Vluchten in je bubbel

De Israëlische schrijver David Grossman, die in 2006 zijn zoon verloor in de zomeroorlog in Libanon, is deze week te gast in Amsterdam op het Internationaal Literatuur Festival....

De schrijver David Grossman zag in het najaar van 2003 zijn zoon het ouderlijk huis verlaten om in militaire dienst te gaan – een rite de passage in Israël, zowel voor de kinderen als voor de ouders.

‘Toen hij naar het leger ging, voelde ik de behoefte hem te vergezellen. Ik begon een half jaar eerder al aan een roman in de hoop dat die hem zou beschermen. Drie jaar en drie maanden was ik aan het schrijven en toen* ja, toen. Meteen na afloop van de shiva, de traditionele joodse rouwperiode van zeven dagen na de begrafenis, heb ik het weer opgepakt.

‘Mijn vrouw vroeg in de voorafgaande jaren steeds: ben je gek, ben je waanzinnig geworden? Iedereen die weet dat zijn zoon op zulke gevaarlijke plaatsen is, zal dat proberen weg te drukken. Maar ik moest erover schrijven. Dat is mijn manier – dat was mijn manier om bij hem te zijn.

‘Het spijt me, maar ik wil liever niet veel over hem praten.’

Geen enkele keer spreekt de 54-jarige David Grossman de naam van zijn zoon uit tijdens het gesprek – het zou hem te dichtbij brengen. Hij heet Uri, en hij is om het leven gekomen in het zuiden van Libanon op 12 augustus 2006. Het was in de zinloze laatste uren van de zomeroorlog tussen Israël en de sjiitische strijders van Hezbollah. De diplomaten hadden al een formulering gevonden om de oorlog te beëindigen, toen de tank van Uri vol werd getroffen door een granaat. Hij was 20 jaar oud.

‘Wij Israëliërs zijn eraan gewend in de nabijheid van de dood te leven’, had Grossman al in 1996 geschreven in het essay Als de angst alles gaat beheersen. ‘Ik zal nooit het jonge paar vergeten dat mij over de toekomstplannen vertelde: ze zouden trouwen en drie kinderen krijgen. Niet twee, maar drie. Want als er een doodgaat, blijven er nog twee over. Die hartverscheurende manier van denken is mij niet vreemd. ’

De roman waarmee Grossman zijn zoon hoopte te beschermen, is inmiddels af. Isha Borahat Mibesora (Vrouw op de vlucht voor berichten) is een paar dagen geleden in Israël verschenen. Het boek is 630 bladzijden dik. De eerste oplage telt meteen 20 duizend stuks, een aantal dat past bij de reputatie van Grossman. Met Amos Oz en A.B. Yehoshua behoort hij tot de beste schrijvers en min of meer tot het geweten van Israël. Wereldwijd is zijn werk vertaald.

Het raamwerk van de roman ziet er zo uit. De zoon van Ora vertrekt om deel te nemen aan een militaire campagne. Om niet thuis het nieuws van het front te hoeven afwachten, gaat ook Ora weg. Ze zoekt haar jeugdliefde op, Avraham, met wie ze een lange wandeltocht maakt door Israël. Ora roept het leven van haar kind hardop in herinnering om hem op afstand bij te staan. Pratend over hem hebben ze het ook over de stand van het land.

Met Isha Borahat Mibesora maakt Grossman de balans op van de veranderingen in de condition humaine in Israël sinds het in 1967 tijdens de Zesdaagse Oorlog onder meer de Palestijnse gebieden bezette. Al jaren schrijft Grossman pijnlijk openhartig over ‘de vloek’ die de bezetting is: voor de Palestijnen natuurlijk, maar ook voor de Israëlische samenleving.

Sinds de noodlottige zomer van 2006 heeft David Grossman nauwelijks interviews gegeven. Al helemaal niet in Israël, om vragen over zijn zoon en zijn politieke opvattingen te voorkomen.

Alleen over zijn schrijverschap wil hij nog praten, en dat zal hij donderdag ook doen in Amsterdam tijdens de opening van het Internationaal Literatuur Festival. In Jeruzalem vertelt hij alvast hoe het schrijven hem staande houdt.

‘Vrijwel van begin af aan heb ik willen schrijven over dingen die me angst aanjagen. Vaak zijn dat veranderingen – in mijzelf, in de verhouding tussen mij en mijn vrouw, mij en mijn kinderen, mij en mijn land.

‘Het probleem is dat veel angsten hier werkelijkheid worden. Ze dringen zich aan je op, ook al probeer je eraan te ontsnappen.

‘Het schrijven, het beschrijven van gebeurtenissen in mijn eigen taal, vergroot mijn mogelijkheden om te leven. Ik hoop dat mijn taal anders is dan die van de kranten, de regering, het leger en de rechters, die ons met hun taal vergiftigen.

‘Hun taal kent geen nuances. Het is een massieve taal, die niet echt de werkelijkheid wil beschrijven, omdat die ondraaglijk is. Ze denken dat ze met taal een buffer moeten opwerpen tussen ons en de werkelijkheid. De meeste mensen doen daar graag aan mee, want ze willen niet lijden onder de tragedie die ons leven hier is.

‘Maar langzaam is iedereen gaan denken in de clichés die ons worden voorgehouden. We zijn nauwelijks nog in staat nuances aan te brengen. Het betekent dat we geen veranderingen meer kunnen waarnemen in onszelf of in onze vijanden – veranderingen ten goede of ten kwade.

‘Ora, de hoofdpersoon in mijn nieuwe roman, is als een windvaan, als de haan op een kerk die draait met de wind. Het ene moment denkt ze dat het zo echt niet langer kan met de bezetting van de Palestijnse gebieden; het andere moment schreeuwt ze om wraak en maakt wreedheid zich meester van haar gedachten.

‘Zo zit iedereen die nadenkt in elkaar. Als je nadenkt, kun je geen monolitische geest hebben. Alleen fundamentalisten hebben die. Zij sluiten zich op. Stap voor stap hebben ze de vaardigheden geëlimineerd die je in staat stellen de complexiteit van de werkelijkheid aan te kunnen. Ik wil me niet opsluiten, ik wil openstaan voor alle winden die hier waaien.’

‘De kern van het schrijven draait erom je te verplaatsen in anderen. We doen dat hier nauwelijks. Na zoveel jaren waarin ons is geleerd in ieder ander een vijand te zien.

‘Ik wil me in de ander verplaatsen. In zijn huid zitten. Ik hoef niet van die ander te houden, helemaal niet. Maar ik moet alle gevoelens voelen, mezelf blootstellen aan de complexiteit van hun wezen. Ook als het een Palestijn is, een vrouw, een oude man, een baby, een nazi-commandant of een hond.

‘Wij zoeken onze toevlucht in zelf gecreëerde sferen, in bubbels waar het goed toeven is. Dat is prima, iedereen verdient ze. Ik vind het heerlijk om in Tel Aviv te zijn. Maar er ontstaan problemen als je een fanaticus van je eigen bubbel wordt en weigert nog langer de werkelijkheid te zien.

‘Als iemand het verhaal van Israël zou hebben verzonnen, dan was het moeilijk geweest het te geloven. De wijze waarop Israël is gesticht vlak na de Shoah, na de vernietiging van zes miljoen Joden. En dan de oorlogen die we hier hebben gevochten. Vier, vijf, zes – wie telt ze nog?

‘Bedenk je dat een volk zich in zestig jaar heeft herschapen na de verschrikkelijkste catastrofe, een trauma waarvan de gevolgen zich over generaties uitstrekken. Het manifesteert zich in dat we anderen wantrouwen, dat we niet echt geloven dat we een toekomst hebben. Wij hebben niet de overtuiging dat onze toekomst is gegarandeerd – we voeden onze kinderen op zonder er zeker van te zijn dat ze blijven leven. Het is vreselijk om dat te zeggen, ik weet het.

‘Sinds de dageraad van de geschiedenis zijn wij Joden een verhaal dat groter is dan het leven zelf. Wanneer je als persoon of als volk groter bent dan het leven zelf, dan heb je een gestoorde verhouding met de werkelijkheid. Anderen zien je als metafoor, als een parabel waar lessen uit geleerd kunnen worden. Het is makkelijk om stereotypen op je te projecteren.

‘Helaas zijn velen van ons van deze toestand gaan houden. Het biedt een verklaring voor onze tragische geschiedenis. Maar als je verliefd wordt op het idee dat je groter bent dan het leven zelf, is het heel moeilijk om nog compromissen te sluiten, om gewend te raken aan de waarde van alledaagsheid. Dit alles drukt op ons. Israëliërs zijn er uitgeput van dit steeds maar weer onder ogen te zien. Ze sluiten zich af.

‘Schrijven biedt me troost. Je eigen tragedie in je eigen woorden beschrijven, dat is een van de weinige vrijheden die je hebt als je opgesloten zit in een situatie als deze. Schrijven biedt me de ruimte om geen slachtoffer te zijn.’

Gewoonlijk begon David Grossman altijd na een maand alweer te schrijven aan een volgende roman. ‘Als ik het achterstallig onderhoud in huis had opgeknapt, de rekeningen had betaald en de bureaucratie van het leven weer op orde had.’

Maar na Isha Borahat Mibesora zal het langer duren. ‘Ik wil in de buurt van dit boek blijven.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden