Vliegeren op de frappeloze ritmiek van het leven Het stilistisch raffinement van Johnny van Doorn

Allemaal onrustige kinderen die in de evacuatie zijn geboren, zei moeder Van Doorn hoofdschuddend toen ze haar zoon thuis aantrof als razende performer, met de wandspiegel als publiek....

ARJAN PETERS

Johnny van Doorn werd in 1944 geboren in Beekbergen, waarheen zijn ouders waren gevlucht voor de Slag die om hun woonplaats, Arnhem, geleverd werd. De drang tot declameren hield hem reeds in zijn kinderjaren in de greep. En al werd de mitrailleursnelheid waarmee hij in de jaren zestig zijn gedichten de zaal injoeg later vervangen door een gedragen galm, imponerend bleven zijn optredens. De woeste haardos, de fles schavuitewater binnen handbereik, en de bulder die ook de eenvoudigste zinnen tot dramatische proporties opblies, ze zijn iedereen die Van Doorn ooit aan het werk zag - en dat zijn er ontelbaar meer dan die zijn boeken kochten, gezien het feit dat geen van zijn titels een reusachtige oplage heeft gehaald - in het geheugen gegrift.

Van Doorns uitgever heeft nu zijn eerste drie proza-boeken in een band gevangen onder de kop Dagdromen. Sedert zijn dood, vier jaar geleden, moeten we het zonder dat karakteristieke geluid stellen. Toch is het bij lezing van deze driehonderd bladzijden niet te vermijden dat je oren meer dan eens tuiten. In Mijn kleine hersentjes (1972) ziet Johnny zich weer in de schoolbanken zitten en naar buiten kijken. Aan de overkant ontwaart hij een naakte vrouw: 'O haar grote borsten die boven de wasbak hingen! Ik had het niet meer.' Ik! Had! Het! Niet! Meer!, roept de echo van je herinnering, en op slag is het ondoenlijk de opborrelende lachkriebels te onderdrukken.

Scherper dan voorheen kan men nu ontdekken dat het theatrale effect, dat Van Doorn ook met een verstild natuurtafereel of kleine anekdote wist te bewerkstelligen, niet alleen op het conto van zijn voordracht geschreven moet worden. Hij gaf het zijn teksten al mee. Herlees de reminiscentie aan de 'oertijd van het Chinese eetwezen', toen Johnny met vrienden onder de vier gulden terecht kon voor een maaltijd met pilsje, en er op een keer een man de zaak binnenkwam die de Chinese ober vroeg om een portie Chinees. Het antwoord ('Een stuk van de bil? U kannibaal?') brengt de bezoeker danig van slag: 'Het zweet brak hem uit, verbijsterd keek hij ons aan, en zei: Rare lui, die Chinezen.'

Dat zweet en die verbijstering, die maken het futiele evenement gebruiksklaar voor de bühne. De stentor hoefde alleen zijn accenten aan te brengen.

Bij de verschijning van Mijn kleine hersentjes schreef Van Doorn als toelichting (ook opgenomen in Archief Johnny van Doorn; De Prom, 1994) dat hij zich spiegelde aan het leven. Wat is daarvan de ritmiek? '(E)r gebeuren soms dingen, kleine verhalen gebeuren er, maar meestentijds is het een beetje frappeloos of het is steeds hetzelfde.' Daarin het entertainment zoeken, om de gevonden verhaaltjes door romantische overdrijvingen even de glans te kunnen verlenen van een miniatuur, vraagt een stilistisch raffinement waartoe een uit het lood geslagen brulboei (waarvoor de auteur wel werd versleten), nooit bij machte zou zijn geweest.

De herlezer knikt nadrukkelijker als Van Doorn in de interviews uit het Archief opmerkt dat het schrijven hem allerminst probleemloos afging. De jongeling die het winkelende volk op de tapijtafdeling van de Arnhemse V & D deed verstijven met zijn animale geloei, is een ander dan de weemoedige fijnschrijver die de herinnering aan die legendarische act in tweeëneenhalve pagina voorgoed bijzette - hoe vroeg Van Doorn dáár ook mee was, want het tinkelende meesterwerkje Mijn kleine hersentjes verscheen in het jaar dat hij 28 werd.

Daarin is het patina van de dank zij de humor verteerbare nostalgie sterker dan de schaduw van de dood, die de magistrale stralende zon sluipenderwijs poogt te doven. De kleine Johnny gooide de klos van zijn vliegertouw door het openstaande raam van zijn ouderlijk huis, zodat zijn inwonende opa vanuit zijn zetel met hem kon meedoen ('Merakels, wat trekt dat touw lekker'). Aan het eind van het boekje is grootvader overleden.

Maar Johnny's generatiegenoten zijn er nog. Zij storten zich uitgelaten op de marihuana en de hasjiesj, het zoethout van de sixties.

In De geest moet waaien uit 1977 blijkt dat niet iedereen bestand is gebleven tegen de ondermijnende pretmiddelen. Ook Van Doorn behoudt niet voortdurend de macht over het stuur. Zijn aantekeningen moeten het hier van briljante vlagen hebben. 'Mijn studie van het caféleven was me uit de hand gelopen', staat er in de opening van Gevecht tegen het zuur, het boek waarmee hij in 1984 zijn impasse doorbrak. De uitspattingen hadden zijn schrijverschap er bijna onder gekregen. Zijn kracht lag in de beschrijving van de beschutte Arnhemse jeugdjaren en, lang daarna, in de ommetjes die de dichterlijke burger vanuit zijn flat in Amsterdam-Noord richting binnenstad, danwel jeugdhonken in de provincie maakte.

Een jutter van de poëzie van alledag, die in de doodshoofden van junks en ooit welvarende bikkers zag hoe de man met de zeis vervaarlijk dichtbij kon komen. Hij was nu 'een beetje beroemd en een beetje berucht', van Selfkicker geëvolueerd tot een dikbuikig, verwaaid kaboutertje. De nachtvlinder die hem in een duister café toevertrouwt dat ze nog met Fellini in de koffer gedoken is (Rosita Steenbeek?) en ook met The Selfkicker een historische val door een vliering heeft gemaakt, reageert ongelovig en zelfs furieus als ze hoort dat het toehorende mannetje niemand anders dan Johnny is.

Die glundert in zijn hoekje: nieuw materiaal voor een boekje. Dat werd recupereren en purgeren aan de keukentafel thuis, waar hij zijn ervaringen geduldig uitwerkte op papier. Zijn schrijven was vliegeren: flapperen op de frappeloze ritmiek van het leven. De klos stevig in handen in de huiskamer, en de bonte vlieger aan het touw door het open raam schietend, zich verheffend uit het tranendal, ten prooi aan windstoten die de kracht van een orkaan hadden. Enige romantische overdrijving kan nooit kwaad.

Op zijn sterfbed vroeg Van Doorn aan zijn vriend Cherry Duyns, die dat in een necrologie in Vrij Nederland memoreerde: 'Ik laat toch een mooi oeuvretje achter, dat kan je toch wel zeggen, of niet?' Dat vreemde verkleinwoord zou een contradictie zijn als het om andermans schrijverschap ging. Het is daarentegen een neologisme dat het formaat van Johnny van Doorns werk exact typeert: een gering aantal boeken, opgebouwd uit kleinodiën. Een oeuvretje.

Johnny van Doorn: Dagdromen.

De Bezige Bij, ¿ 35,- (geb.).

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden