigon en hij zei dat ze hem maar moesten volgen. De foto van de tank die het hek ramde miste hij, maar binnen maakte hij foto's van de president die de macht overdroeg aan de Noord-Vietnamezen. Later op die dag hielp hij zijn collega's weg van het upi-bureau naar de Amerikaanse ambassade, waar hij veel foto's nam, maar dus niet die ene, die een icoon is geworden van de oorlog. Zelf wilde hij niet met een helikopter mee, omdat hij in de buurt van zijn moeder wilde blijven. Hij dook onder in de Mekong Delta, waar hij als visser en boer aan de kost kwam, en keerde na negen jaar terug in Saigon. Hij trouwde er en werd zeventien maanden later afgevoerd naar een concentratiekamp. Zeven jaar bracht hij door in steeds andere kampen, omdat ze niet wilden dat de gevangenen lang bij elkaar bleven en dan misschien zouden gaan samenzweren tegen hun beulen. Toen hij eindelijk weer terug mocht naar Saigon, begon hij daar een café, de Cyclo Bar, die na anderhalf jaar door de regering gesloten werd.

'Het trok te veel Westerse toeristen. Je had hier de Cyclo Bar, de Good Morning Vietnam en de Apocalypse Now. Alleen de Apocalypse Now is er nog.

Hij laat me de oorlogsfoto's zien, die hij maakte van zijn zestiende tot zijn zesentwintigste.

'Op bijna al mijn foto's zie je vrouwen en kinderen. Ze hadden niets gedaan, maar ze leden het ergst. Ik hou van kinderen. Het was zo moeilijk voor ze en ze hadden niets gedaan. Niet het volk maakte oorlog, maar die twee stomme regeringen van Noord- en Zuid-Vietnam. De een volgde Rusland en de ander Amerika in een gevecht van broeder tegen broeder. Mijn volk heeft geen communisten nodig, geen socialisten en geen economen. We hebben alleen maar eten nodig, kleren en werk. Kijk, die vrouw bij die helikopter. Zij is alles kwijt, haar man en haar kinderen.

Hij wil me er een print van verkopen, maar ik neem toch liever die beroemde foto van het mannengevecht bij de laatste helikopter.

Ik loop verder door de straten van Ho Chi Minhstad. Langs de winkeltjes, de werkplaatsen en een lokaal van de communistische partij. Tegen de achterwand van het partijlokaal hangt een rode vlag met een gele ster. Daarvoor staan een buste van Ho Chi Minh, die het allemaal vast niet zo kwaad bedoeld had, en een televisietoestel waarop zich een Amerikaanse soap ontrolt. In het vertrek staan stoelen opgesteld als voor een vergadering. Op de eerste rij zitten drie mannen in groene uniformen. Ik ga achterin staan. Een van de mannen staat op en maakt me nors duidelijk dat ik weg moet.

Ik loop door en overal waar ik even blijf staan, word ik naar binnen genodigd om een beeld van de boeddha te kopen, een camera of een bord soep. Ik neem de soep. Een giechelend meisje zet ook een bordje met muntblaadjes neer en stelt voor dat ik paar van die blaadjes in de soep doe. Haar moeder, die de keuken beheert, ziet goedkeurend toe hoe ik me red met de eetstokjes. De andere eters hebben het te druk met elkaar om op mij te letten en ook dat stelt me erg op mijn gemak. Ik vergaap me intussen aan het verkeer. Een man omhelst een glasplaat waarmee hij achter op een Honda zit, een bakfiets met een kast wringt zich het kruispunt op, een meisje zeilt er op haar Honda omheen, bij een smederij zie ik vonken sproeien en een paar huizen verder staat een betonmolen te stampen. Zo stelde ik me als kind een stad voor, vol bedrijvigheid, waarin je de mensen dingen ziet maken en vervoeren. Niet afgedekt door muren en de wanden van de vrachtauto's, maar open en bloot, alsof je kijkt in iemands hoofd. Deze stad is een hoofd. Mijn hoofd? Is wat ik meen te herkennen de inhoud van mijn hoofd?

Voldaan wandel ik verder en beland op een terras in de Dong Khoi Straat, de Kalverstraat van Saigon. Ik lees daar wat in The Sorrow of War van Bao Dinh. Het is een pathetisch boek, een bitter boek, een boos boek. 'Kijk goed naar de vrede die we hebben, pijnlijk, bitter en droef. En kijk naar wie de oorlog hebben gewonnen. Kijk naar de naoorlogse situatie in de steden, met hun zwarte markten. Het leven is zo frustrerend, voor ons allemaal. En kijk naar de lichamen en de graven van onze kameraden. Degenen aan wie we de vrede hebben te danken. Beschamend, vriend, beschamend. Maar is vrede niet beter dan oorlog? Dit soort vrede? In dit soort vrede hebben de mensen hun masker afgelegd en hun eigen, vreselijk ik onthuld. Zo veel bloed, zo veel levens werden opgeofferd voor wat?'

Ik laat intussen door drie jongetjes mijn schoenen poetsen, terwijl een meisje in de borstzak van mijn overhemd grijpt en daaruit het visitekaartje van Cuong ontvreemdt. Dan loop ik naar het Continental Hotel, waar destijds alle oorlogsverslaggevers zaten. Tweehonderd zijn er in die oorlog gestorven en wie het toch weer even had overleefd, liet zich hier vollopen met drank, werd hier stoned en zette hier dan die eeuwige oorlogsmuziek op. Nergens heeft Jimi Hendrix toepasselijker geklonken dan in het Continental waar ik nu door de gangen loop om nog iets op te vangen van die oude bluesherrie: Are you experienced?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden